Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:93

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-01-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 15-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:93, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201902024/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:93:DOC

201902024/1/A2.Datum uitspraak: 15 januari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant A] en [appellant B] (hierna ook tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 januari 2019 in zaak nr. 18/2534 in het geding tussen:[appellant]enhet dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta.ProcesverloopBij besluit van 21 april 2017 heeft het dagelijks bestuur een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.Bij besluit van 23 november 2017 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 29 januari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.[appellant] heeft een nader stuk ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2019, waar [appellant A], bijgestaan door [gemachtigde], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.L.W. Huisman, bijgestaan door mr. H.X. Botter, advocaat te Breda, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie] te Steenbergen. Dit perceel grenst aan het water.2.    Op 20 november 2012 heeft het waterschap Brabantse Delta de Legger oppervlaktewaterlichamen en vaarwegen Mark-Vlietsysteem (hierna: de legger) gewijzigd. Als gevolg van deze wijziging is de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de beschoeiing op het perceel van [appellant] verlegd van het waterschap naar [appellant].3.    Bij brief van 20 juli 2016 heeft [appellant] het dagelijks bestuur om een vergoeding van zijn schade verzocht. Volgens [appellant] is zijn perceel in waarde gedaald omdat de eigenaar van het perceel als gevolg van de inwerkingtreding van de legger verantwoordelijk is geworden voor het onderhoud van de beschoeiing.Besluitvorming4.    Het dagelijks bestuur heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) gevraagd hem te adviseren over het verzoek van [appellant].5.    De SAOZ heeft in februari 2017 advies uitgebracht aan het dagelijks bestuur. De SAOZ heeft zich op het standpunt gesteld dat de beschoeiing aan de waterkant van het perceel van [appellant] in de eerste plaats is bedoeld om het bergend vermogen en de doorstroming van de aangrenzende watergang te beschermen, maar dat de beschoeiing ook als doel heeft verzakkingen of verplaatsingen van de oever ofwel het talud te voorkomen. Volgens de SAOZ bedragen de onderhoudskosten van de beschoeiing eens in de dertig à veertig jaar maximaal € 5.000,00. Een redelijk denkend en handelend koper zal bij de aankoop van de woning van [appellant] daarom rekening houden met een dergelijke kostenpost wegens het op enig moment moeten vervangen van de aanwezige beschoeiing en dit bij de koopprijs betrekken. Een bedrag van € 5.000,00 valt volgens de SAOZ binnen het normaal maatschappelijk risico van [appellant]. Zij heeft het dagelijks bestuur daarom geadviseerd het verzoek van [appellant] af te wijzen.6.    In zijn besluit van 21 april 2018 heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt gesteld dat de SAOZ een te ruime onderhoudsplicht heeft aangenomen. Volgens het dagelijks bestuur zag de op hem rustende onderhoudsplicht niet ook op het terras van [appellant]. Het dagelijks bestuur volgt de SAOZ wel in haar standpunt dat het nadeel dat de inwerkingtreding van de legger voor [appellant] met zich heeft gebracht in ieder geval binnen het normaal maatschappelijk risico van [appellant] valt.7.    Op 31 oktober 2017 heeft de commissie bezwaarschriften het dagelijks bestuur geadviseerd het door [appellant] tegen het besluit van 21 april 2018 gemaakte bezwaar ongegrond te verklaren. Het dagelijks bestuur heeft dit advies in zijn besluit van 23 november 2017 gevolgd. Het volgt de commissie alleen niet in haar standpunt dat de onderhoudsplicht er tevens toe strekt dat moet worden voorkomen dat een achter de beschoeiing gelegen terras niet verzakt.Beroep8.    Volgens de rechtbank heeft de SAOZ terecht aangenomen dat de onderhoudsplicht van de beschoeiing zich ook uitstrekt tot het voorkomen van verzakkingen of verplaatsingen van de oever ofwel het talud. Dit betekent echter niet dat het beroep van [appellant] slaagt. Het dagelijks bestuur heeft namelijk de schade die de inwerkingtreding van de legger voor rekening van [appellant] kunnen laten, omdat die binnen het normaal maatschappelijk risico van [appellant] valt, aldus de rechtbank.Hoger beroep9.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de schade die de inwerkingtreding van de legger met zich heeft gebracht voor zijn rekening mag laten. Volgens [appellant] heeft de SAOZ de schade veel te laag begroot. De SAOZ is ervan uitgegaan dat de huidige beschoeiing, die bestaat uit een constructie van doek en palen en niet, zoals het dagelijks bestuur stelt, uit een houten damwand, voldoet. De situatie op het perceel laat zien dat een steviger beschoeiing nodig is - de oever kalft af en delen van het perceel verzakken. Het perceel grenst aan een havenmond. De schepen die van en naar de haven van Steenbergen varen moeten bij het perceel van [appellant] een bocht maken. Door de draaibeweging van de schepen ontstaat een grote waterdruk op de oever. De huidige beschoeiing kan deze druk niet opvangen. In dit verband wijst [appellant] erop dat de rechtbank het waterschap heeft opgedragen keerwanden aan te brengen op het perceel van [persoon], dat vergelijkbaar is met het perceel van [appellant]. Ook op het perceel van [appellant] zal geïnvesteerd moeten worden in een kademuur of een deugdelijke damwand. De SAOZ heeft de kosten die een houten damwand met zich brengt gebaseerd op de uitgave "Kengetallen kleine (re)constructies 1" van Grond-, Weg- en Waterbouw (hierna: GWW) uit 2017. Een deugdelijke damwand is evenwel geen kleine reconstructie. De SAOZ mocht dan ook niet van die uitgave uitgaan. