Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:87

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-01-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 15-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:87, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201804019/1/R2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:87:DOC

201804019/1/R2.Datum uitspraak: 15 januari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:1.    [appellante sub 1] en anderen, allen wonend dan wel gevestigd te Bergeijk (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 1]),2.    [appellant sub 2], wonend te 's-Hertogenbosch,3.    [appellante sub 3] en anderen, alle gevestigd te Bergeijk (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 3]),4.    [appellant sub 4] en anderen, allen wonend te Bergeijk (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]),appellanten,ende raad van de gemeente Bergeijk,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 1 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Woongebieden Oost en West, Bergeijk" (hierna: het plan van 1 maart 2018) vastgesteld.Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellante sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.De raad heeft een verweerschrift ingediend.Bij besluit van 27 september 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Woongebieden Oost en West, Bergeijk" opnieuw, gewijzigd vastgesteld (hierna: het reparatieplan).De raad en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2019, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigden A], bijgestaan mr. M. Peeters, advocaat te Someren, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigde B], bijgestaan door mr. W. Krijger, rechtsbijstandsverlener te Ulicoten, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigden C] en de raad, vertegenwoordigd door A. Oosterwijk, zijn verschenen.Overwegingen    Inleiding1.    Het plan van 1 maart 2018 is vastgesteld in het kader van de actualisatie van bestemmingsplannen in Bergeijk. Het plangebied omvat alle woongebieden in Oost en West Bergeijk. Het plan is grotendeels conserverend van aard.    Met het reparatieplan van 27 september 2018 heeft de raad beoogd een aantal door hem geconstateerde gebreken in het plan van 1 maart 2018 te herstellen.    [appellante sub 1] is gevestigd aan de [locatie 1] in het oosten van het plangebied. Zij wenst meer bebouwings- en gebruiksmogelijkheden voor haar bedrijf.    [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de toegekende bestemmingen en functieaanduidingen aan het perceel gelegen tussen de percelen aan de [locatie 2] en [locatie 3] en aan het perceel achter [locatie 4]. Hij wenst bebouwingsmogelijkheden op die percelen.    [appellante sub 3] verzet zich tegen de functieaanduiding "specifieke vorm van detailhandel - kringloopwinkel" op het perceel aan de [locatie 5].    [appellant sub 4] is eigenaar van het perceel gelegen aan de [locatie 6]. Hij wenst een bouwvlak voor zijn perceel.2.    Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt:"Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."    Het reparatieplan is ingevolge artikel 6:19 van de Awb mede onderwerp van het geding. De beroepen van [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellante sub 3] en [appellant sub 4] worden geacht ook te zijn gericht tegen dit besluit.    De Afdeling zal eerst de beroepen die zijn gericht tegen het reparatieplan beoordelen.Ontvankelijkheid3.    Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat het betoog van [appellant sub 2] over de bestaande bebouwing op het perceel tussen de [locatie 2] en [locatie 3] niet berust op een ingebrachte zienswijze overweegt de Afdeling als volgt.    Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.    Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat echter geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht.    Het door de raad genoemde betoog van [appellant sub 2] is gericht tegen het plandeel waartegen [appellant sub 2] ook een zienswijze naar voren heeft gebracht. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het beroep wat betreft genoemde aspecten steunt op een ter zake naar voren gebrachte zienswijze. Het beroep is in zoverre dan ook ontvankelijk.Toetsingskader4.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.De beroepen gericht tegen het reparatieplanHet beroep van [appellant sub 2]Gronden over het perceel tussen [locatie 2] en [locatie 3]5.    [appellant sub 2] betoogt dat het perceel tussen [locatie 2] en [locatie 3] ten onrechte opnieuw de bestemming "Groen" heeft gekregen. Volgens [appellant sub 2] had de raad een woonbestemming met bouwvlak moeten toekennen aan dat perceel, omdat de bouw van een vrijstaande woning daar een passende en ruimtelijk verantwoorde invulling is. De raad heeft volgens [appellant sub 2] in de zienswijzeprocedure ten onrechte gesteld dat er geen aanpassingen meer kunnen worden gedaan in het plan. Voor het perceel aan de Koningsvogel 27 heeft de raad nadat het voorontwerp ter inzage heeft gelegen de bebouwingsmogelijkheden voor 3 vrijstaande woningen gewijzigd in 8 rijtjeswoningen. Bovendien is op het perceel tussen [locatie 2] en [locatie 3] al bebouwing aanwezig, waardoor een woonbestemming volgens [appellant sub 2] meer in overeenstemming is met de feitelijke situatie. Voorts stelt de raad volgens [appellant sub 2] ten onrechte dat medewerking aan een vrijstaande woning op het perceel op dit moment niet past binnen de door de raad vastgestelde kaders. Uit de plantoelichting blijkt dat er behoefte is aan woningen.    [appellant sub 2] betoogt verder dat de bestaande bebouwing op zijn perceel, een gebouw dat in gebruik is geweest als noodwoning, door de toegekende groenbestemming ten onrechte opnieuw onder het overgangsrecht wordt gebracht. De raad zou daarvoor een regeling moeten treffen. Mocht er geen behoefte zijn aan woningbouw, dan zou volgens [appellant sub 2] aan het perceel tenminste een woonbestemming moeten worden toegekend zonder bouwvlak.5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het naar aanleiding van een zienswijze opnemen van een bouwvlak voor een woning minder gewenst is. Dit ontneemt omwonenden de mogelijkheid daarop inspraak in te brengen. Verder is er in dit geval enkel een voornemen geuit om een vrijstaande woning te realiseren op het perceel tussen de [locatie 2] en [locatie 3]. Het gaat om een onvoldoende concreet initiatief om een woonbestemming en een bouwvlak toe te kennen voor dat perceel. Volgens de raad beperkt de woonambitie die de plantoelichting noemt zich niet tot het voorliggende bestemmingsplan, maar geven deze meer de intentie en behoefte voor woningbouwontwikkelingen voor het hele grondgebied van de gemeente weer.5.2.    In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. Dit stelsel staat er niet aan in de weg dat naar aanleiding van een zienswijze bij de vaststelling van het plan een bouwvlak voor een woning wordt opgenomen. De raad moet bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met een particulier initiatief voor ruimtelijke ontwikkelingen voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.    Aan de gronden tussen de [locatie 2] en [locatie 3] is de bestemming "Groen" toegekend. [appellant sub 2] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan al een concreet bouwplan bestond voor de bouw van een vrijstaande woning ter plaatse. Ook anderszins is niet aannemelijk gemaakt dat het voornemen zo concreet is dat dit eenvoudig in dit plan kon worden opgenomen. Gelet op het vorenstaande hoefde de raad geen rekening te houden met het initiatief van [appellant sub 2].     Over de door [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met het perceel aan de Koningsvogel 27 overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat aan dat perceel al een woonbestemming en bouwvlak waren toegekend. De ruimtelijke aanvaardbaarheid van de wijziging van het aantal woningen binnen het toegekende bouwvlak was volgens de raad tijdig aangetoond, zodat deze meegenomen kon worden in dit plan. In wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 2] genoemde situatie niet overeenkomt met die op de locatie waar het hem om te doen is.    Het betoog faalt.5.3.    Over het betoog van [appellant sub 2] dat op zijn perceel al bebouwing aanwezig is die viel onder de werking van het overgangsrecht van het vorige plan, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting heeft [appellant sub 2] een omgevingsvergunning overlegd van 24 juni 1953 voor het bouwen van een kippenhok. Hij heeft daarbij aangegeven dat het kippenhok later is omgebouwd tot een noodwoning. De Afdeling overweegt dat het gebouw zonder de daarvoor benodigde vergunning is omgebouwd en dat de noodwoning daarmee nooit legaal is geweest. Bovendien was de bestaande bebouwing op het perceel tussen de [locatie 2] en [locatie 3] volgens het voorheen geldende bestemmingsplan en het daar weer aan voorafgaande plan niet toegelaten. Daarom vormt het bestaan van deze bebouwing geen omstandigheid die de raad had moeten meewegen bij het beoordelen van de aanvaardbaarheid van de ten behoeve van het perceel opgenomen bestemming.    