Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:881

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 25-03-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 25-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:881, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201801850/1/R2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:881:DOC

201801850/1/R2.Datum uitspraak: 25 maart 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:1.    [appellant sub 1], wonend te Liessel, gemeente Deurne,2.    [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], gevestigd te Vlierden, gemeente Deurne,3.    Afdeling Deurne van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, gevestigd te Deurne (hierna: ZLTO),ende raad van de gemeente Deurne,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 19 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied" vastgesteld.Tegen dit besluit hebben onder andere [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en ZLTO beroep ingesteld.De raad heeft een verweerschrift ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2020, waar [appellant sub 2A], bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, advocaat te Deurne, en ZLTO, vertegenwoordigd door [gemachtigde], de raad, vertegenwoordigd door mr. C.G.M. Claessens en C.C. van Vliet, zijn verschenen.Voorts zijn ter zitting provinciale staten van Noord-Brabant, vertegenwoordigd door mr. E.F.M. Vos, gehoord.OverwegingenInleiding1.    Het plan is de derde herziening van het op 11 december 2007 door de raad vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied" en volgt het op 28 januari 2014 door de raad vastgestelde plan "Tweede herziening bestemmingsplan Buitengebied" op. Het plangebied beslaat het hele buitengebied van de gemeente Deurne. Met het plan wordt onder meer de Verordening ruimte 2014, actualisatie 2017 (hierna: de Verordening ruimte) verwerkt in de planregels, wordt gemeentelijk beleid in het plan vastgelegd en is een vereenvoudiging van de regels doorgevoerd.Tegen het plan zijn 32 beroepen ingesteld. Het merendeel van de personen die beroep hebben ingesteld richt zich tegen de planregeling voor hun eigen gronden. De Afdeling heeft er in dit geval niet voor gekozen om alle beroepen op één zitting te behandelen en in één uitspraak op te nemen, maar die beroepen op meerdere afzonderlijke zittingsdagen te behandelen en de beroepen per zittingsdag in één uitspraak op te nemen. In deze uitspraak komen drie beroepen aan de orde.Toetsingskader2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.3.    In een aantal beroepen komt bovendien de exceptieve toetsing van de Verordening ruimte aan de orde. Algemeen verbindende voorschriften die geen wet in formele zin zijn kunnen door de rechter in een geding waarin een daarop berustend besluit betrokken is, worden getoetst op rechtmatigheid, in het bijzonder aan hogere regelgeving. Voorts kunnen aan de inhoud of de wijze van de totstandkoming van een algemeen verbindend voorschrift zodanige gebreken kleven dat dit voorschrift om die reden niet kan dienen als grondslag voor daarop in concrete gevallen te nemen beslissingen. Bij die niet rechtstreekse toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijke richtsnoer, waarbij de toetsing wordt verricht op de wijze als door de Afdeling - in navolging van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2016) - is uiteengezet in zijn haar uitspraak van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:452). Zoals in die uitspraak is overwogen, kan enkele strijd met formele beginselen als het beginsel van zorgvuldige besluitvorming en het motiveringsbeginsel niet leiden tot het onverbindend verklaren van een algemeen verbindend voorschrift. Dat laat onverlet dat, indien als gevolg van een gebrekkige motivering of onzorgvuldige voorbereiding door de rechter niet kan worden beoordeeld of er strijd is met hoger regelgeving, de algemeen beginselen van behoorlijk bestuur of de algemene rechtsbeginselen, dit ertoe kan leiden dat de bestuursrechter een algemeen verbindend voorschrift buiten toepassing laat en een daarop berustend voorschrift vernietigt.Het beroep van [appellant sub 1]4.    [appellant sub 1] woont aan [locatie 1] te Liessel, gemeente Deurne. Hij exploiteert daar een intensieve veehouderij. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met het plan omdat hij vreest daardoor te worden beperkt in zijn uitbreidingsmogelijkheden.5.    [appellant sub 1] betoogt primair dat de stalderingsregeling in artikel 26.1 van de Verordening ruimte, waaraan met artikel 3, lid 3.4.2, onder g, van de planregels toepassing is gegeven, niet noodzakelijk is met het oog op een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Artikel 26.1 van de Verordening kan dan ook niet op deze bepaling in de Wro worden gebaseerd.Daartoe voert [appellant sub 1] aan dat een causaal verband ontbreekt tussen een planontwikkeling enerzijds en de in de stalderingsregeling vereiste sloop of herbestemming van een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij anderzijds, omdat die sloop of herbestemming op een geheel andere locatie mag plaatsvinden dan de planontwikkeling. Daardoor ligt aan de stalderingsregeling geen ruimtelijk belang ten grondslag. Bovendien kan volgens de stalderingsregeling ook worden volstaan met een herbestemming van de intensieve veehouderij, waardoor de regeling een milieuhygiënisch belang dient en niet een ruimtelijk belang. Ook valt niet in te zien waarom er meer oppervlak aan bedrijfsbebouwing gesloopt of herbestemd moet worden dan waarin de beoogde ontwikkeling voorziet. Volgens [appellant sub 1] is ook de noodzaak van de stalderingsregeling niet onderbouwd, omdat de bestaande sectorale regelgeving voor de intensieve veehouderij afdoende is en staldering daar niets aan toevoegt.[appellant sub 1] stelt in dit verband verder dat artikel 26.1 van de Verordening onevenredig bezwarend is, omdat de stalderingsregeling een vergaande financiële wissel trekt op de door haar beoogde ontwikkeling en deze regeling veehouderijen in Noord-Brabant zonder noodzaak bedrijfseconomisch op achterstand zet ten opzichte van andere veehouderijen.[appellant sub 1] betoogt subsidiair dat artikel 3, lid 3.4.2, onder g, van de planregels ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om de aanwezigheid van het door of namens het college uit te geven stalderingsbewijs als voorwaardelijke verplichting in de omgevingsvergunning voor bouwen op te nemen. Dit zou ertoe strekken dat het stalderingsbewijs er pas hoeft te zijn op het moment dat er daadwerkelijk gebouwd wordt. Artikel 26.1, tweede en derde lid, van de Verordening ruimte staat daaraan volgens hem niet in de weg, omdat het stalderingsbewijs voor bestaande bedrijven volgens [appellant sub 1] is gekoppeld aan het oprichten of de ingebruikname van een gebouw als dierenverblijf. Deze bepaling gaat volgens [appellant sub 1] boven een beleidsregel of andere toepassing of uitleg van het voorschrift. Ook het evenredigheidsbeginsel dwingt tot de mogelijkheid om de aanwezigheid van het stalderingsbewijs als voorwaardelijke verplichting in een omgevingsvergunning op te nemen. [appellant sub 1] verwacht dat er geen financiering kan worden verkregen voor sloop of herbestemming van bebouwing elders voorafgaand aan de beslissing op vergunningaanvragen. De nu in de planregels opgenomen stalderingseis belemmert daardoor volgens hem in feite iedere ontwikkeling.5.1.    