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De rechtbank is verder ten onrechte voorbijgegaan aan het in bezwaar ingebrachte deskundigenoordeel van Kraaijeveld’s Aannemingsbedrijf B.V. (hierna: Kraaijeveld). Volgens de in hoger beroep ingebrachte prijsopgave blijkt dat de kosten voor een veilige en deugdelijke damwand € 57.061,18 bedragen. Het bedrag dat Kraaijeveld heeft begroot is minstens tien keer hoger dan het door de SAOZ begrootte schadebedrag, aldus [appellant].9.1.    De Afdeling stelt vast dat partijen verdeeld zijn over de hoogte van het nadeel dat de wijziging van de legger voor [appellant] heeft meegebracht. De Afdeling stelt verder vast dat het nadeel volgens de SAOZ € 5.000,00 bedraagt en daarmee volgens haar binnen het normaal maatschappelijk risico van [appellant] valt.9.2.    De Afdeling overweegt dat een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een door een onafhankelijke en onpartijdige deskundige aan hem uitgebracht advies, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid naar voren zijn gebracht. De SAOZ is een deskundige in evenbedoelde zin. Het was daarom aan [appellant] om concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het door haar aan het dagelijks bestuur uitgebrachte advies naar voren te brengen. Dat heeft [appellant] naar het oordeel van de Afdeling niet gedaan. [appellant] heeft in de eerste plaats niet aannemelijk gemaakt dat de SAOZ zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een houten damwand geschikt is als beschoeiing. Dat een stalen damwand vereist is, zoals [appellant] stelt, wordt weersproken in de door [appellant] overgelegde prijsopgave van Kraaijeveld. Hoewel Kraaijeveld alleen heeft begroot wat de kosten van een stalen damwand zouden zijn, is de realisatie van een houten damwand volgens hem ook mogelijk. Verder bevestigt het dagelijks bestuur dat op het perceel van [persoon] voor een stalen damwand is gekozen, maar dit is volgens het dagelijks bestuur op verzoek van [persoon] gebeurd. Op dit moment loopt een civiele procedure over de vraag wie de kosten van deze stalen damwand voor zijn rekening dient te nemen. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat een stalen damwand ook op het perceel van [persoon] onnodig is. De Afdeling overweegt dat, alleen al omdat Kraaijeveld in zijn prijsopgave is uitgegaan van de realisatie van een stalen damwand, hieraan niet de betekenis toekomt die [appellant] daaraan toekent. [appellant] heeft in de tweede plaats niet aannemelijk gemaakt dat de SAOZ de kosten van een houten damwand te laag heeft begroot. De SAOZ heeft haar begroting gebaseerd op een uitgave van GWW. Ter zitting heeft [appellant] te kennen gegeven de expertise van GWW niet te bestrijden, maar te bestrijden dat de aanleg van een houten damwand moet worden beschouwd als een kleine reconstructie of een kleine constructie. Het dagelijks bestuur heeft in reactie hierop ter zitting te kennen gegeven dat een damwand van ongeveer 10 m, de lengte van de oeverzijde van het perceel van [appellant], te beschouwen is als een kleine reconstructie of kleine constructie. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze uitleg te twijfelen en gaat dan ook uit van de door de SAOZ op basis van de uitgave van GWW begrote kosten van € 5.000,00. Deze kosten vallen binnen het normaal maatschappelijk risico van [appellant]. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur het nadeel dat de inwerkingtreding van de legger voor [appellant] mee heeft gebracht voor rekening van [appellant] kon laten.9.3.    Het betoog faalt.Incidenteel hoger beroep10.    Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de zorgplicht die op het waterschap rustte er ook toe strekte dat het waterschap ertoe gehouden was verzakking van het aan het water grenzende perceel tegen te gaan. Volgens het dagelijks bestuur gaat de door de rechtbank aangenomen zorgplicht de wettelijke taak van het waterschap te buiten. De Afdeling stelt vast dat de reikwijdte van die zorgplicht niet van betekenis is voor het bepalen van de omvang van het nadeel dat [appellant] heeft geleden als gevolg van de wijziging van de legger en daarmee voor de beslechting van dit geschil niet ter zake is. Het dagelijks bestuur is in andere procedures waarin de reikwijdte van de zorgplicht aan de orde komt niet gebonden aan hetgeen de rechtbank - ten overvloede - over de zorgplicht heeft overwogen. De Afdeling ziet daarom geen reden in te gaan op hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen.Conclusie11.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.w.g. Van Altena    w.g. Dijkshoornvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 15 januari 2020735.