Het betoog faalt.Gronden over het perceel achter [locatie 4]6.    [appellant sub 2] betoogt dat de raad ten onrechte niet de procedure uit afdeling 3.4 van de Awb heeft gevolgd bij de vaststelling van het reparatieplan. Hierdoor is het ontwerp niet eerst ter inzage gelegd.Verder betoogt hij dat de raad in het reparatieplan ten onrechte het bouwvlak achter het perceel aan de [locatie 4] heeft verwijderd. Dit besluit is om twee redenen ingrijpend, aldus [appellant sub 2]. Hij heeft onder de werking van het plan van 1 maart 2018 een overeenkomst gesloten om het perceel met bouwvlak te kopen voor een prijs die is gebaseerd op de mogelijkheid ter plekke een woning met bijgebouwen te realiseren. Ook heeft [appellant sub 2] een bouwplan ingediend dat past binnen het vorige plan. De raad heeft - mede door de gevolgde procedure - ten onrechte deze belangen niet bij de besluitvorming betrokken.6.1.    Ingevolge artikel 3:10, eerste lid, van de Awb is afdeling 3.4 van de Awb in de eerste plaats van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift is bepaald.    Omdat in artikel 6:19 van de Awb niet is bepaald dat afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is op de voorbereiding van een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, hoeft een reparatieplan niet in alle gevallen voorbereid te worden met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Als het nieuwe besluit betrekking heeft op ondergeschikte onderdelen van het bestemmingsplan in vergelijking tot het eerder genomen vaststellingsbesluit, kan toepassing van afdeling 3.4 van de Awb achterwege blijven.    In het reparatieplan zijn enkele onjuistheden uit het bestemmingsplan van 1 maart 2018 gecorrigeerd. De Afdeling is van oordeel dat het herstel van deze onjuistheden in het reparatieplan betrekking heeft op ondergeschikte onderdelen van het bestemmingsplan van 1 maart 2018. De raad heeft daarom de toepassing van afdeling 3.4 van de Awb achterwege mogen laten.    Het betoog faalt.6.2.    Ter zitting is duidelijk geworden dat het opnemen van het bouwvlak achter het perceel aan de [locatie 4] in het plan van 1 maart 2018 berust op een vergissing die in de ogen van de raad leidt tot een ongewenste situatie en dat deze vergissing volgens de raad moest worden gecorrigeerd. Onder het vorige plan was geen bouwvlak opgenomen en de opneming van dit bouwvlak in het plan van 1 maart 2018 is niet gemotiveerd. Voorts was er ten tijde van de vaststelling van het reparatieplan geen sprake van een door [appellant sub 2] ingediend concreet bouwplan. Gelet op het vorenstaande heeft de raad, de betrokken belangen afwegend, in redelijkheid besloten het bouwvlak te verwijderen.    Het betoog faalt.Het beroep van [appellante sub 1]7.    Ter zitting heeft [appellante sub 1] haar beroep toegespitst op het betoog dat aan haar perceel ten opzichte van het vorige plan een te lage milieucategorie is toegekend. Hierdoor zijn haar activiteiten op het gebied van groothandel, verhuur van apparaten en bouwnijverheid niet bij recht toegestaan. Ook zouden de mogelijkheden om ter plaatse detailhandel te bedrijven ruimer moeten worden omschreven. Daarnaast heeft de raad volgens [appellante sub 1] ten onrechte het bouwvlak strak langs de bestaande bebouwing gelegd. Hierdoor bestaat voor haar geen uitbreidingsmogelijkheid. Volgens [appellante sub 1] heeft zij op grond van de koopovereenkomst van 1992 tussen haar en de gemeente recht op minimaal dezelfde grootte van het bouwvlak zoals dat was toen zij het kocht.7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat ter plaatse een tegel- en sanitairbedrijf is gevestigd en dat deze bestaande activiteiten bij recht zijn bestemd. Ook in voorheen geldende bestemmingsplannen was volgens de raad aan het perceel van [appellante sub 1] een bedrijfsbestemming toegekend voor bedrijvigheid in milieucategorie 2.7.2.    Aan de gronden aan het [locatie 1] zijn in het reparatieplan de bestemming "Bedrijf" en de functieaanduiding "specifieke vorm van detailhandel - tegel- en sanitairverkoop" toegekend. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, zijn daarmee bedrijven genoemd in de bij het plan behorende Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten, onder de milieucategorieën 1 en 2, toegestaan. Blijkens de Staat van bedrijfsactiviteiten valt een groothandel in hout en bouwmaterialen met een brutovloeroppervlakte tot en met 2000 m² onder milieucategorie 2. Verhuurbedrijven voor machines en werktuigen vallen onder milieucategorie 3.1 en verhuurbedrijven van andere roerende goederen vallen onder milieucategorie 2. Voorheen waren deze verhuurbedrijven niet uitgesplitst maar vielen alle verhuurbedrijven onder milieucategorie 2.    De Afdeling overweegt dat de raad in redelijkheid de bestaande bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 1] als uitgangspunt heeft genomen. Niet is gebleken van groothandelsactiviteiten die niet vallen onder de beschrijving in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Mede gelet op de aanwezigheid van woningen in de omgeving van het perceel [locatie 1] heeft de raad in redelijkheid kunnen weigeren in zijn algemeenheid een hogere milieucategorie of een algemene detailhandelsbestemming aan het perceel toe te kennen. Daarbij is mede van belang dat niet is gebleken van een concreet voornemen om ter plaatse andere dan de bestaande bedrijfsactiviteiten te gaan verrichten.    Anders dat [appellante sub 1] heeft gesteld, ziet de Afdeling niet in dat de raad bepaalde bestaande bedrijfsactiviteiten niet bij recht heeft bestemd. Weliswaar vallen verhuurbedrijven voor machines en werktuigen onder milieucategorie 3.1, maar daar gaat het om zelfstandige verhuurbedrijven. Niet aannemelijk is geworden dat de verhuur van machines en werktuigen ter plaatse een meer dan ondergeschikt karakter heeft ten opzichte van de hoofdactiviteit van [appellante sub 1]. Ook ten aanzien van de door [appellante sub 1] ter plaatse bedreven detailhandel is niet gebleken dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze een ondergeschikt onderdeel uitmaakt van de ter plaatse toegelaten detailhandel in sanitair en tegels.7.3.    Over het betoog dat de raad ten onrechte geen ruimere bouwmogelijkheden dan ten tijde van de aankoop van het perceel heeft toegekend, heeft de raad gezegd dat het ten tijde van de koopovereenkomst van 1992 toegekende bouwvlak op de gronden aan de [locatie 1] groter was, omdat er nog gebouwd moest worden. De bedrijfsbestemming op de gronden aan de [locatie 1] is na de koop in 1992 op basis van een latere inventarisatie van de feitelijke invulling van de bedrijfsbebouwing aangepast. Tegen het toen geldende bestemmingsplan is [appellante sub 1] niet in beroep gegaan. Gelet hierop en omdat niet gebleken is van een concreet voornemen van [appellante sub 1] tot uitbreiding, heeft de raad in redelijkheid het bouwvlak aan het perceel [locatie 1] zo in het plan kunnen toekennen.    Het betoog faalt.7.4.    Waar [appellante sub 1] voor het overige verzoekt de inhoud van de zienswijzen als herhaald en ingelast in het beroepschrift te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de bij de bestreden besluiten behorende zienswijzennota is ingegaan op de zienswijzen. [appellante sub 1] heeft in zijn beroepschrift en ter zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in de bestreden besluiten onjuist zou zijn.   Het beroep van [appellante sub 3]8.    [appellante sub 3] betoogt dat de raad het reparatieplan heeft vastgesteld in strijd met de "Update Centrumvisie Bergeijk" (hierna: Centrumvisie Bergeijk) van 2 november 2017 nu hij ter plaatse aan de [locatie 5] een kringloopwinkel heeft toegestaan. In dit verband heeft [appellante sub 3] erop gewezen dat de kringloopwinkel zich bevindt in een zogenoemde aanloopstraat. In de Centrumvisie Bergeijk staat volgens haar dat nieuwvestiging en uitbreidingsmogelijkheden buiten het kernwinkelgebied niet zijn toegestaan en dat uitbreidingsmogelijkheden in aanloopstraten het concentratiebeleid ondermijnen. De raad stelt volgens haar ten onrechte dat de kringloopwinkel nadrukkelijk een maatschappelijke functie vervult die niet kan worden vergeleken met de functie "detailhandel".    Voorts betoogt [appellante sub 3] dat de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt. [appellante sub 3] heeft meerdere verzoeken gedaan om in de aanloopstraten uit te breiden of te vestigen, waarbij de raad altijd het standpunt inneemt dat in aanloopstraten geen enkele vorm van uitbreiding of nieuwvestiging van detailhandel mogelijk is. In dat verband stelt de raad volgens haar ten onrechte dat de kringloopwinkel is geïntegreerd met de overige maatschappelijke voorzieningen binnen het gebied. Er is volgens haar geen specifieke relatie tussen de kringloopwinkel en het daar gevestigde inloop- en participatiehuis.8.1.    