Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:852

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 25-03-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 25-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:852, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201903864/1/R2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:852:DOC

201903864/1/R2.Datum uitspraak: 25 maart 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKTussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:1.    [appellant sub 1], wonend te Geldrop-Mierlo, gemeente Helmond,2.    [appellante sub 2] en anderen, gevestigd te Geldrop-Mierlo,gemeente Helmond,appellanten,ende raad van de gemeente Helmond,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 5 februari 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Brandevoort II-herz. Hazenwinkel-Liverdonk" vastgesteld.Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en anderen beroep ingesteld.De raad heeft een verweerschrift ingediend.De raad, [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2019, waar [appellant sub 1], en [appellante sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. E.H.E.J. Wijnen, advocaat te Tilburg, bijgestaan door [gemachtigden], en R. Cox, deskundige, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Benhadi, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    In het plan is voorzien in woningen. Het plangebied bestaat uit deelgebied Liverdonk West dat is gesitueerd in het noorden en deelgebied Hazenwinkel dat is gesitueerd in het zuiden. [appellant sub 1] woont ten westen van het plangebied aan de [locatie 1] te Geldrop-Mierlo nabij Hazenwinkel en [appellante sub 2] en anderen exploiteren in de nabijheid van het plangebied een varkenshouderij aan de [locatie 2] en aan de [locatie 3] en [locatie 4] te Geldrop-Mierlo. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en anderen kunnen zich niet verenigen met de in het plan voorziene woningen in de nabijheid van hun percelen en vrezen voor een beperking van hun bedrijfsactiviteiten en activiteiten op hun gronden.2.    Bij uitspraak van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:273, heeft de Afdeling het bij besluit van 9 juni 2016 door het college van burgemeester en wethouders van Helmond vastgestelde uitwerkingsplan "Brandevoort II-Hazenwinkel-Liverdonk West" vernietigd voor zover dat ziet op de vaststelling van het zuidelijke plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de geurhindercontour in het bestemmingsplan "Brandevoort II". De Afdeling oordeelde daartoe dat het verwijderen van de geurcontour uit het bestemmingsplan "Brandevoort II" in verband met de beëindiging van een agrarisch bedrijf niet mogelijk was via dit uitwerkingsplan. Weliswaar was aan het college de bevoegdheid toegekend om ter plaatse van de gronden met de aanduiding "geurhindercontour" de bestemming "Groendoeleinden, bestemming "Woongebied II (uit te werken ex artikel 11 WRO)" uit te werken. Wat de aanduiding "geurhindercontour" betreft was in de uitwerkingsregels van artikel 6 van het bestemmingsplan "Brandevoort II" echter geen bevoegdheid toegekend om een wijziging hierin aan te brengen. Gelet hierop beschikte het college niet over de bevoegdheid om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de aanduiding "geurhindercontour" opnieuw te beoordelen en was het college gehouden om in zoverre bij het bestemmingsplan "Brandevoort II" aan te sluiten." In het nu voorliggende plan, dat hetzelfde plangebied omvat als het eerder vernietigde uitwerkingsplan, is deze geurhindercontour alsnog verwijderd.3.    Het bestemmingsplan "Brandevoort II" is door de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT8573, in rechte onaantastbaar . In dit bestemmingsplan is aan de gronden in het uit te werken gebied de bestemming "Woongebied II (uit te werken ex artikel 11 van de WRO)", nader aangeduid als Liverdonk en Hazenwinkel, toegekend.Toetsingskader4.    Bij de vaststelling van een plan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het plan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.Beroep van [appellante sub 2] en anderenMilieueffectenrapport5.    [appellante sub 2] en anderen betogen dat ten onrechte geen vormvrije m.e.r.-procedure is doorlopen. Zij stellen dat de raad ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat een vormvrije m.e.r. niet nodig is omdat voor het gebied al eerder bij de totstandkoming van het bestemmingsplan "Brandevoort II" een milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is opgesteld. Zij voeren daartoe aan dat de m.e.r. 14 jaar oud is, geen actuele informatie bevat en dat het plan zodanig afwijkt van de gegevens die in het m.e.r. zijn opgenomen, dat de m.e.r. daarom niet aan het voorliggende plan ten grondslag kan worden gelegd.5.1.    Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezena. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.    Ingevolge het vierde lid worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.    Artikel 2, vijfde lid, van het Besluit milieueffectenrapportage (hierna: het Besluit m.e.r.) luidt:"Voor zover in de bijlage, onderdeel C, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt de verplichting tot het maken van een milieueffectrapport in zodanige gevallen. Voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt:a. de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 en 7.20a van de wet in zodanige gevallen, enb. de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16, 7.17, eerste tot en met vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid, en 7.20a van de wet in overige gevallen, uitgezonderd de gevallen, bedoeld in de categorieën D 49.1, D 49.2 en D 49.3 van de bijlage bij dit besluit."    In de eerste kolom in onderdeel D, categorie 11.2 staat:"De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen."    In de tweede kolom worden vervolgens de drempelwaarden weergegeven:"In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer,2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer."5.2.    Niet in geschil is dat wat betreft de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt de drempelwaarde van 2000 woningen als bedoeld in kolom 2, van categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet wordt overschreden. Hoewel de drempelwaarde niet wordt overschreden, dient de raad te bezien of de activiteit die een stedelijk ontwikkelingsproject betreft belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, de zogenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling.5.3.    De raad heeft na het bestreden besluit in oktober 2019 alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling laten opstellen. [appellante sub 2] en anderen hebben geen inhoudelijke bezwaren tegen deze vormvrije m.e.r. ingebracht. Het betoog dat de raad zich ten onrechte slechts heeft gebaseerd op het volgens [appellante sub 2] en anderen verouderde en ook overigens niet bruikbare milieueffectrapport (MER) uit 2005, mist daardoor feitelijke grondslag. Het betoog faalt.Geur6.    [appellante sub 2] en anderen betogen dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of in het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vanwege het aspect geur omdat de door de raad gehanteerde norm van 8 ouE/m3 voor het gebied volgens de Handreiking bij de Wet geurhinder veehouderij uit 2007 tot 17% geurgehinderden leidt en in dat geval sprake is van een matig woon- en leefklimaat. Voorts betogen [appellante sub 2] en anderen dat de op de verbeelding geprojecteerde geurcontour van hun buiten het plangebied gesitueerde varkenshouderij niet volledig is weergegeven. Zij voeren daartoe aan dat de raad gebruik heeft gemaakt van de geurcontour die is opgenomen in het rapport van Bergs Advies B.V. "Geurrapportage Ontwerp Bestemmingsplan Brandevoort II-herz. Hazenwink&-Liverdonk" van 24 augustus 2018 maar daarbij ten onrechte de buitenste onderste rand van de oranje lijn waarmee de contour in het rapport is gemarkeerd als uitgangspunt heeft genomen in plaats van het midden van deze lijn en daarmee van een te klein gebied is uitgegaan. [appellante sub 2] en anderen stellen dat visualisaties van Bergs Advies die zijn ingeladen in een geografisch informatiesysteem steun geven voor hun standpunt. Voorts richt het beroep zich tegen het gebruiksverbod in artikel 3, lid 3.5.1, onder c, van de planregels. [appellante sub 2] en anderen betogen dat de raad ter plaatse van de geurzone een bouwverbod voor het oprichten van geurgevoelige objecten had moeten opnemen in plaats van een gebruiksverbod. Ook betogen zij dat het gebruiksverbod niet volledig is omdat het niet uitsluit dat op de gronden met de aanduiding "milieuzone-geurzone" ten onrechte geurgevoelige objecten anders dan woningen kunnen worden opgericht en gebruikt die leiden tot een beperking van hun bedrijfsvoering. Zij stellen dat de raad daarom in artikel 3, lid 3.5.1, onder c, van de planregels het gebruik van geurgevoelige objecten zoals gedefinieerd in de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) had moeten verbieden. Ook richt het beroep zich tegen de afwijkingsmogelijkheid in artikel 3, lid 3.5.2, van de planregels. [appellante sub 2] en anderen voeren aan dat deze afwijkingsmogelijkheid zich niet verdraagt met artikel 3.6, eerste lid, sub c, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) omdat geen sprake is van een afwijking op ondergeschikte onderdelen. Ten slotte betogen [appellante sub 2] en anderen dat onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen.6.1.    