In de uitspraak van 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3609, heeft de Afdeling naar aanleiding van gelijkluidende gronden en argumenten geoordeeld dat artikel 26.1 van de Verordening niet in strijd is met artikel 4.1, eerste lid, van de Wro en dat artikel 26.1 van de Verordening ruimte geen ruimte biedt om de aanwezigheid van een stalderingsbewijs als een voorwaardelijke verplichting in de omgevingsvergunning voor bouwen op te nemen. Ook achtte de Afdeling onvoldoende aannemelijk dat geen financiering zal kunnen worden verkregen voor sloop of herbestemming van bebouwing elders binnen het stalderingsgebied voordat op vergunningaanvragen wordt beslist. De Afdeling ziet naar aanleiding van het door [appellant sub 1] - die niet ter zitting is verschenen om zijn gronden en argumenten toe te lichten - aangevoerde, geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.Het betoog slaagt niet.6.    [appellant sub 1] vreest verder dat het plan op het naast zijn perceel gelegen perceel, [locatie 2], ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maakt die hem in zijn bedrijfsvoering zullen beperken. Hij stelt in dit verband dat in bijlage 10 van de planregels ten onrechte een vergunning is opgenomen voor het realiseren van een loods en afwijkend gebruik van gronden ter plaatse van het perceel [locatie 2]. Hij stelt dat deze vergunning is geweigerd en dat dit weigeringsbesluit in rechte onaantastbaar is geworden. Volgens [appellant sub 1] was deze vergunning in het ontwerpplan nog niet in de betreffende bijlage opgenomen en hebben de over het ontwerpplan ingediende zienswijzen geen aanleiding gegeven voor het opnemen in bijlage 10 van de planregels van deze niet verleende vergunning.6.1.    Artikel 29, lid 29.2, van de planregels luidt:"Bouwwerken die zijn opgenomen in bijlage 10 van deze regels worden geacht in overeenstemming te zijn met de bouwregels van dit bestemmingsplan".Artikel 30, lid 30.1, onder b, van de planregels luidt:"Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik zoals vergund conform artikel 2.1, eerste lid, onder c, en artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) voor zover opgenomen in bijlage 10 bij deze regels."In bijlage 10 bij de planregels is onder meer opgenomen:"HZ-2016-1108 Het realiseren van een loods en het ander gebruik van gronden [locatie 2] te Liessel".6.2.    Artikel 29, lid 29.2, van de planregels is geplaatst onder het kopje "Vergunde bouwwerken omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan". Ter zitting is naar voren gekomen dat de raad heeft beoogd uitsluitend vergunde bouwwerken en vergund gebruik te reguleren. Vaststaat dat ten tijde van de vaststelling van het plan geen op het perceel [locatie 2] betrekking hebbende omgevingsvergunning was verleend. In zoverre heeft de raad voor de locatie [locatie 2] niet geregeld wat hij beoogd heeft te regelen. Gelet hierop is het plan, voor zover daarbij in bijlage 10 bij de planregels een omschrijving bij het adres [locatie 2] is opgenomen, in strijd met de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vastgesteld.Het betoog slaagt.Het beroep van [appellant sub 2A]Ingetrokken beroepsgrond7.    Ter zitting heeft [appellant sub 2A] zijn beroepsgrond, gericht tegen de in artikel 3, lid 3.4.2, onder f, van de planregels opgenomen voorwaarde, ingetrokken.Dierenverblijven en daartoe behorende voorzieningen8.    [appellant sub 2A] is gevestigd aan de [locatie 3] te Vlierden, gemeente Deurne. [appellant sub 2A] exploiteert daar een intensieve veehouderij.[appellant sub 2A] betoogt dat artikel 26.1 van de Verordening ruimte, gelezen in samenhang met artikel 1,lid 28 van die verordening, onverbindend is. Gelet hierop hadden de op die verordening gebaseerde artikel 3, leden 3.2.2, onder a, en 3.4.2, onder g, van de planregels in samenhang gelezen met artikel 1, lid 1.45, van de planregels reeds hierom niet zo mogen worden vastgesteld. [appellant sub 2A] stelt dat onduidelijk is wat onder de woorden "daartoe behorende voorzieningen" in de definitiebepaling van het begrip "dierenverblijf", zoals opgenomen in artikel 1, lid 1.28, van de Verordening ruimte, die overeenkomt met artikel 1, lid 1.45, van de planregels, moet worden verstaan. Artikel 1, lid 1.28, van de Verordening ruimte is in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel vastgesteld, zo stelt [appellant sub 2A]. Volgens [appellant sub 2A] ligt het, gelet op de tekst van artikel 3, lid 3.4.2, van de planregels, overigens voor de hand dat met "daartoe behorende voorzieningen" alleen verblijven worden bedoeld waar daadwerkelijk dieren worden gehouden. Het zou namelijk vreemd zijn om voorwaarden over geurbelasting en luchtkwaliteit, die in die bepaling worden gesteld, op te nemen voor bebouwing waar geen dieren worden gehouden. Een andere uitleg zou bovendien leiden tot strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat een werktuigenloods bij een ander agrarisch bedrijf dan een veehouderij bij recht zou zijn toegestaan, terwijl eenzelfde werktuigenloods bij een veehouderij alleen door middel van afwijking zou zijn toegestaan. Dit laatste zou verder meebrengen dat artikel 3, lid 3.4.2, van de planregels niet ruimtelijk relevant zou zijn.Volgens [appellant sub 2A] is het in artikel 1, lid 1.28, van de Verordening ruimte opgenomen begrip "dierenverblijven" bovendien te ruim omschreven. Blijkens de toelichting op artikel 26.1 van de Verordening ruimte is het de bedoeling dat ook luchtwassers, brijkeukens en ventilatiekanalen tot de "daartoe behorende voorzieningen" worden gerekend. Dit betekent dat ook aan de stalderingseisen moet worden voldaan als een stal enkel met dergelijke voorzieningen wordt uitgebreid, zo stelt [appellant sub 2A]. Volgens [appellant sub 2A] heeft dit aanzienlijke gevolgen voor zijn bedrijf omdat bestaande planologische uitbreidingsmogelijkheden daardoor worden ingeperkt. Ook belemmert deze regeling het treffen van milieumaatregelen.8.1.    