Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:92

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-01-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 15-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:92, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201901612/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:92:DOC

201901612/1/A1.Datum uitspraak: 15 januari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant A] en [appellant B], wonend in Haelen, gemeente Leudal,tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 januari 2019 in zaak nr. 18/1720 in het geding tussen:[appellanten]enhet college van burgemeester en wethouders van Leudal.ProcesverloopBij besluit van 15 januari 2018 heeft het college [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het gebouw aan de [locatie] in Haelen (hierna: het perceel) voor een trimsalon.Bij besluit van 7 juni 2018 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 14 januari 2019 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.Het college en [vergunninghouder] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2019, waar [appellanten], bijgestaan door mr. M.R.A. Arntz, rechtsbijstandverlener te Roermond, en het college, vertegenwoordigd door P.J.J.M. van Lierop en mr. W.J.J.M. Stark, zijn verschenen. Verder is ter zitting [vergunninghouder] als belanghebbende gehoord.Overwegingen    Wettelijk kader1.    De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.Inleiding2.    [belanghebbenden] wonen op het perceel en exploiteren daar een kattenpension en een winkel voor natuurvoer voor dieren. [vergunninghouder] wil op het perceel een honden- en kattentrimsalon exploiteren. Dat is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Reparatie- en veegplan buitengebied Leudal 2016", omdat ter plaatse alleen een kattenpension en een diervoederwinkel zijn toegestaan. [vergunninghouder] heeft daarom een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht gevraagd. Het college heeft de gevraagde vergunning bij besluit van 15 januari 2018, gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 7 juni 2018, verleend. De rechtbank heeft dit besluit in stand gelaten.    [appellanten] wonen op het naastgelegen perceel en exploiteren daar een bed & breakfast. Zij zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning, omdat zij vrezen voor overlast. Zij hebben nu al veel parkeeroverlast en last van blaffende honden, en zij zijn bang dat dat door de trimsalon erger zal worden. Zij zijn daarom tegen de uitspraak van de rechtbank opgekomen.Voldoet de aanvraag aan artikel 3.2, aanhef en onder b, van de Regeling omgevingsrecht?3.    [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de aanvraag niet voldoet aan artikel 3.2, aanhef en onder b, van de Regeling omgevingsrecht, omdat er niet genoeg informatie over de ruimtelijke gevolgen van de trimsalon is overgelegd.3.1.    [vergunninghouder] heeft een bedrijfsplan overgelegd met informatie over het beoogde gebruik en de daarvan te verwachten ruimtelijke gevolgen. Hoewel deze informatie niet heel uitgebreid is, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college tot de conclusie heeft kunnen komen dat het daarmee voldoende gegevens en bescheiden had om te beoordelen wat de ruimtelijke gevolgen van het plan zijn. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat bij een activiteit waarvan aannemelijk is dat er weinig ruimtelijke gevolgen te verwachten zijn, zoals bij een inpandige trimsalon in het buitengebied, minder informatie hoeft te worden overgelegd dan bij grotere activiteiten.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat de aanvraag niet in strijd is met artikel 3.2, aanhef en onder b, van de Regeling omgevingsrecht.    Het betoog faalt.Is het verlenen van een omgevingsvergunning voor een trimsalon in strijd met een goede ruimtelijke ordening?4.    [appellanten] betogen dat de te verwachten ruimtelijke gevolgen niet goed zijn onderzocht, omdat expliciet aandacht besteed had moeten worden aan de in artikel 8.6.1 van de planregels opgenomen ruimtelijke gevolgen.4.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat alleen voor de afwijkingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1˚, van de Wabo geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking van het plan. Aangezien hier echter is verzocht om afwijking van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚, van de Wabo, is artikel 8.6.1 van de planregels niet van toepassing, ook niet naar analogie.    Het betoog faalt.5.    [appellanten] betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de activiteit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat het zal leiden tot verkeer- en parkeeroverlast. Zij voeren aan dat niet goed is onderzocht tot hoeveel verkeersbewegingen de komst van de trimsalon zal leiden. Volgens hen zullen er gedurende de dag veel bezoekers komen. Het genoemde aantal van 4 à 5 bezoekers per dag is volgens hen niet realistisch, omdat het bedrijf dan niet winstgevend is. Verder voeren [appellanten] aan dat er niet genoeg parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd, omdat er al parkeeroverlast is en er geen rekening is gehouden met het feit dat er soms meerdere bezoekers tegelijkertijd zullen zijn.5.1.    