Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:95

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-01-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 15-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:95, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201903590/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:95:DOC

201903590/1/A1.Datum uitspraak: 15 januari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te Zeist,tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 maart 2019 in zaak nr. 18/3152 in het geding tussen:[appellant]enhet college van burgemeester en wethouders van Zeist.ProcesverloopBij besluit van 24 augustus 2017 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd, strekkende tot het verwijderen en verwijderd houden van 6,79 m² aan bijbehorende bouwwerken die niet vergunningsvrij en zonder omgevingsvergunning zijn gerealiseerd op het perceel [locatie] te Zeist (hierna: het perceel).Bij besluit van 3 juli 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard wat betreft de grootte van het perceel en voor het overige ongegrond. De last is in die zin aangepast dat 5,79 m² aan bijbehorende bouwwerken op het perceel moeten worden verwijderd en verwijderd gehouden.Bij uitspraak van 21 maart 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2019, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door R. Snijder, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    Op 21 maart 2016 is er namens het college een controlebezoek gebracht aan het perceel. Er is toen vastgesteld dat op het achtererf van het perceel zonder omgevingsvergunning een caravanstalling is gebouwd. Volgens het college is deze caravanstalling in strijd met het bestemmingsplan. Het is niet bereid voor de caravanstalling van het bestemmingsplan af te wijken. Het college heeft [appellant] verzocht om de caravanstalling te verwijderen.    Op 3 augustus 2016 heeft er opnieuw een controle plaatsgevonden op het perceel. Op dat moment was de caravanstalling niet verwijderd. Bij brief van 3 augustus 2016 is aan [appellant] het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom gestuurd.    Bij besluit van 24 augustus 2017 heeft college een last onder dwangsom opgelegd strekkende tot het verwijderen en verwijderd houden van 6,79 m² aan bijbehorende bouwwerken die niet vergunningsvrij en zonder omgevingsvergunning zijn gerealiseerd op het perceel. Bij besluit van 3 juli 2018 is de last in die zin aangepast dat 5,79 m² aan bijbehorende bouwwerken die niet vergunningsvrij zijn en zonder omgevingsvergunning zijn gerealiseerd verwijderd moet worden.    De rechtbank heeft het door [appellant] tegen het bij besluit van 3 juli 2018 in stand gelaten besluit van 24 augustus 2017 ongegrond verklaard.Bespreking van het hoger beroep2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden, omdat de toegestane oppervlakte aan al dan niet met een omgevingsvergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken, als bedoeld in artikel 2, derde lid, aanhef onder f, onder 2°, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), niet wordt overschreden. Daartoe voert hij aan dat het college er ten onrechte van uitgaat dat de garage 50,84 m² is. Volgens hem mocht het college niet uitgaan van de meetgegevens van de inspecteur van het college, gedateerd 21 september 2016. Hij wijst er op dat door de Adviescommissie bezwaarschriften aan het college de opdracht is gegeven om het perceel en de bebouwing te laten inmeten door het Kadaster. Ten onrechte is alleen het perceel door het Kadaster ingemeten en niet ook de bebouwing op het perceel. Volgens [appellant] heeft de garage een oppervlakte van 45 m².2.1.    Artikel 2, aanhef en derde lid, aanhef en onder f, van bijlage II van het Bor luidt:    "Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:1°. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m²: 50% van dat bebouwingsgebied,2°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m² en kleiner dan of gelijk aan 300 m²: 50 m², vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m²,3°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m²: 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 150 m².2.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat er geen verplichting bestaat om de bebouwing op het perceel te laten meten door het Kadaster. Het college heeft echter toegelicht dat ter zitting bij de Adviescommissie bezwaarschriften is toegezegd dat het Kadaster de opdracht zou worden gegeven om de oppervlakte van het perceel en de oppervlakte van de aanwezige garage en carport te meten. Na de hoorzitting is gebleken dat het Kadaster alleen perceelsgrenzen meet, zodat het niet ook de bebouwing op het perceel heeft opgemeten. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college mocht uitgegaan van de meetgegevens van de bouwinspecteur. [appellant] heeft geen andere meetgegevens overgelegd.    Partijen zijn het er over eens dat op het perceel op grond van artikel 2, derde lid, aanhef en onder f, onder 2°, van bijlage II van het Bor maximaal 58,8 m² aan al dan niet met een omgevingsvergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken aanwezig mogen zijn. Ter zitting is gebleken dat [appellant] en het college alleen een ander standpunt innemen over de oppervlakte van de aanwezige garage. Het college beroept zich op metingen van de inspecteur en stelt zich op het standpunt dat de oppervlakte van de garage 50,84 m² is. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de oppervlakte van de garage 45 m² is. Hij rekent de oppervlakte van de aan de garage gebouwde luifel niet mee, omdat hij 43 jaar geleden van de bouwinspecteur mondeling toestemming zou hebben gekregen deze luifel aan de garage te bouwen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de feitelijke oppervlakte van de garage van belang is voor de berekening van de toegestane oppervlakte aan al dan niet met een omgevingsvergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken op het perceel. Feitelijk is op het perceel een garage met luifel aanwezig met een oppervlakte van 50,84 m², wat betekent dat de totale oppervlakte van al dan niet met een omgevingsvergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken op het perceel 64,59 m² is. Of destijds door de bouwinspecteur is toegezegd dat de luifel, ondanks dat daarvoor geen bouwvergunning was verleend, mocht worden aangebouwd is niet relevant. Door [appellant] is ter zitting gesteld dat de luifel een overstek is die voor de berekening van de oppervlakte van de garage niet behoeft te worden meegerekend. Het college heeft ter zitting gezegd dat de luifel geen overstek is, omdat de muur van de garage doorloopt tot onder de luifel. [appellant] heeft dit niet bestreden.    Het voorgaande betekent dat de toegestane oppervlakte als bedoeld in artikel 2, derde lid, aanhef en onder f, onder 2°, van bijlage II van het Bor wordt overschreden. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het college bevoegd was handhavend op te treden.    Het betoog slaagt niet.3.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Volgens hem zijn er in de directe nabijheid van het perceel vele percelen aanwezig die veel dichter zijn bebouwd.3.1.    [appellant] heeft in hoger beroep niet aangevoerd welke gevallen volgens hem anders worden behandeld. Reeds daarom wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.Conclusie en slot4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.w.g. Van Ravels    w.g. Kamphorst-Timmerlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 15 januari 2020776.