Het begrip "dierenverblijf" is in artikel 1, lid 1.28, van de Verordening ruimte en artikel 1, lid 1.45, van de planregels gedefinieerd als gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daartoe behorende voorzieningen.Uit de tekst van artikel 1, lid 1.28, van de Verordening ruimte blijkt dat met de daar genoemde "daartoe behorende voorzieningen" gedoeld wordt op voorzieningen die deel uitmaken van gebouwen waarin landbouwhuisdieren worden gehouden. Dat kunnen zowel inpandige als uitpandige delen van het gebouw betreffen. Blijkens de toelichting is daarmee beoogd om de rechtsonzekere situatie te voorkomen waarin onduidelijk is welke delen van een gebouw waar landbouwhuisdieren worden gehouden wel en welke delen van een dergelijk gebouw niet tot een dierenverblijf worden gerekend. Gelet op de tekst van artikel 1, lid 1.28, van de Verordening ruimte worden met de in die bepaling genoemde "daartoe behorende voorzieningen", anders dan [appellant sub 2A] vreest, geen gebouwen bedoeld die niet kwalificeren als bestaand dierenverblijf als bedoeld in artikel 26.1, vierde lid, van de Verordening ruimte, zoals bijvoorbeeld werktuigbouwloodsen. Voorzieningen, zoals luchtwassers, brijkeukens en ventilatiekanalen, die buiten een gebouw waar landbouwhuisdieren worden gehouden worden aangebracht en die daarvan geen onderdeel daarvan uitmaken, worden dus niet tot dierenverblijf als bedoeld in artikel 1, lid 1.28, gerekend.Nu duidelijk is wat wordt bedoeld met de "daartoe behorende voorzieningen", zoals opgenomen in artikel 1, lid 1.28, van de Verordening ruimte, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat deze bepaling onverbindend is wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.Het betoog slaagt niet.8.2.    Omdat werktuigbouwloodsen, gelet op wat de Afdeling onder 8.1 heeft overwogen, niet tot dierenverblijf worden gerekend, komt de Afdeling niet meer toe aan het betoog van [appellant sub 2A] dat een andere uitleg dan die van de Afdeling in 8.1 in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel en dat de regeling daarom ruimtelijke relevantie zou ontberen.8.3.    Over het betoog van [appellant sub 2A] dat de stalderingsregeling ten onrechte ook geldt wanneer een stal enkel wordt uitgebreid met inpandige voorzieningen, zoals luchtwassers, brijkeukens of ventilatiekanalen, maar de oppervlakte waar dieren daadwerkelijk verblijven niet toeneemt, overweegt de Afdeling het volgende.Op grond van artikel 26.1, tweede lid, van de Verordening ruimte is de stalderingsregeling onder meer van toepassing als de oppervlakte dierenverblijf voor een hokdierhouderij binnen het bouwperceel toeneemt. Mede gelet op wat onder 8.1 over de definitiebepaling in artikel 1, lid 1.28 van de Verordening ruimte is overwogen, is de stalderingsregeling ook van toepassing in het geval de oppervlakte van het dierenverblijf wordt vergroot voor inpandige voorzieningen, zoals luchtwassers, brijkeukens of ventilatiekanalen, maar de oppervlakte van het dierenverblijf niet wordt vergroot om meer dieren te houden. Blijkens de toelichting van artikel 26.1 is het vanuit het streven naar een zo eenvoudig mogelijke en eenduidige regeling niet gewenst om binnen een gebouw onderscheid te maken tussen delen waar wel en waar geen dieren worden gehouden. Daarom hebben provinciale staten ervoor gekozen dat de stalderingsregeling uitgaat van de oppervlakte van het gehele dierenverblijf, inclusief de daartoe behorende voorzieningen zoals luchtwassers, brijkeukens en ventilatiekanalen.Niet is uitgesloten dat dit, zoals [appellant sub 2A] stelt, gevolgen kan hebben voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 2A] en dat dit hem ervan zou kunnen weerhouden om milieumaatregelen te treffen. Blijkens de toelichting van de Verordening ruimte hebben provinciale staten deze negatieve gevolgen van de wijze waarop de stalderingsregeling in artikel 26.1 en artikel 1, lid 1.28, is vormgegeven, bij het voorbereiden van de stalderingsregeling meegenomen in hun afweging. Die negatieve gevolgen zijn naar het oordeel van de Afdeling niet onevenredig bezwarend gelet op het belang bij een eenduidige uitvoerbare regeling. Daarbij betrekt de Afdeling dat er ook situaties kunnen zijn waarin [appellant sub 2A] meer dieren kan houden zonder dat de stalderingsregeling van toepassing is, bijvoorbeeld door functies buiten een stal te plaatsen.Het betoog slaagt niet.Zorgvuldigheidsvereiste9.    [appellant sub 2A] betoogt voorts dat de in artikel 3, lid 3.4.2, onder g, en artikel 4, lid 4.4.2, onder g, van de planregels vervatte regeling niet zo had mogen worden vastgesteld omdat deze is gebaseerd op artikel 26.1 van de Verordening ruimte en deze laatste bepaling onverbindend is omdat deze bepaling in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is voorbereid. Hij stelt hiertoe dat provinciale staten ten onrechte geen onderzoek hebben verricht naar de uitvoerbaarheid van de regeling op bedrijfsniveau. Hij stelt in dit verband dat de stalderingsregeling tot gevolg heeft dat niet kan worden uitgebreid omdat slechts een beperkt aantal vierkante meters bebouwing voor staldering beschikbaar is dan wel dat deze slechts tegen woekerprijzen kunnen worden aangekocht. Daarbij is van belang dat dierenverblijven die niet vergund en daadwerkelijk in gebruik zijn niet in aanmerking komen voor staldering. Bovendien is met de regeling geen ruimtelijk belang gediend, nu stallen die leegstonden niet voor de staldering meetellen, terwijl een afname van leegstaande gebouwen net zo goed leidt tot afname van verstening.9.1.    In de toelichting op artikel 26.1 van de Verordening ruimte is aangegeven dat stalderen is vereist bij het oprichten van nieuwe dierenverblijven. Blijkens de toelichting zijn er twee belangrijke overwegingen om tot staldering over te gaan. Dit zijn:"- Tegengaan van verdere regionale concentratie: De veehouderij, het sterkst de varkenshouderij, heeft zich de afgelopen jaren geconcentreerd in delen van Oost- en Midden-Brabant. Hierdoor is, ondanks de afgenomen emissies en overlast per dier, de druk op mens en natuur in deze delen van Brabant onvoldoende afgenomen. Om een verdere concentratie van de veehouderij tegen te gaan, is het nodig om op regionale schaal de omvang van de veestapel te begrenzen, zodat de inspanningen om te komen tot de gewenste transitie naar zorgvuldige veehouderij effectiever zijn. Het is in het belang van de veehouderij en van andere economische sectoren dat de impact op de omgeving van de veehouderij snel en effectief verlaagd wordt. Dan kan de maatschappelijke waardering terugkeren en ontstaat er fysieke en sociale ruimte voor ontwikkeling van bedrijven. Om dit proces te versnellen, is het wenselijk om meer dierenverblijven op te heffen dan er bij komen. Hiervoor stellen wij nu in de regels een percentage voor van 10 %. Dit versnelt het proces.