De varkenshouderij van [appellante sub 2] en anderen ligt buiten het plangebied. Een punt van de geurcontour van het bedrijf van [appellante sub 2] en anderen ligt binnen het plangebied. Op deze gronden rust de bestemming "Wonen" en de aanduiding "milieuzone-geurzone". De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor grondgebonden woningen en aan huis gebonden beroepen met bijbehorende gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde.     Artikel 3, lid 3.5.1, aanhef en onder c, luidt als volgt."Onder strijdig gebruik met de bestemming "Wonen" wordt ten minste verstaan het gebruik van bouwwerken voor permanente of tijdelijke bewoning op gronden met de aanduiding "milieuzone-geurzone"."     Artikel 3, lid 3.5.2, aanhef en onder a, van de planregels luidt als volgt:"Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.5.1 onder c voor het permanent of tijdelijk bewonen van de gronden, mits er sprake is van een goed woon- en leefklimaat"."6.2.    Het plangebied ligt in een concentratiegebied als bedoeld in artikel 1 van de Wgv en zal na verwezenlijking van de woningbouw gaan behoren tot de bebouwde kom.    Bij besluit van 28 juni 2008 heeft de raad een geurverordening als bedoeld in artikel 6 van de Wgv vastgesteld. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wgv en in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Wgv is het mogelijk om bij gemeentelijke verordening van de Wgv afwijkende geurnormen vast te stellen. De raad heeft hier gebruik van gemaakt. Op grond van artikel 3 van de Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Helmond (hierna: de geurverordening) bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij voor zover de voor geurgevoelige objecten in het gebied zich bevinden binnen plangebied "Brandevoort II" 8 ouE/m3.6.3.    Bij de voorbereiding van het plan is onderzocht of in het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vanwege geur en is een geuronderzoek uitgevoerd door Bergs Advies B.V. De resultaten hiervan zijn opgenomen in het rapport "Geurrapportage Ontwerp Bestemmingsplan Brandevoort II-herz. Hazenwink&-Liverdonk" van 24 augustus 2018. In dit geurrapport is vastgesteld dat de geurcontour van 8 ouE/m3 vanwege de varkenshouderij van [appellante sub 2] en anderen aan de [locatie 3]-[locatie 4] in de gemeente Geldrop-Mierlo reikt over een klein deel van het plangebied in het zuidwestelijke puntje van het noordelijke deelgebied Liverdonk. Aan deze gronden is op de verbeelding de aanduiding "milieuzone-geurzone" toegekend en deze gronden mogen ingevolge de planregels niet worden gebruikt voor bewoning. Op gronden met een belasting tot 8 ouE/m3 of lager is bewoning mogelijk. Zoals [appellante sub 2] en anderen hebben aangevoerd wordt een belasting van 8 ouE/m3 op grond van de "Handreiking bij de Wgv" (Infomil, mei 2007) weliswaar gekwalificeerd als matig en leidt dit tot 17% geurgehinderden, maar niet is gebleken dat deze hinder, als die zich al voordoet onaanvaardbaar is, ook gelet op de situering in een gebied grenzend aan het buitengebied. Hetgeen omtrent het aantal geurgehinderden is aangevoerd geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat ter plaatse van de nieuwe woningen geen goed woon- en leefklimaat zal kunnen worden gegarandeerd. Het betoog faalt.6.4.    Wat betreft de omvang van de op de verbeelding opgenomen geurzone rond de gronden van de varkenshouderij van [appellante sub 2] en anderen overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft onderkend dat hij bij het vaststellen van het gebied waaraan de aanduiding "milieuzone-geurzone" is toegekend, is uitgegaan van de buitenste onderste rand van de oranje lijn waarmee de contour is gemarkeerd in het rapport van Bergs Advies en niet van het midden van deze lijn zoals [appellante sub 2] en anderen bepleiten. Vast staat dat indien het midden van de lijn op de verbeelding zou zijn geprojecteerd de geurcontour een grotere oppervlakte zou beslaan. [appellante sub 2] en anderen hebben aan de hand van visualisaties van Bergs Advies van de geurcontour die zijn ingeladen in een geografisch informatiesysteem inzichtelijk gemaakt dat de geurzone behorende bij de varkenshouderij begrensd wordt door het midden van de oranje lijn die is opgenomen in het rapport van Bergs Advies van 24 augustus 2018. De raad heeft dit niet ontkracht, ook niet met het nader ingebrachte stuk van 6 december 2019. Gelet hierop is op de verbeelding een onjuiste geurcontour geprojecteerd. Het betoog slaagt.6.5.    