Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:875

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 25-03-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 25-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:875, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201900173/1/R4


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:875:DOC

201900173/1/R4.Datum uitspraak:25 maart 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant] h.o.d.n. "[bedrijf]", wonend te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren,tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 november 2018 in zaak nr. 17/5334 in het geding tussen:[appellant]enhet college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren.ProcesverloopBij besluit van 28 maart 2017 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om de in het besluit vermelde bouwwerken en materialen op het perceel [locatie] in Kortenhoef te verwijderen en verwijderd te houden en om de in het besluit vermelde gronden waarop zonder omgevingsvergunning gevelde en/of gerooide bomen dan wel hout- en rietgewas aanwezig waren te herstellen in de situatie waarin deze gronden zich bevonden voor het uitvoeren van die werkzaamheden.Bij besluit van 14 november 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 14 november 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 november 2017 vernietigd voor zover het betreft de opgelegde lasten met betrekking tot de opslagcontainer voor gevaarlijke stoffen, 'alle materialen', stelconplaten, autowrakken, 'alle opgeslagen goederen' en herstel van de gronden, en het college opgedragen om binnen acht weken na het gezag van gewijsde krijgen van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.[appellant] heeft nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nr. 201902933/1/R4, ter zitting behandeld op 13 februari 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.L.M. Frantzen, advocaat te Amstelveen, en het college, vertegenwoordigd door K.G. Vrielink en A.E.J. Debie, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.OverwegingenInleiding1.    [appellant] is eigenaar van Jachthaven "[bedrijf]" in Kortenhoef. In mei 2004 hebben [appellant] en de gemeente Wijdemeren een convenant gesloten over de uitbreiding van de jachthaven. Over dit convenant heeft een arbitragecommissie vonnis gewezen op 6 februari 2008. In het tussen partijen bindende vonnis heeft de arbitragecommissie de verzoeken van de gemeente Wijdemeren om te bepalen dat de artikelen 8 en 9 van het convenant nietig, dan wel vernietigbaar of niet van toepassing zijn afgewezen.    Naar aanleiding van een door omwonenden op 7 september 2015 ingediend handhavingsverzoek hebben toezichthouders van de gemeente op 5 november 2015 een controle op het perceel uitgevoerd. Tijdens die controle hebben zij geconstateerd dat op het perceel objecten en materialen aanwezig zijn, waarvan de bestemming onduidelijk is. Bij besluit van 29 januari 2016 heeft het college het verzoek grotendeels afgewezen. Wat betreft een deel van de aangetroffen objecten heeft het college [appellant] bij brief van 8 februari 2016 op de hoogte gebracht van het voornemen om hiertegen handhavend op te treden. Dat voornemen had betrekking op het verwijderen van de autowrakken, de stelconplaten, en opgeslagen (bouw)materialen, anders dan boten in het water, aan de noord en noordwestzijde van de jachthaven waar ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Het Wijde Blik 2004" de bestemming "Natuurgebied" geldt. [appellant] heeft bij brief van 23 februari 2016 aan het college te kennen gegeven een mondelinge zienswijze naar voren te willen brengen. Bij besluit van 12 juli 2016 heeft het college besloten op het bezwaar van omwonenden tegen het besluit van 29 januari 2016. Het college heeft dat bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 29 januari 2016 herroepen en is een aanvullend onderzoek gestart, dat heeft geleid tot de bij besluit van 28 maart 2017 opgelegde lasten onder dwangsom.2.    