In paragraaf 4.1 van de Centrumvisie Bergeijk wordt gesteld dat in het concentratiebeleid voorop staat dat bestaande rechten worden gerespecteerd. Op 9 januari 2015 is ten behoeve van de verbouwing van de kringloopwinkel een omgevingsvergunning verleend, die bij de vaststelling van het plan is ingepast. Anders dan [appellante sub 3] ter zitting heeft gesteld, is in de enkele omstandigheid dat zij geen publicatie van de vergunning van 9 januari 2015 heeft kunnen achterhalen geen grond te vinden voor het oordeel dat de omgevingsvergunning voor de kringloopwinkel nooit in werking is getreden. Daartoe overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 3:40 van de Awb een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager, in dit geval de gemeente Bergeijk. De raad heeft de omgevingsvergunning en de daarbij behorende ruimtelijke motivering mogen betrekken bij de vaststelling van dit plan en was in beginsel gehouden het vergunde in het plan bij recht op te nemen.    Omdat de raad de in rechte onaantastbare omgevingsvergunning bij de actualisering van het plan heeft opgenomen en daarmee bestaande rechten respecteert, is de Afdeling alleen al hierom van oordeel dat het plan niet in strijd met de Centrumvisie Bergeijk is vastgesteld.    Over de door [appellante sub 3] gemaakte vergelijking tussen de in het plan opgenomen regeling voor de kringloopwinkel aan de [locatie 5] en nieuwvestiging dan wel uitbreiding van andere bedrijven in Bergeijk, overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat de kringloopwinkel nadrukkelijk een maatschappelijke functie vervult samen met het Aquinohuis in het voormalige schoolgebouw. Het Aquinohuis is volgens de raad een inloop- en participatiehuis. Hier worden mensen die hulp en ondersteuning nodig hebben op het gebied van arbeidsintegratie, dagbesteding, mantelzorg, eenzaamheid, vrijwilligerszorg en psychische hulpvragen opgevangen. Daarbij worden volgens de raad mensen erkend in hun problematiek en tegelijk maatschappelijk verder geholpen. De kringloopwinkel past binnen die maatschappelijke kaders en vervult via de integratie met andere activiteiten in het Aquinohuis vooral een maatschappelijke behoefte. Daarom valt de kringloopwinkel volgens de raad niet als gelijkwaardige detailhandel te zien. In wat [appellante sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 3] genoemde situaties niet overeenkomen met de nu aan de orde zijnde situatie.    Ter zitting heeft [appellante sub 3] aangevoerd dat de in het bestemmingsplan vervatte regeling voor parkeren ter plaatse van de kringloopwinkel ondeugdelijk is en dat de 9 parkeerplaatsen die zouden moeten worden gerealiseerd op grond van de omgevingsvergunning van 9 januari 2015 ten onrechte niet zijn aangelegd. De Afdeling overweegt hierover dat [appellante sub 3] zich in haar beroepschrift uitsluitend heeft verzet tegen het opnemen van een aanduiding ten behoeve van detailhandel voor het betrokken perceel in relatie tot het door haar gestelde strijd met het gemeentelijk beleid en het ongelijk handelen op het vlak van detailhandel buiten het kernwinkelgebied. De beroepsgrond over parkeren is pas ter zitting aangevoerd en niet gebleken is dat [appellante sub 3] deze grond niet eerder naar voren heeft kunnen brengen. De raad heeft op deze grond niet kunnen reageren. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding het door [appellante sub 3] over parkeren aangevoerde wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Waar [appellante sub 3] heeft gesteld dat in strijd met de verleende omgevingsvergunning nog altijd geen parkeerplaatsen zijn aangelegd, is dat een kwestie van handhaving die hier niet aan de orde kan komen.Beroep van [appellant sub 4]9.    [appellant sub 4] betoogt dat de raad ten onrechte geen bouwvlak heeft toegekend aan zijn perceel aan [locatie 6], terwijl aan zijn perceel wel een woonbestemming is toegekend. Volgens [appellant sub 4] heeft de raad zijn besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Woonbebouwing op zijn perceel heeft geen negatieve invloed op het beekdal ter plaatse en de natuurlijke waarde van de beek en het landschap. Het perceel ligt op een afstand van enkele honderden meters van het beekdal en er grenst een drukke weg direct aan het perceel. De omgeving van het perceel wordt gekenmerkt door vrijstaande woningen op ruime percelen, waardoor volgens [appellant sub 4] woonbebouwing in de omgeving past.    