Wat betreft artikel 3, lid 3.5.1, onder c, van de planregels overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 1 van de Wgv, voor zover hier van belang, wordt in deze wet onder een geurgevoelig object verstaan een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Voor zover [appellante sub 2] en anderen een bouwverbod in plaats van een gebruiksverbod wensen voor het oprichten van geurgevoelige objecten overweegt de Afdeling dat de raad met het gebruiksverbod heeft kunnen volstaan omdat daarmee is geborgd dat het gebruik als zodanig niet mogelijk is. Wat betreft het betoog dat het gebruiksverbod onvolledig is, moet worden vastgesteld dat gelet op de definitie van geurgevoelig object in de Wgv niet uitsluitend gebouwen die permanent of tijdelijk worden bewoond als geurgevoelig object dienen te worden aangemerkt, maar ook gebouwen die blijkens aard, indeling en inrichting geschikt zijn om te worden gebruikt voor menselijk verblijf en die daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt. Dat is dus ruimer dan alleen ‘woningen’. Gelet op de bouwmogelijkheden op de gronden binnen de geurzone heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling door alleen het gebruik van woningen te verbieden onvoldoende geborgd dat er binnen de geurzone geen geurgevoelige objecten anders dan woningen in gebruik worden genomen en als zodanig worden gebruikt die kunnen leiden tot een beperking van de bedrijfsvoering van [appellante sub 2] en anderen. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling het bestreden besluit in zoverre in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.6.6.    Wat betreft de afwijkingsmogelijkheid in artikel 3, lid 3.5.2, onder a, van de planregels overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro in een bestemmingsplan kan worden bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bij het plan aan te geven regels. Met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro kan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid worden gegeven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken.Met een afwijkingsbevoegdheid mag de bestemming niet worden gewijzigd. Daarvoor is de wijzigingsbevoegdheid bedoeld. Naar het oordeel van de Afdeling kan door toepassing te geven aan de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.5.2, onder a, van de planregels de invulling van de bestemming worden gewijzigd omdat er dan ook binnen de aanduiding "milieuzone-geurzone" mag worden gewoond. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat artikel 3, lid 3.5.2, onder a, van de planregels is vastgesteld in strijd met artikel 3.6, eerste lid, sub c, van de Wro. Het betoog slaagt.Luchtkwaliteit7.    [appellante sub 2] en anderen betogen dat er ten onrechte geen beoordeling is gemaakt met betrekking tot luchtkwaliteit en hoeveelheid fijnstof.7.1.    Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer gelezen in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder c, kan een bestemmingsplan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het plan niet leidt tot het overschrijden van een in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde of dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in die bijlage een grenswaarde is opgenomen.7.2.    Artikel 5.16, vierde lid, luidt: "Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het in betekenende mate bijdragen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, waaronder begrepen het aanwijzen van categorieën van gevallen die in ieder geval al dan niet in betekenende mate bijdragen in de daar bedoelde zin."7.3.    Hieraan is uitvoering gegeven in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). In artikel 2, eerste lid, van dat Besluit is in dit verband een grens van 3% opgenomen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof/zwevende deeltjes tot 10 micrometer (PM10).7.4.    Bijlage 2 bij de Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor onder meer NO2 en PM10 en voor fijnstof/zwevende deeltjes specifiek tot 2,5 micrometer (PM2,5).7.5.    De raad heeft in de plantoelichting geconcludeerd dat de concentraties van NO2 en PM10 niet in betekenende mate toenemen als gevolg van het plan en dat wordt voldaan aan de grenswaarden zoals die gelden. Hiervoor heeft de raad ook nog aanvullend gewezen op de aanmeldingsnotitie behorende bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling, waarin het aspect luchthinder is behandeld en is vastgesteld dat stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM1O) aan de geldende grenswaarden voldoen.7.6.    