De in bezwaar gehandhaafde lasten hebben betrekking op de verwijdering en het verwijderd houden van:1. het bouwwerk bekend als 'kantine' dat is geplaatst op gronden met de bestemming "Natuurgebied";2. de zonder (omgevings)vergunning op gronden met de bestemming "Jachthaven" geplaatste opslagcontainer voor gevaarlijke stoffen;3. alle materialen, lichtmasten, stelconplaten, autowrakken, boten en andere vaartuigen die zijn opgeslagen dan wel afgemeerd binnen de bestemmingen "Natuurgebied" en/of "Water met natuur en landschapswaarde" met uitzondering van de aan de zijde van de plas gelegen woonboot die is ingepast in het bestemmingsplan;4. alle opgeslagen goederen op gronden met de bestemming "Jachthaven" die niet ten dienste staan van die bestemming.De last houdt tevens in:5. de gronden waarop de zonder omgevingsvergunning gevelde en/of gerooide bomen dan wel hout- en rietgewas in de bestemming "Natuurgebied" en/of "Water met natuur en landschapswaarde" aanwezig waren, te herstellen in de situatie waarin deze gronden zich bevonden voor het uitvoeren van die werkzaamheden.    Indien niet aan de last wordt voldaan, verbeurt [appellant] een dwangsom ineens van: € 5.000,00 bij last 1, € 5.000,00 bij last 2, € 10.000,00 bij last 3, € 5.000,00 bij last 4 en € 10.000,00 bij last 5.3.    De rechtbank heeft het besluit op bezwaar, voor zover het betreft de opgelegde lasten met betrekking tot de opslagcontainer voor gevaarlijke stoffen (last 2), 'alle materialen' (last 3), stelconplaten (last 3), autowrakken (last 3), 'alle opgeslagen goederen' (last 4) en herstel van de gronden (last 5), vernietigd. [appellant] wenst een verdergaande vernietiging van het besluit op bezwaar.Afwijzing verzoek gevoegde behandeling4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn verzoek om deze zaak gevoegd te behandelen met twee andere tussen partijen op dat moment bij de rechtbank lopende beroepszaken met zaaknummers UTR 18/2302 en UTR 18/2506 ten onrechte heeft afgewezen. [appellant] vindt het gelet op de connexiteit tussen deze drie lopende procedures en de mogelijke verstrekkende gevolgen van de twee andere beroepszaken voor de onderhavige handhavingszaak onbegrijpelijk dat de rechtbank dit verzoek heeft afgewezen. Volgens [appellant] is dit besluit van de rechtbank in strijd met een doelmatige, behoorlijke en zorgvuldige rechtsbedeling en met de goede procesorde, waardoor [appellant] mogelijkerwijs ernstig in zijn belangen is geschaad.4.1.    Dit betoog slaagt niet. De rechtbank is bevoegd om met toepassing van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) zaken over hetzelfde of een verwant onderwerp ter behandeling te voegen. De rechtbank is daartoe evenwel niet gehouden. Het gaat hier om een procesrechtelijke beslissing die in beginsel de verantwoordelijkheid van de eerste rechter is. Behoudens uitzonderingssituaties kunnen hiertegen gerichte gronden niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Een dergelijke uitzonderingssituatie doet zich hier niet voor.Dossierstukken5.    [appellant] betoogt verder dat de handelwijze van de rechtbank om de procesdossiers van de twee andere beroepszaken eerst als nadere stukken te accepteren en vervolgens achteraf hieraan volledig voorbij te gaan in strijd is met een goede procesorde en het beginsel van fair play.5.1.    [appellant] heeft bij brief van 8 augustus 2018 aan de rechtbank medegedeeld dat, in het geval de rechtbank het verzoek om voeging afwijst, al hetgeen [appellant] in de twee andere beroepszaken naar voren heeft gebracht integraal als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd als nadere stukken, waarop [appellant] zich ter zitting van de rechtbank zal beroepen.    De rechtbank heeft overwogen dat, voor zover [appellant] voor zijn stellingen en stukken in slechts algemene bewoordingen en zonder aanduiding van concrete vindplaatsen verwijst naar de dossiers in andere bij de rechtbank aanhangige procedures, zij daaraan voorbij gaat. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de rechtbank dit niet heeft kunnen doen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het aan [appellant] om in deze procedure zijn gronden voldoende concreet naar voren te brengen en indien nodig naar concrete vindplaatsen van bewijsstukken te verwijzen.    Het betoog faalt.OvertredingenDe kantine6.    [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was om handhavend op te treden tegen de op het perceel aanwezige kantine voor medewerkers van de jachthaven. De kantine is gebouwd op gronden waarop de bestemming "Natuurgebied" rust. Niet langer is in geschil dat voor de bouw en het gebruik van de kantine een omgevingsvergunning is vereist. Nu sprake is van overtreding van de artikelen 2.1, eerste lid aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, is het college bevoegd om handhavend op te treden tegen de kantine.Lantaarnpalen/lichtmasten en stelconplaten7.    Wat betreft de op de gronden met de bestemming "Natuurgebied" opgeslagen/liggende lantaarnpalen en stelconplaten heeft de rechtbank overwogen dat de daarop ziende lasten voldoende duidelijk en concreet zijn geformuleerd en dat het college bevoegd is om tegen de aanwezigheid van de lantaarnpalen en stelconplaten op te treden. De rechtbank is van oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat de op een drijvend voertuig opgeslagen en langs de steigers naar de woonboot liggende lantaarnpalen ten dienste staan van de bestemming "Natuurgebied". De rechtbank acht het niet aannemelijk gemaakt dat de lantaarnpalen en lichtmasten op het terrein bedoeld zijn voor de verlichting van de woonboot. Wat betreft de stelconplaten heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] heeft nagelaten om concreet te maken welke van die platen bedoeld zijn voor de gestelde noodzakelijke verharding ten behoeve van beheer of gebruik van de grond en op welke locatie ze liggen. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat een deel van de stelconplaten ook is bedoeld als ontsluitingsweg voor de daar aanwezige woonboot, heeft de rechtbank geoordeeld dat het college nader dient te onderzoeken of met betrekking tot de bereikbaarheid van de woonboot concreet zicht op legalisering bestond voor het aanleggen van een ontsluitingsweg en of in dit verband daarom niet handhavend moet worden opgetreden tegen dit deel van de stelconplaten.8.    Artikel 28, eerste lid, van de planvoorschriften luidt:"Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:1.1 in het hele plangebied:    (…)    d. het vellen of rooien van houtgewas en/of rietgewas.(…)1.3 op gronden met de bestemming "Natuurgebied":    a. het scheuren van grasland anders dan voor graslandverbetering;    b. het aanleggen of verharden van wegen, wandel- en fietspaden of     andere oppervlakteverhardingen."    Artikel 28, tweede lid, luidt:"Het in lid 1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:a. het normale onderhoud betreffen;b. noodzakelijk zijn in verband met het op de betreffende bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond;c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit bestemmingsplan."9.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat de lantaarnpalen ten dienste staan van de natuurbestemming of de woonboot en waar welke stelconplaten nodig zijn voor beheer en onderhoud van de gronden. Ook heeft hij uitvoerig gemotiveerd waarom ten behoeve van de bestaande woonboot een verlichte en met stelconplaten verharde ontsluitingsweg, parkeerplaats en opstelplaats voor hulpdiensten moeten worden aangelegd, aldus [appellant]. Volgens [appellant] is voor de aanleg van de verharding met stelconplaten op grond van artikel 28, tweede lid, van de planregels, geen vergunning vereist en is van een overtreding daarom geen sprake. Hij wijst er verder op dat deze voorzieningen zijn opgenomen in de aanvragen om omgevingsvergunning die onderwerp zijn van de bij de Afdeling aanhangige hogerberoepszaak met nummer 201902933/1/R4.9.1.    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat alle op een drijvend voertuig opgeslagen en langs de steigers naar de woonboot liggende lantaarnpalen ten dienste staan van de bestemming Natuur dan wel nodig  zijn voor de ontsluiting van de woonboot. Dat nu geen lichtmasten meer liggen opgeslagen op het perceel en slechts enkele lichtmasten op het perceel staan om het perceel te verlichten, zoals [appellant] ter zitting van de Afdeling heeft verklaard, betekent niet dat het college destijds ten onrechte een last heeft opgelegd voor de op het perceel liggende lichtmasten. Het betoog faalt in zoverre.9.2.    