- Tegengaan van leegstand: Uit het onderzoek "Leegstand agrarisch vastgoed Noord-Brabant" (Alterra, maart 2016) blijkt dat de problematiek van leegstand zich de komende jaren vooral manifesteert in het oosten en zuiden van Brabant waar veel veehouderijen aanwezig zijn. Kansen en mogelijkheden voor hergebruik zijn daarbij beperkt. Het voorkomen en opheffen van leegstand is daarom belangrijk. Zowel uit oogpunt van landschappelijke kwaliteit als vanuit veiligheid (criminaliteit). Net als in andere economische sectoren is de sector daarvoor in eerste instantie zelf verantwoordelijk. Gelet op de omvang van de opgave, vinden wij het echter gewenst om het tegengaan van leegstand te ondersteunen. Vanuit zorgvuldig ruimtegebruik is het niet wenselijk om de bouw van nieuw agrarisch vastgoed onverminderd door te laten gaan. Aan de andere kant is agrarisch hergebruik van de vrijkomende opstallen vaak niet wenselijk omdat het oudere stalsystemen betreft of omdat de opstallen op minder gunstige locaties liggen. Daarom omhelst het voorstel dat niet meer functioneel vastgoed wordt gesaneerd. Met stalderen leggen wij in eerste instantie een koppeling tussen het oprichten van dierverblijven op de ene plek en de sloop op een andere plek. Dit vermindert toekomstige leegstand omdat het daarbij om dierverblijven gaat die nu nog in gebruik zijn."Uit het voorgaande volgt dat, anders dan [appellant sub 2A] veronderstelt, het terugdringen van verstening niet het primaire doel is van de stalderingsregeling. Reeds daarom volgt de Afdeling [appellant sub 2A] niet in zijn betoog dat er geen ruimtelijk belang is omdat stallen die leegstonden niet voor de staldering meetellen. Evenmin valt in te zien dat onvoldoende inzicht bestaat in de uitvoerbaarheid van de stalderingsregeling op bedrijfsniveau en dat daarnaar daardoor verder onderzoek had moeten worden verricht. Hierbij is van belang dat de Afdeling in haar uitspraak van 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3609, naar aanleiding van een betoog dat artikel 26.1 van de Verordening ruimte onevenredig bezwarend is, heeft gewezen op het standpunt van het college van gedeputeerde staten dat gelet op het onderzoek "Leegstand agrarisch vastgoed Noord-Brabant" van Alterra van maart 2016 de verwachting is gerechtvaardigd dat in ieder geval vanaf 2020, wanneer de tijdelijke regeling in het Besluit Huisvesting Veehouderij eindigt, voldoende stalderingsmeters beschikbaar zullen zijn. [appellant sub 2A] heeft geen gegevens aangedragen die aanleiding geven voor een ander oordeel. Dat de stalderingsregeling een vergaande financiële wissel trekt op een door hem beoogde ontwikkeling heeft [appellant sub 2A] evenmin onderbouwd.Het betoog slaagt niet.Voorwaarden voor toename van de oppervlakte van dierenverblijven- Algemeen10.    Voor zover [appellant sub 2A] zich niet kan verenigen met artikel 3, lid 3.4.2, onder c tot en met e, en onder g, van de planregels, overweegt de Afdeling dat met deze bepalingen toepassing is gegeven aan de in artikelen 6.3 en 7.3 van de Verordening ruimte opgenomen voorwaarden voor de uitbreiding van, de vestiging van of de omschakeling naar een veehouderij. Het betoog is, gezien het door [appellant sub 2A] gestelde, gericht tegen de verbindendheid van  van die artikelen uit de Verordening ruimte.Bij de een bestemmingsplan is de raad gebonden aan de regels die zijn neergelegd in de Verordening ruimte. In de artikelen 6.3, en 7.3 van de Verordening ruimte zijn voor gronden die zijn aangeduid als "groenblauwe mantel" onderscheidenlijk "gemengd landelijk gebied" voorwaarden opgenomen die in artikel 3, lid 3.4.2, onder c tot en met e, en onder g naar het bestemmingsplan overgezet zijn. De Afdeling stelt vast dat, voor zover hier van belang, de gronden in het plangebied blijkens de bij de Verordening ruimte opgenomen kaart zijn aangeduid als "groenblauwe mantel" onderscheidenlijk "gemengd landelijk gebied". Gelet hierop kon de raad niet anders dan het opnemen van de onder c, onder d en onder e genoemde voorwaarden in het plan. Dit is anders indien de in de artikelen 6.3 en 7.3 van de Verordening ruimte neergelegde regels, exceptief toetsend, wegens strijd met een hogere regeling of algemeen rechtsbeginsel buiten toepassing dient te worden gelaten.De Afdeling zal de stellingen over artikel 3, lid 3.4.2, onder c tot en met e, en onder g, van de planregels, hierna afzonderlijk in dit licht beoordelen.- Goede leefomgeving en volksgezondheid11.    [appellant sub 2A] betoogt dat de in artikel 3, lid 3.4.2, onder c, van de planregels opgenomen voorwaarde inhoudende dat de toename van de oppervlakte van dierenverblijven onder meer vanuit een goede leefomgeving en gelet op de effecten vanwege volksgezondheid inpasbaar dient te zijn in de omgeving rechtsonzeker is omdat de begrippen "goede leefomgeving" en "volksgezondheid" vaag zijn. Hij voert hiertoe aan dat er geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de gezondheidsrisico’s van veehouderijen zijn.11.1.    Wat betreft de onder c opgenomen voorwaarde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat onduidelijk is wat met een goede leefomgeving onderscheidenlijk de volksgezondheid wordt bedoeld en dat het plan om die reden in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld. In deze bepaling staat dat de aspecten goede leefomgeving en volksgezondheid een rol moeten spelen bij de te maken ruimtelijke afweging. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3435, is het effect dat nabijgelegen veehouderijen op de volksgezondheid kunnen hebben een af te wegen belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan als hier aan de orde. De raad dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te onderzoeken of een plan niet zodanige risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat er sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. In verband daarmee kan de raad ook voor de toepassing van een afwijkingsbepaling daarmee verband houdende voorwaarden stellen waaraan moet worden getoetst, zoals de voorwaarde dat de toename van de oppervlakte van dierenverblijven vanuit een goede leefomgeving en onder meer gelet op de effecten vanwege volksgezondheid inpasbaar dient te zijn in de omgeving. Dat deze voorwaarde ten aanzien van de begrippen goede leefomgeving en volksgezondheid nadere invulling vergt, betekent niet dat de voorwaarde daarom onvoldoende duidelijk is. De door [appellant sub 2A] genoemde omstandigheid dat er geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de gezondheidsrisico’s van veehouderijen bestaan, maakt dit, wat van de juistheid van die stelling ook zij, niet anders.Het betoog slaagt niet.- Achtergrondbelasting van geur12.    De in artikel 3, lid 3.4.2, onder d, van de planregels opgenomen voorwaarde is volgens [appellant sub 2A] eveneens in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Hij voert hiertoe aan dat de omvang van het bebouwingsoppervlak van dierenverblijven ten onrechte afhankelijk wordt gesteld van de achtergrondbelasting van geur. Dit aspect is volgens [appellant sub 2A] niet ruimtelijk relevant en wordt gereguleerd door de Wet geurhinder veehouderijen (hierna: de Wgv). Bovendien leidt deze voorwaarde tot rechtsongelijkheid omdat deze ertoe leidt dat de agrariër die de meest geavanceerde technieken heeft toegepast om geurbelasting te verminderen geen uitbreidingsmogelijkheden wordt geboden, terwijl de agrariër met minder moderne stallen nog wel mogelijkheden heeft, aldus [appellant sub 2A].12.1.    