Gelet op het voorgaande is aannemelijk dat het plan niet leidt tot het overschrijden van de in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer genoemde grenswaarden. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er wat betreft het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor het vaststellen van het bestemmingsplan. Het betoog faalt.Beroep [appellant sub 1]Aanvaardbaarheid woningbouw nabij perceel [appellant sub 1]8.    [appellant sub 1] betoogt dat de wijk Hazenwinkel op een te korte afstand van zijn gronden aan de [locatie 1] komt te liggen en dat ten onrechte niet een afstand van 100 m is aangehouden. Voor het deelgebied in Liverdonk diende in 2013 nog een afstand van 100 m tot het bouwblok van [appellant sub 1] in acht te worden genomen. Hij stelt dat hij op de gronden rond zijn woning 30 schapen en 25 konijnen houdt en dat die geuroverlast veroorzaken. Hij vreest door de woningen beperkt te worden om activiteiten te ontplooien met deze dieren omdat bewoners in de omgeving daarvan hinder ondervinden. Daarnaast vreest hij voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat omdat het plan leidt tot een verslechtering van zijn uitzicht. [appellant sub 1] wijst ook op een planschadeprocedure.8.1.    De raad stelt dat er vanwege het hobbymatig gebruik van de dieren aan de [locatie 1] geen vaste afstanden voor geur gelden. Desondanks is een geurberekening opgesteld waaruit blijkt dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen als gevolg van de hobbymatige activiteiten goed tot redelijk goed is.8.2.    Ingevolge artikel 3.111, eerste lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit milieubeheer) zijn de artikelen 3.112 tot en met 3.129 van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren en het bereiden van brijvoer voor landbouwhuisdieren die binnen de inrichting worden gehouden voor zover de verwerkingscapaciteit ten hoogste 4.000 ton per jaar bedraagt voor het bereiden van brijvoer met plantaardige bijvoedermiddelen.Ingevolge het tweede lid zijn de artikelen 3.113 tot en met 3.126 niet van toepassing op:a. inrichtingen waar minder dan 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden; b. kinderboerderijen.    Ingevolge artikel 3.117, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer vindt het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren zonder geuremissiefactor niet plaats, indien binnen de inrichting de afstand tussen enig dierenverblijf waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden en een geurgevoelig object, na de oprichting, uitbreiding of wijziging:a. minder dan 100 meter bedraagt, indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, ofb. minder dan 50 meter bedraagt, indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.8.3.    Voor schapen is in de Regeling geurhinder en veehouderij een geuremissiefactor vastgesteld en geldt geen vaste afstand voor geur. Voor konijnen is in de Regeling geurhinder en veehouderijen geen geuremissiefactor vastgesteld. Nu op grond van de geurverordening op de gronden in het plan niet een andere afstand van toepassing is, dient op grond van artikel 3.117, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer tussen een dierenverblijf met dieren zonder geuremissiefactor en een woning in dit geval een afstand van minimaal 100 m te worden aangehouden mits het om een inrichting gaat in de zin van het Activiteitenbesluit.8.4.    Indien tussen de inrichting en een geurgevoelig object de in het Activiteitenbesluit genoemde afstand wordt aangehouden, mag in beginsel worden aangenomen dat bij het geurgevoelig object een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Indien tussen de inrichting en een geurgevoelig object niet de in het Activiteitenbesluit genoemde afstand wordt aangehouden, mag dit niet zonder meer worden aangenomen. In een dergelijk geval dient door de raad te worden gemotiveerd waarom ter plaatse van het geurgevoelig object niettemin een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.8.5.    