De rechtbank heeft wat betreft de op het perceel aanwezige stelconplaten ten behoeve van de woonboot in rechtsoverwegingen 9.6 en 9.7 van haar uitspraak een onderscheid gemaakt tussen de stelconplaten die volgens [appellant] dienen als verharding ten behoeve van beheer of het gebruik van de grond en de stelconplaten die volgens [appellant] zijn bedoeld als toegangsweg naar de op het perceel aanwezige woonboot.    De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de aangebrachte stelconplaten moeten worden aangemerkt als werken en werkzaamheden die noodzakelijk zijn in verband met het op de natuurbestemming gerichte beheer of gebruik van de grond en daarom op grond van artikel 28, tweede lid, van de planvoorschriften niet aanlegvergunningplichtig zijn. [appellant] heeft niet concreet gemaakt welke stelconplaten daarvoor bedoeld zijn. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat geen reden bestaat om aan te nemen dat sprake is van een uitzondering op het in het bestemmingsplan neergelegde aanlegverbod. Ook voor zover de stelconplaten zijn bedoeld als toegangspad naar de op het perceel aanwezige woonboot bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellant] deze mocht aanleggen zonder te beschikken over een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 28 van de planvoorschriften. Die ontsluitingsweg is immers niet aangelegd ten behoeve van het op de bestemming Natuurgebied gerichte beheer of gebruik van de grond.9.3.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over op het perceel opgeslagen/liggende lantaarnpalen en de stelconplaten is sprake van een overtreding en bestaat voor het college de bevoegdheid om hiertegen handhavend op te treden. Het betoog faalt ook in zoverre.Herstel van de gronden10.    De rechtbank heeft over de last die betrekking heeft op het herstel van gronden waarop zonder vergunning bomen zijn geveld en hout- en rietgewas is verwijderd, onder meer overwogen dat uit de luchtfoto's kan worden opgemaakt dat het groen langs de oevers is verwijderd en dat het college zich gelet op de aanwezigheid van stelconplaten op deze locatie terecht op het standpunt heeft gesteld dat met het verwijderen van de begroeiing geen sprake is geweest van werkzaamheden die het normale  onderhoud betreffen.10.1.    [appellant] betoogt dat de conclusie van de rechtbank dat alle groen langs de oevers is verdwenen en dat geen sprake is geweest van werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen, niet kan worden getrokken op basis van de beschikbare luchtfoto’s. Volgens [appellant] is er geen sprake van een overtreding, omdat de uitgevoerde werkzaamheden vergunningvrij zijn.10.2.    Niet in geschil is dat [appellant] houtopstanden en rietgewas op gronden met de bestemming "Natuurgebied" heeft gerooid en verwijderd. In geschil is of deze werkzaamheden zijn verricht in het kader van het normale onderhoud van het perceel of zijn uitgevoerd in verband met het op de bestemming "Natuurgebied" gerichte beheer of gebruik van de grond. In dat geval is op grond van artikel 28 van de planvoorschriften geen omgevingsvergunning nodig en is dus geen sprake van een overtreding.    Met de door het college overgelegde luchtfoto's kan naar het oordeel van de Afdeling wel degelijk worden vastgesteld dat het voorheen aanwezige groen aan de noordzijde van het perceel voor een groot gedeelte is verdwenen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de aanwezigheid van de stelconplaten op deze locatie er op duidt dat met het verwijderen van de begroeiing geen sprake is geweest van werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de verwijdering van de houtopstanden en het rietgewas vergunningvrij was. Dit betekent dat het college bevoegd was om handhavend op te treden.    Het betoog faalt.Convenant van 18 mei 2004 tussen [appellant] en de gemeente Wijdemeren11.