Over het aantal verkeersbewegingen overweegt de Afdeling als volgt. In het bedrijfsplan staat dat de trimsalon per dag maximaal 5 klanten zal hebben. Het bedrijfsplan maakt onderdeel uit van de verleende omgevingsvergunning en het aantal klanten per dag is dan ook in de vergunning neergelegd. Of dit aantal klanten al dan niet winstgevend is, doet niet ter zake. De klanten brengen hun honden en katten weg en halen deze aan het einde van de afspraak weer op. Dit betekent dat de klanten van de trimsalon samen per dag maximaal 10 keer heen en weer zullen rijden. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat niet duidelijk is tot hoeveel verkeersbewegingen de trimsalon ongeveer zal leiden en ook niet voor het oordeel dat het college in redelijkheid dit aantal verkeersbewegingen in strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten achten.    Over het aantal parkeerplaatsen overweegt de Afdeling als volgt.  Op de tekening die hoort bij de omgevingsvergunning staan zes parkeerplaatsen ingetekend. Aangezien er al vier parkeerplaatsen op het perceel aanwezig zijn, houdt dat in dat er twee extra parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd. De gemeente Leudal kent geen parkeernormen voor een trimsalon. Aangezien er per dag maximaal 5 klanten zullen zijn, deze klanten niet allemaal tegelijkertijd zullen komen en ze elk maar kort van de parkeerplaatsen gebruik zullen maken, is de Afdeling, net als de rechtbank, van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat als er twee extra parkeerplaatsen op het perceel worden gerealiseerd, de komst van de trimsalon niet tot (meer) parkeeroverlast zal leiden. Dat de trimsalon inmiddels open is en deze parkeerplaatsen nog niet gereed zijn, is een kwestie van handhaving en doet niet af aan de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college niet vanwege verkeer- of parkeeroverlast de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid had moeten weigeren.    Het betoog faalt.6.    [appellanten] betogen ten slotte dat de vergunning is verleend in strijd met een goede ruimtelijke ordening, omdat de trimsalon zal leiden tot geluidoverlast, aangezien de honden van de buren zullen gaan blaffen als er een dier naar de trimsalon wordt gebracht. Ter onderbouwing van dit betoog hebben zij ter zitting filmpjes laten zien waarop blaffende honden zijn te horen.6.1.    [appellanten] zijn bang dat de honden van [belanghebbenden] zullen gaan blaffen. Als dat zo is, is dat echter geen geluidsoverlast die wordt veroorzaakt door (de honden van) de trimsalon zelf. De rechtbank heeft dan ook terecht niet geoordeeld dat het college hier bij de beoordeling van de aanvraag rekening mee had moeten houden.    Het betoog faalt.7.    Gelet op hetgeen onder 4.1, 5.1 en 6.1 is overwogen, bestaat er in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid had moeten weigeren om de omgevingsvergunning voor de trimsalon te verlenen vanwege strijd met een goede ruimtelijke ordening.Conclusie8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V.H.Y. Huijts, griffier.w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Huijtslid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 15 januari 2020811. Bijlage Wet algemene bepalingen omgevingsrechtArtikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, luidt:"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]."Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, luidt:"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:    a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:        1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,        2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of        […]"Besluit omgevingsrechtArtikel 4 luidt:"Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:[…]9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;[…]."Regeling omgevingsrechtArtikel 3.2, aanhef en onder b, luidt:"In of bij de aanvraag om een vergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, verstrekt de aanvrager gegevens en bescheiden over de gevolgen van het beoogde gebruik voor de ruimtelijke ordening."PlanregelsArtikel 8.6.1 van de planregels luidt:"Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.1 onder a ten behoeve van de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, die hoewel gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in lid 8.1 onder a, niet in de Lijst van Bedrijfsactiviteiten (Bijlage 1 Lijst van bedrijfsactiviteiten bij deze regels) wordt genoemd. Voor bedrijven in categorieën 3 en hoger van de Lijst van bedrijfsactiviteiten kan deze afwijkingsregel niet worden toegepast.Bij de beoordeling van de aard en invloed van de milieubelasting van een bedrijf dienen de volgende milieubelastingcomponenten mede in de beoordeling te worden betrokken:    a. geluid;    b. geurproductie;    c. stofuitworp en gevaar;    d. waarbij tevens kan worden gekeken naar de verontreiniging van lucht en bodem;    e. de diversiteit en het al dan niet continue karakter van het bedrijf;    f. de visuele hinder;    g. verkeersaantrekkende werking;    h. ruimtelijke uitstraling en stedenbouwkundig beeld."