Wat betreft de in artikel 3, lid 3.4.2, onder d, van de planregels opgenomen voorwaarde overweegt de Afdeling dat zij in haar uitspraak van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1969, het opnemen van normen voor de achtergrondbelasting in een bestemmingsplan in beginsel ruimtelijk relevant en aanvaardbaar heeft geacht. Daartoe heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) uitsluitend betrekking heeft op de voorgrondbelasting, die bestaat uit de geurbelasting die een individuele veehouderij op een geurgevoelig object veroorzaakt. Voor de cumulatieve geurbelasting van het totale aantal veehouderijen in een gebied, de achtergrondbelasting, wordt in de Wgv, noch in andere wetgeving een kader geboden. De beoordeling en normering van de cumulatieve geurbelasting moeten dus in beginsel plaatsvinden in het ruimtelijke spoor, waaronder in een bestemmingsplan. In het kader van een bestemmingsplan kan, ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de betreffende gemeente, een bredere toets dan uitsluitend de geurbelasting van een individuele veehouderij worden uitgevoerd of in een afwijkingsbevoegdheid worden voorgeschreven. In tegenstelling tot wat [appellant sub 2A] stelt, is de achtergrondbelasting van geur dus wel ruimtelijk relevant. Verder heeft de raad erop gewezen dat hij met artikel 3, lid 3.4.2, onder d, van de planregels heeft voldaan aan de in de Verordening ruimte vastgestelde regels. In dat verband hebben provinciale staten ter zitting het standpunt ingenomen dat het niet zo is dat veehouderijen die de meest geavanceerde technieken hebben toegepast om de geurbelasting te verminderen, anders dan veehouderijen die dat niet hebben gedaan, geen uitbreidingsmogelijkheden meer hebben. Als een veehouderij reeds maatregelen heeft genomen die tot een daling van de achtergrondbelasting hebben geleid en die de eigen bijdrage ook hebben gecompenseerd, staat deze voorwaarde niet in de weg aan uitbreiding, zo is door provinciale staten toegelicht. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk.Het betoog slaagt niet.- Fijn stof13.    [appellant sub 2A] betoogt voorts dat de in artikel 3, lid 3.4.2, onder e, van de planregels opgenomen voorwaarde, inhoudende dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, maximaal een bepaalde jaargemiddelde fijn stofconcentratie op gevoelige objecten veroorzaakt niet ruimtelijk relevant is. Dit aspect wordt volgens [appellant sub 2A] gereguleerd in het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit). Daarnaast is volgens [appellant sub 2A] niet duidelijk of uit deze bepaling volgt dat een dierenverblijf nooit kan worden uitgebreid als de achtergrondbelasting méér bedraagt dan 31,2 μg/m³. [appellant sub 2A] wijst erop dat een dergelijke interpretatie onlogisch zou zijn omdat dat veehouderijen met de meest geavanceerde technieken zou benadelen. In gevallen waarin een ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een afname van de achtergrondconcentratie, maar de achtergrondconcentratie boven de 31,2 μg/m³ blijft, zou immers nooit kunnen worden uitgebreid.13.1.    In artikel 3, lid 3.4.2, onder e, van de planregels is een norm voor de achtergrondconcentratie fijn stof PM10 opgenomen. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452, heeft overwogen, is de norm voor de achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) in de artikelen 6.3, eerste lid en onder e, 6.3, tweede lid, sub a onder IV, 7.3, eerste lid en onder e, en 7.3, tweede lid, sub a onder IV, van de Verordening ruimte vastgesteld in strijd met de Wet milieubeheer en daarom onverbindend. Dit betekent dat ervan uitgegaan moet worden dat geen norm voor de achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) heeft gegolden, dat de raad dus niet verplicht was om deze norm in het plan op te nemen en dat voor de raad gelet op de Wet milieubeheer tevens geen bevoegdheid bestond om deze norm in het plan op te nemen.Het betoog slaagt.- Verbindendheid Verordening ruimte14.    [appellant sub 2A] acht de bepalingen van de Verordening ruimte, waaraan met artikel 3, lid 3.4.2, van de planregels en meer in het bijzonder met artikel 3, lid 3.4.2, onder g, van de planregels toepassing is gegeven, in strijd met een goede ruimtelijke ordening en verder in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, en dat deze bepalingen in strijd met de vereiste zorgvuldigheid zijn voorbereid en dat daaraan een onvoldoende deugdelijke motivering ten grondslag ligt.[appellant sub 2A] heeft zijn betoog voorts op geen enkele wijze onderbouwd. Mede gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de Afdeling geen aanleiding hem hierin te volgen.Het betoog slaagt niet.Het beroep van ZLTOIngetrokken beroepsgrond15.    Ter zitting heeft ZLTO haar beroepsgronden, behalve voor zover deze betrekking hebben op de in het plan opgenomen (stalderings)regeling voor nertsenhouders, ingetrokken.Nertsenhouderijen16.    ZLTO betoogt dat nertsenhouderijen onevenredig hard worden geraakt door de in het plan opgenomen stalderingsregeling. Deze stalderingsregeling is in het plan naar analogie met artikel 26.1, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.39, van de Verordening ruimte opgenomen. Nu de stallen van nertsenhouderijen zijn uitgesloten van de stalderingsregeling, is het volgens ZLTO nagenoeg onmogelijk geworden om naar een ander type veehouderij om te schakelen. Het bestaande oppervlak aan dierenverblijven kan immers niet worden ingezet bij de omschakeling naar een andere vorm van veehouderij. Anders dan waarvan is uitgegaan tijdens het bepalen van een schadevergoedingsregeling voor stoppende nertsenhouderijen, zijn de mogelijkheden voor alternatieven op locaties waar thans nog nertsenhouderijen zijn gevestigd fors ingeperkt. Nu artikel 26.1 van de Verordening ruimte hier toch verplicht tot het opnemen van deze regeling, is deze volgens ZLTO onverbindend en had de raad de hiervan afgeleide planbepalingen nooit zo mogen vaststellen.16.1.    In artikel 26.1 van de Verordening ruimte is vastgelegd dat de daar opgenomen stalderingsregeling alleen geldt voor hokdierhouderijen.Ingevolge artikel 1, lid 1.39, van de Verordening ruimte wordt onder hokdierhouderij verstaan: een veehouderij, met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij.16.2.    