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de tussen [appellant] en de gemeente Wijdemeren gesloten privaatrechtelijke overeenkomst geen bijzondere omstandigheid is om van handhavend optreden af te zien en evenmin concreet zicht op legalisering oplevert. [appellant] voert hierover aan dat de in het convenant overeengekomen uitbreiding van de jachthaven al onherroepelijk zou zijn geweest en er geen sprake zou zijn van de vermeende overtredingen als het college de uit het convenant voortvloeiende inspanningsverplichting om planologische medewerking aan de uitbreiding te verlenen, direct zou zijn nagekomen. Door dit verwijtbare handelen van het college wordt hij al vanaf 2004 onevenredig benadeeld in de planologische exploitatiemogelijkheden van de jachthaven, aldus [appellant].11.1.    Uit het tussen [appellant] en de gemeente Wijdemeren bindende vonnis van de arbitragecommissie volgt dat de gemeente een inspanningsverplichting tot planologische medewerking is aangegaan. De gemeente heeft de verplichting op zich genomen om zich in te spannen een bestemmingsplan te realiseren dat de uitbreiding van de jachthaven van [appellant] mogelijk maakt zoals omschreven in het convenant, waaronder ook uitbreiding in noordelijke richting. De arbitragecommissie wijst er op dat de gemeente weliswaar niet kan garanderen dat het bestemmingsplan op de afgesproken wijze ongeschonden de eindstreep haalt, maar dat het nog wel mogelijk is dat de gemeente zich inspant om een vrijstelling en/of een ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan, of dat de gemeente zich inspant het bestemmingsplan partieel te herzien. Het college stelt zich op het standpunt dat het aan de inspanningsverplichting heeft voldaan door een prealabele vraag aan de provincie te stellen en dat het convenant met het antwoord van de provincie is uitgewerkt.11.2.    Het is niet aan de Afdeling om te beoordelen of de gemeente de op grond van het convenant op haar rustende inspanningsverplichting is nagekomen. Dat oordeel is voorbehouden aan de civiele rechter. Vast staat dat de in het convenant overeengekomen uitbreiding van de jachthaven planologisch niet mogelijk is gemaakt en het college evenmin bereid is hieraan verdere medewerking te verlenen. Reeds daarom biedt het convenant geen concreet zicht op legalisering. Dat geen sprake zou zijn van (een deel van de) overtredingen als de gemeente direct zou hebben meegewerkt aan de overeenkomen uitbreiding van de jachthaven, wat daarvan ook zij, leidt evenmin tot de conclusie dat het college thans niet in redelijkheid kon overgaan tot handhavend optreden. Ten tijde van het begaan van de overtredingen wist [appellant] dat de gemeente niet bereid was om het door hem gewenste gebruik planologisch mogelijk te maken. Dat hij desondanks binnen de bestemming "Natuurgebied" activiteiten heeft ontwikkeld die niet binnen die bestemming passen, komt voor zijn risico. Het betoog faalt.Concreet zicht op legalisering in verband met ingediende aanvragen om omgevingsvergunning12.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat hij heeft nagelaten voldoende concreet te stellen en te onderbouwen voor welke overtredingen een omgevingsvergunning is aangevraagd en welke van rechtswege zijn gegeven, alsmede voor welke materialen omgevingsvergunning kan worden verleend. De rechtbank heeft volgens [appellant] dan ook ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake is van concreet zicht op legalisering. [appellant] voert aan dat hij met de nadere stukken die hij bij brief van 8 augustus 2018 in het geding heeft gebracht en de daarop gegeven toelichting ter zitting van de rechtbank duidelijk heeft onderbouwd voor welke overtredingen volgens hem concreet zicht op legalisering bestaat in verband met de inmiddels van rechtswege gegeven omgevingsvergunning. Bovendien heeft de rechtbank hem ten onrechte verweten geen zienswijze te hebben ingediend, aldus [appellant].12.1.    Weliswaar heeft de rechtbank [appellant] ten onrechte verweten geen gebruik te hebben gemaakt van de geboden gelegenheid om een zienswijze over het ontwerpbesluit in te dienen en heeft het college daarentegen ten onrechte geen gehoor gegeven aan het verzoek van [appellant] om zijn zienswijze mondeling naar voren te brengen, maar dat doet niet af aan de juistheid van de conclusie van de rechtbank dat in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat sprake is van concreet zicht op legalisering.         [appellant] doelt met zijn betoog op een van rechtswege gegeven omgevingsvergunning die volgens hem is gegeven naar aanleiding van zijn aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van twee woonarken en de aanleg van een toegangspad en parkeerplaatsen op het perceel voor de bestaande en twee beoogde woonarken. Bij uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2020:822 heeft de Afdeling uitspraak gedaan op het hoger beroep in die zaak met nummer 201902933/1/R4. De Afdeling heeft geoordeeld dat geen omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven. Nog daargelaten dat uit deze uitspraak volgt dat geen vergunning van rechtswege is gegeven, ziet die aanvraag van [appellant] niet op de aanleg van een verharding met stelconplaten, waarop het handhavingsbesluit ziet, maar op een verharding door het aanbrengen van gebroken puin, vulzand en betonplaten, zodat de aanvraag niet kon leiden tot legalisering van de overtreding.    Het betoog faalt.Gelijkheidsbeginsel13.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verworpen. Hij voert hiertoe aan dat hij met overlegging van besluiten, foto's en tekeningen onder vermelding van de desbetreffende adressen heeft aangetoond dat er in de directe omgeving woonboten, woningen, met en zonder vergunning verharde toegangswegen, parkeerplaatsen en opstelplaatsen voor hulpdiensten, en allerlei bouwwerken in de bestemming "Natuurgebied" zijn gerealiseerd.13.1.    Het college is naar aanleiding van de door [appellant] in het bezwaarschrift genoemde gevallen tijdens de hoorzitting inhoudelijk ingegaan op de genoemde voorbeelden. Het college heeft toegelicht waarom het zich op het standpunt stelt dat de situatie op deze adressen geen vergelijkbare gevallen zijn. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] gesteld dat deze toelichting in ieder geval onjuist is voor de percelen Moleneind 61 en Moleneind 71, omdat op die percelen ook zonder vergunning terreinverhardingen en toegangswegen binnen de bestemming "Natuurgebied" zijn aangelegd en dat het college daartegen niet handhavend optreedt. De Afdeling begrijpt, gelet op deze toelichting, het betoog in hoger beroep aldus dat het college op grond van het gelijkheidsbeginsel moet afzien van handhavend optreden tegen de ten behoeve van de woonboot met stelconplaten verharde ontsluitingsweg, parkeerplaats en opstelplaats voor hulpdiensten.13.2.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het college opgedragen nader te onderzoeken of met betrekking tot de bereikbaarheid van de woonboot concreet zicht op legalisering bestond voor het aanleggen van een ontsluitingsweg en of in dit verband daarom niet handhavend moet worden opgetreden. Aangezien het college nu eerst zal moeten onderzoeken of legalisering van een (deel van de) stelconplaten mogelijk is, komt de Afdeling niet toe aan bespreking van het beroep op het gelijkheidsbeginsel.Hoogte dwangsom14.    [appellant] betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet heeft gemotiveerd hoe de hoogte van de dwangsom tot stand is gekomen. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich in het besluit tot handhaving niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de hoogte van de dwangsommen in redelijke verhouding staan tot het geschonden belang. De rechtbank heeft hierbij terecht van belang geacht dat van de dwangsom een zodanige prikkel moet uitgaan, dat de opgelegde last wordt nagekomen en verbeurte van de dwangsom wordt voorkomen.Herroeping primair besluit15.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank, gelet op de aan het dictum ten grondslag liggende overwegingen, ten onrechte heeft nagelaten het primaire besluit deels te herroepen.15.1.    Dit betoog faalt evenzeer. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, zal het college op basis van hetgeen de rechtbank heeft overwogen een aantal onderzoeken moeten uitvoeren. Het college zal vervolgens in een nieuw te nemen besluit op bezwaar dienen te beoordelen of de in het primaire besluit opgelegde lasten (alle) in stand kunnen blijven.16.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.17.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2020604.