Voorts is de motivering van de raad om geen bouwvlak toe te kennen volgens [appellant sub 4] tegenstrijdig en gebrekkig. De raad heeft in de inspraakprocedure gesteld dat er in het kader van het maatschappelijk belang mogelijkheden zijn als ten opzichte van de bestaande situatie met een nieuwe ontwikkeling kwaliteitswinst wordt geboekt. Doordat bij het plan een woonbestemming is toegekend, stelt de raad zich op het standpunt dat wonen ter plaatse een kwaliteitsverbetering oplevert. Bovendien kan een nieuwe ontwikkeling die past binnen de toegekende bestemming volgens [appellant sub 4] enkel uit woonbebouwing bestaan.9.1.    Aan [locatie 6] is de bestemming "Wonen" toegekend. Deze woonbestemming volgt volgens de raad uit het conserverende karakter van het bestemmingsplan maar houdt geen oordeel in over de haalbaarheid van een woning ter plaatse. Voorts heeft de raad gesteld dat het perceel van [appellant sub 4] onderdeel uitmaakt van een beeklandschap en daarom op grond van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: de Verordening) is aangeduid als "groenblauwe mantel". De kwaliteit van deze locatie maakt volgens de raad een zorgvuldige afweging noodzakelijk waarbij het landschap leidend is. In de omgeving van het perceel is eerder in het kader van de ruimte-voor-ruimte-regeling woningbouw toegestaan, omdat daardoor verstening in het buitengebied is teruggedrongen. Een nieuwe woning zonder gebruik van de ruimte-voor-ruimteregeling levert volgens de raad in het gebied alleen maar verdere verstening op.9.2.    De Afdeling wijst er op dat de keuze van de raad om ter plaatse een woonbestemming toe te kennen - net als in het voorheen geldende bestemmingsplan - niet automatisch betekent dat de raad de keuze heeft gemaakt ter plaatse bouwwerken toe te staan. De grond kan ook als tuin bij een woning worden gebruikt zonder dat daarop gebouwen worden opgericht. De Afdeling overweegt verder dat de raad er terecht op heeft gewezen dat het perceel in de zogeheten "groenblauwe mantel" ligt, waarvoor op grond van artikel 6.7 van de Verordening een bouwverbod geldt en waar in beginsel slechts met toepassing van de zogenoemde ruimte-voor-ruimte-regeling woningbouw mogelijk is. Het zonder meer toekennen van een bouwvlak zou dus in strijd zijn met de Verordening. Verder heeft de raad, gezien het achterliggende beekdal, de keuze mogen maken aan het doorzicht meer waarde toe te kennen dan aan het belang dat [appellant sub 4] heeft bij bebouwing van dat perceel, al is dat doorzicht beperkt.    Het betoog faalt.Conclusie over de beroepen gericht tegen het reparatieplan10.    Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellant sub 2], [appellante sub 1], [appellante sub 3] en [appellant sub 4] tegen het reparatieplan ongegrond.De beroepen gericht tegen het besluit van 1 maart 201811.    Nu het reparatieplan in stand blijft, waarbij het besluit van 1 maart 2018 geheel is vervangen, komt aan het oorspronkelijke besluit van 1 maart 2018 geen betekenis meer toe. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang, is de Afdeling van oordeel dat [appellant sub 2], [appellante sub 1], [appellante sub 3] en [appellant sub 4] geen belang meer hebben bij een inhoudelijke bespreking van hun beroepen voor zover die zijn gericht tegen het besluit van 1 maart 2018. Dat betekent dat de beroepen tegen dat besluit niet-ontvankelijk zijn.Proceskosten12.    Nu de raad met het reparatieplan gedeeltelijk aan het beroep van [appellante sub 1] tegemoet is gekomen, ziet de Afdeling aanleiding om de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart de beroepen tegen het besluit van 1 maart 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebieden Oost en West, Bergeijk" niet-ontvankelijk;II.    verklaart de beroepen tegen het besluit van 27 september 2018 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebieden Oost en West, Bergeijk" ongegrond;III.    veroordeelt de raad van de gemeente Bergeijk tot vergoeding van bij [appellante sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.332,90 (zegge: dertienhonderdtweeëndertig euro en negentig cent), waarvan € 1.280,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;IV.    gelast dat de raad van de gemeente Bergeijk aan [appellante sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, griffier.w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Matulewiczvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 15 januari 202045-875.