De Afdeling stelt voorop dat de omstandigheid dat nertsenhouderijen niet zijn opgenomen in de stalderingsregeling niet betekent dat nertsenhouderijen in zijn geheel niet meer kunnen omschakelen naar een andere vorm van veehouderij. Dit brengt wel mee dat nertsenhouderijen, wanneer zij willen omschakelen naar een hokdierhouderij, alle stalderingsmeters zullen moeten aankopen. Daarmee verschilt, zoals provinciale staten ook hebben betoogd, de positie van nertsenhouderijen ook niet van de positie van starters of van andere veehouderijen die geen hokdierhouderij zijn en die willen omschakelen naar een hokdierhouderij en die ook stalderingsmeters moeten aankopen.Verder overweegt de Afdeling dat in de toelichting op artikel 26.1 van de Verordening ruimte is weergegeven welke te dienen doelen worden nagestreefd met de stalderingsregeling zoals deze is vormgegeven in artikel 26.1 en artikel 1, lid 1.39, van de Verordening ruimte. In die toelichting wordt aangegeven dat een belangrijke reden om tot staldering over te gaan is gelegen in het tegengaan van verdere regionale concentratie van de veehouderij. Nertsenhouderijen zijn uitgesloten van de stalderingsregeling, zo wordt verder in de toelichting gesteld en is ter zitting door provinciale staten bevestigd, omdat voor nertsenhouderijen al landelijke maatregelen gelden die de omvang van het aantal nertsen sturen. Ter zitting hebben provinciale staten hieraan toegevoegd dat de wijze waarop nertsen worden gehouden - in zogenoemde sheds - wezenlijk verschilt van de stalruimte waarvan in de hokdierhouderij sprake is.Gegeven het doel waarvoor de stalderingsregeling is opgesteld, het door provinciale staten geschetste verschil tussen nertsen met andere intensieve veehouderijen en de omstandigheid dat niet alleen nertsenhouderijen zijn uitgesloten van het inzetten van bedrijfsruimte voor omschakeling of uitbreiding, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat nertsenhouders dermate onevenredig worden getroffen door de omstandigheid dat zij zijn uitgesloten van de stalderingsregeling dat de provincie bij de afweging van de bij het besluit betrokken belangen een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen aan de belangen van nertsenhouders om bij de omschakeling naar een hokdierhouderij eigen stalderingsmeters te kunnen inzetten. De omstandigheid dat nertsenhouderijen op grond van nationale regelgeving in de toekomst een einde moeten maken aan die activiteiten maakt dit niet anders. In dit verband hebben provinciale staten gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat daarvoor ook op nationaal niveau een regeling is getroffen. Daargelaten de juistheid van de stelling van ZLTO dat bij die nationale regelgeving rekening is gehouden met omschakelmogelijkheden, kwam aan provinciale staten de bevoegdheid toe op provinciaal niveau hier een eigen afweging te maken.Gelet hierop leidt het betoog van ZLTO er niet toe dat artikel 26.1 en artikel 1, lid 1.39, van de Verordening ruimte onverbindend moet worden geacht. De raad heeft de daarop gebaseerde planregels derhalve terecht vastgesteld.Het betoog slaagt niet.Conclusie en opdracht17.    De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] zijn gegrond. Het besluit van 19 december 2017 dient te worden vernietigd voor zover in bijlage 10 van de planregels de locatie [locatie 2] is opgenomen en voor zover het artikel 3, lid 3.4.2, onder e, van de planregels betreft.Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.Het beroep van ZLTO is ongegrond.De Afdeling merkt nog op dat met deze uitspraak nog geen definitieve uitspraak is gedaan betreffende het gehele besluit van 19 december 2017, omdat tegen andere onderdelen van dat besluit nog beroep aanhangig is.Proceskosten18.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 1] en van [appellant sub 2A] te worden veroordeeld.Ten aanzien van ZLTO bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] gegrond;II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Deurne van 19 december 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied", voor zover daarbij in bijlage 10 bij de planregels de omschrijving "HZ-2016-1108 Het realiseren van een loods en het ander gebruik van gronden [locatie 2] te Liessel" is opgenomen en voor zover het artikel 3, lid 3.4.2, onder e, van de planregels betreft;III.    verklaart het beroep van de Afdeling Deurne van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie ongegrond;IV.    draagt de raad van de gemeente Deurne op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II., wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;V.    veroordeelt de raad van de gemeente Deurne tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en bij [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1102,81, waarvan € 1050,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;VI.    gelast dat de raad van de gemeente Deurne aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 vergoedt en aan [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 333,00 vergoedt.Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, griffier.De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 202045-880. BIJLAGE Algemene wet bestuursrechtArtikel 3:2Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.Wet ruimtelijke ordeningArtikel 4.11. Indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, van omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, omtrent de daarbij behorende toelichting of onderbouwing, alsmede omtrent de inhoud van beheersverordeningen. Daarbij kan worden bepaald dat een regel slechts geldt voor een daarbij aangegeven gedeelte van het grondgebied van de provincie. De kennisgeving van een besluit tot vaststelling van de verordening geschiedt tevens langs elektronische weg.2. Tenzij bij de verordening een andere termijn wordt gesteld, stelt de gemeenteraad binnen een jaar na inwerkingtreding van de verordening een bestemmingsplan of een beheersverordening vast met inachtneming van de verordening.3. Bij of krachtens een verordening als bedoeld in het eerste lid kunnen regels worden gesteld die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in het tweede lid in werking is getreden. Bij de verordening kunnen regels worden gesteld met inachtneming waarvan bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij die verordening aan te geven krachtens dit lid gestelde regels.4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud, vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van de provinciale verordening.5. Provinciale staten kunnen verklaren dat een verordening wordt voorbereid. Artikel 3.7, tweede, derde, vierde, zevende en achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing. In de verklaring kunnen provinciale staten bepalen dat gedeputeerde staten beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b of g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het besluit vervalt bij de inwerkingtreding van de verordening doch uiterlijk na zes maanden.6. Een provinciale verordening als bedoeld in dit artikel wordt niet vastgesteld dan nadat het ontwerp in de Staatscourant, langs elektronische weg en op de in de provincie gebruikelijke wijze is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen een bij die bekendmaking te stellen termijn van ten minste vier weken schriftelijk of langs elektronische weg opmerkingen over het ontwerp ter kennis van provinciale staten te brengen.Verordening ruimteArtikel 1 Begripsbepalingen[…]1.28 dierenverblijfGebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daartoe behorende voorzieningen.1.39 hokdierhouderijveehouderij met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij.[…]Artikel 6 Groenblauwe mantel6.3 Veehouderijen1. Een bestemmingsplan gelegen in de groenblauwe mantel kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, mits:a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan;b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;c. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving;d. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting niet hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;e. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m³;f. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;g. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.2. Een bestemmingsplan gelegen in de groenblauwe mantel bepaalt voor een veehouderij dat:a. een toename van de oppervlakte van dierenverblijven alleen is toegestaan indien:I. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij:II. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, onder b en c, inpasbaar is in de omgeving;III. Is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;IV. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m³;V. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.b. binnen gebouwen dieren - al dan niet in hokken - alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;c. bij een gebruikswijziging van bestaande gebouwen, gericht op het in gebruik nemen van deze gebouwen als dierenverblijf, wordt voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen onder a;d. mestbewerking alleen is toegestaan ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest.3. Gedeputeerde Staten stellen nadere regels over de inzet van maatregelen die bijdragen aan de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij als bedoeld in het tweede lid, sub a, onder l;4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid onder d kan een bestemmingsplan voorzien in mestvergisting voor samenwerkende melkrundveehouderijen tot ten hoogste 25.000 ton per jaar mits:a. de locatie goed is ontsloten;b. de op-, overslag en verwerking van producten niet in de openlucht plaatsvindt;c. in het geval dat de mest na vergisting ter plaatse verder wordt bewerkt ten minste 50% van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water;d. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving.5. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid kan binnen het bouwperceel voorzien in een niet-agrarische functie overeenkomst artikel 6.10 tot en met artikel 6.13.[…]Artikel 7 Gemengd landelijk gebied7.3 Veehouderijen1. Een bestemmingsplan gelegen in gemengd landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, mits:a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan;b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;c. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving;d. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting niet hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;e. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m³;f. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;g. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.2. Een bestemmingsplan gelegen in gemengd landelijk gebied bepaalt voor een veehouderij dat:a. een toename van de oppervlakte van dierenverblijven alleen is toegestaan indien:I. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan ene zorgvuldige veehouderij:II. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, onder b en c, inpasbaar is in de omgeving;III. Is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;IV. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m³;V. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.b. binnen gebouwen dieren - al dan niet in hokken - alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;c. bij een gebruikswijziging van bestaande gebouwen, gericht op het in gebruik nemen van deze gebouwen als dierenverblijf, wordt voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen onder a;d. mestbewerking alleen is toegestaan ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest.3. Gedeputeerde Staten stellen nadere regels over de inzet van maatregelen die bijdragen aan de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij als bedoeld in het tweede lid, sub a, onder l;4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid onder d kan een bestemmingsplan voorzien in mestvergisting voor samenwerkende melkrundveehouderijen tot ten hoogste 25.000 ton per jaar mits:a. de locatie goed is ontsloten;b. de op-, overslag en verwerking van producten niet in de openlucht plaatsvindt;c. in het geval dat de mest na vergisting ter plaatse verder wordt bewerkt ten minste 50% van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water;d. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving.5. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid kan binnen het bouwperceel voorzien in een niet-agrarische functie overeenkomst artikel 7.10 tot en met artikel 7.15.[…]Artikel 26 Stalderingsgebied26.1 Stalderingsgebied1. In aanvulling op artikel 6.3, eerste lid, en artikel 7.3, eerste lid, (veehouderij) bepaalt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding "Stalderingsgebied" dat de vestiging van of de omschakeling naar een hokdierhouderij alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of door herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;b. de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die met de vestiging of omschakeling in gebruik wordt genomen;c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met de vestiging of omschakeling naar hokdierhouderij en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.2. In aanvulling op artikel 6.3, tweede lid, onder a en artikel 7.3, tweede lid, onder a (veehouderij) bepaalt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding "Stalderingsgebied" dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen het bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf, alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hok dierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;b. de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.3. Het bewijs dat aan de voorwaarden van het eerste en tweede lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten.4. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt onder een bestaand dierenverblijf in het eerste en tweede lid verstaan een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf dat op grond van een omgevingsvergunning milieu, ex artikel 2.1, eerste lid onder e Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, ex artikel 2, eerste lid, onder i Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, ex artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer, op 17 maart 2017 en de daaraan voorafgaande drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig is gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren.PlanregelsArtikel 1 Begrippen[…]45 dierenverblijfgebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daartoe behorende voorzieningen.[…]53 hokdierhouderijveehouderij met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij.[…]Artikel 3 Agrarisch[…]3.2 Bouwregels[…]3.2.2 Bebouwing binnen het bouwvlakTer plaatse van de aanduiding "bouwvlak" mogen worden gebouwd:a. agrarische bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat:1. de gezamenlijke oppervlakte van dierenverblijven voor veehouderijen niet meer mag bedragen dan de gezamenlijke oppervlakte van de dierenverblijven:- die op het tijdstip van vaststelling van dit bestemmingsplan legaal aanwezig zijn of legaal in uitvoering zijn;- die gebouwd mogen worden krachtens een voor het tijdstip van vaststelling van dit bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning.2. Ter plaatse van de aanduiding "overige zone - beperkingen veehouderij" de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen ten behoeve van veehouderijen, met uitzondering van de bedrijfswoning(en), niet meer mag bedragen dan de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen:- die op het tijdstip van vaststelling van dit bestemmingsplan legaal aanwezig zijn of legaal in uitvoering zijn;- die gebouwd mogen worden krachtens een voor het tijdstip van vaststelling van dit bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning.b. Het bepaalde onder a2 is niet van toepassing indien sprake is van een veehouderij die wordt aangemerkt als grondgebonden veehouderij op grond van criteria die zijn opgenomen in de nadere regels die hieromtrent op basis van de Verordening ruimte door Gedeputeerde Staten zijn gesteld, zoals die regels gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.[…].3.4 Afwijken van de bouwregels[…]3.4.2 Afwijken bouw dierenverblijvenHet bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder a voor het bouwen of vergroten van een dierenverblijf voor veehouderijen waarbij de gezamenlijke oppervlakte van dierenverblijven toeneemt, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:[…]c. De toename van de oppervlakte van dierenverblijven dient vanuit een goede leefomgeving en gelet op de omvang van de bebouwing, de effecten vanwege milieuaspecten, de effecten vanwege volksgezondheid en de afwikkeling van het verkeer inpasbaar te zijn in de omgeving.d. Er is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert.e. Er is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijn stofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m³.f. Er is een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief.g. Een toename van de gezamenlijke oppervlakte van dierenverblijven voor een hokdierhouderij is uitsluitend toegestaan indien:1. Binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming, waarbij geldt dat:- de bestaande dierenverblijven die zijn gesaneerd dienen te voldoen aan de criteria die in de provinciale Verordening ruimte zijn gesteld aan "bestaande dierenverblijven", zoals die criteria gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag;- het gebruik van de bestaande dierenverblijven als dierenverblijf juridisch en feitelijk dient te zijn beëindigd;2. De oppervlakte van de sanering als bedoeld onder 1 tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte aan dierenverblijf die wordt opgericht;3. De sanering als bedoeld onder 1 plaatsvindt in directe samenhang met de bouw of vergroting van een dierenverblijf en voor sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling;4. Door of namens Gedeputeerde Staten is getoetst of aan de voorwaarden onder 1 tot en met 3 is voldaan en het door of namens Gedeputeerde Staten afgegeven bewijs dat aan de voorwaarden is voldaan wordt overgelegd.[…]Artikel 4 Agrarisch met waarden[…]4.2 Bouwregels[…]4.2.2 Bebouwing binnen het bouwvlakTer plaatse van de aanduiding "bouwvlak" mogen worden gebouwd:a. agrarische bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat:1. de gezamenlijke oppervlakte van dierenverblijven voor veehouderijen niet meer mag bedragen dan de gezamenlijke oppervlakte van de dierenverblijven:- die op het tijdstip van vaststelling van dit bestemmingsplan legaal aanwezig zijn of legaal in uitvoering zijn;- die gebouwd mogen worden krachtens een voor het tijdstip van vaststelling van dit bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning.2. Ter plaatse van de aanduiding "overige zone - beperkingen veehouderij" de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen ten behoeve van veehouderijen, met uitzondering van de bedrijfswoning(en), niet meer mag bedragen dan de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen:- die op het tijdstip van vaststelling van dit bestemmingsplan legaal aanwezig zijn of legaal in uitvoering zijn;- die gebouwd mogen worden krachtens een voor het tijdstip van vaststelling van dit bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning.b. Het bepaalde onder a2 is niet van toepassing indien sprake is van een veehouderij die wordt aangemerkt als grondgebonden veehouderij op grond van criteria die zijn opgenomen in de nadere regels die hieromtrent op basis van de Verordening ruimte door Gedeputeerde Staten zijn gesteld, zoals die regels gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.[…].[…]4.4.2 Afwijken bouw dierenverblijvenHet bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.2 onder a voor het bouwen of vergroten van een dierenverblijf voor veehouderijen waarbij de gezamenlijke oppervlakte van dierenverblijven toeneemt, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:[…]c. De toename van de oppervlakte van dierenverblijven dient vanuit een goede leefomgeving en gelet op de omvang van de bebouwing, de effecten vanwege milieuaspecten, de effecten vanwege volksgezondheid en de afwikkeling van het verkeer inpasbaar te zijn in de omgeving.d. Er is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert.e. Er is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijn stofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m3.f. Er is een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief.g. Een toename van de gezamenlijke oppervlakte van dierenverblijven voor een hokdierhouderij is uitsluitend toegestaan indien:1. Binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming, waarbij geldt dat:- de bestaande dierenverblijven die zijn gesaneerd dienen te voldoen aan de criteria die in de provinciale Verordening ruimte zijn gesteld aan "bestaande dierenverblijven", zoals die criteria gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag;- het gebruik van de bestaande dierenverblijven als dierenverblijf juridisch en feitelijk dient te zijn beëindigd;2. De oppervlakte van de sanering als bedoeld onder 1 tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte aan dierenverblijf die wordt opgericht;3. De sanering als bedoeld onder 1 plaatsvindt in directe samenhang met de bouw of vergroting van een dierenverblijf en voor sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling;4. Door of namens Gedeputeerde Staten is getoetst of aan de voorwaarden onder 1 tot en met 3 is voldaan en het door of namens Gedeputeerde Staten afgegeven bewijs dat aan de voorwaarden is voldaan wordt overgelegd.[…]