Voor de gronden van [appellant sub 1] aan de [locatie 1] is op 30 juli 1991 een revisievergunning op basis van de Wet milieubeheer toegekend voor het houden van 30 schapen en 25 konijnen. Sinds 1 januari 2013 is het hier aan de orde zijnde onderdeel van het Activiteitenbesluit van toepassing. Met de komst van het Activiteitenbesluit is door het bevoegde gezag de vergunning aangemerkt als melding. Op de gronden van [appellant sub 1] rust ingevolge het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Gelderop-Mierlo" een woonbestemming met een specifieke aanduiding "voormalig agrarisch bedrijf". Ook rust op een naastgelegen strook met een agrarische bestemming de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-veldschuur". Op de gronden van [appellant sub 1] zijn stallen aanwezig die kunnen worden gebruikt als dierenverblijf.8.6.    De Afdeling stelt vast dat de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant in opdracht van de gemeente heeft vastgesteld dat er 23 tot 31 schapen op de gronden worden gehouden. Bij een bedrijfsbezoek door de Omgevingsdienst op 5 april 2019 bleek dat op dat moment 29 schapen werden gehouden. Tevens is geconstateerd dat de stal voor de konijnen is gerenoveerd, waarbij de stalinrichting is verwijderd. Het gebouw is niet meer in gebruik voor het huisvesten van konijnen, aldus de Omgevingsdienst. [appellant sub 1] heeft daartegenover gesteld dat de stal voor konijnen inderdaad is gerenoveerd, maar dat het houden van konijnen nog steeds mogelijk is en ook is hervat. Er is niet gebleken dat [appellant sub 1] een melding heeft gedaan dat de inrichting is gewijzigd doordat niet langer konijnen worden gehouden. Niet is gebleken van een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie of van bedrijfsmatige commerciële activiteiten. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat moet worden gesproken van een bedrijfsmatige activiteit. Gelet op het soort en het aantal gehouden dieren, de wijze waarop deze dieren gehuisvest zijn dan wel kunnen worden gehuisvest en er een zekere continuïteit bestaat van de verrichte activiteiten, te weten het houden van dieren, is de Afdeling van oordeel dat in dit geval wel sprake is van een bedrijvigheid in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was. Daaraan doet niet af dat [appellant sub 1] ter zitting niet heeft bestreden dat de activiteiten hobbymatig plaatsvinden. Vanwege het houden van konijnen moet derhalve worden uitgegaan van een inrichting waarvoor vaste afstanden gelden. Op de gronden van [appellant sub 1] kunnen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-veldschuur" konijnen worden gehouden. Deze aanduiding is gelegen op een afstand van minder dan 50 m tot een plandeel met een woonbestemming in deelgebied Hazenwinkel. De afstand van 100 m is derhalve niet in acht genomen. Het betoog slaagt.8.7.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat uit geurberekeningen is gebleken dat ook met het plaatsvinden van de activiteiten door [appellant sub 1] op de in het plan gehanteerde afstand een goed tot redelijk goed woon- en leefklimaat bij de in het plan voorziene woningen kan worden gegarandeerd. Daarbij is de raad uitgegaan van slechts een zeer geringe dierbezetting in de open lucht. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen behoeft dit standpunt geen nadere bespreking.8.8.    Over het betoog van [appellant sub 1] dat zijn uitzicht door de woningen zal worden aangetast, overweegt de Afdeling dat de gronden die aan zijn perceel grenzen thans onbebouwd zijn. Gelet hierop valt niet uit te sluiten dat het bouwen van woningen op de gronden zal leiden tot enige aantasting van het uitzicht van [appellant sub 1]. Aan een geldend plan kunnen echter in het algemene geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Hieruit volgt dat [appellant sub 1] geen aanspraak kan maken op een blijvend vrij uitzicht. De woning van [appellant sub 1] ligt voorts op een afstand van ruim 90 m van het dichtstbijzijnde zuidelijke bestemmingsvlak in Hazenwinkel met de bestemming "Wonen". Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitzicht van [appellant sub 1] niet onevenredig zal worden aangetast. Het betoog faalt.Hoogspanningsleiding9.    [appellant sub 1] betoogt dat het plan niet had kunnen worden vastgesteld zonder de zone ten noorden van Hazenwinkel waar de hoogspanningsleiding staat in het plangebied op te nemen. Hij wijst erop dat plannen bestaan om de hoogspanningsleiding ondergronds te brengen maar dat onduidelijk is of dat ook mogelijk is. Ook is onduidelijk waar het opstijgpunt komt en wat de gevolgen daarvan zijn in verband met straling. Hij vreest aantasting van zijn woon- en leefklimaat en gezondheidsrisico's voor zijn gezin.9.1.    De Afdeling stelt vast dat de gronden waarop de hoogspanningsleiding staat niet in het plangebied liggen, maar in het bestemmingsplan "Brandevoort II" en het uitwerkingsplan "Brandevoort II-Liverdonk Oost I" uit 2015.9.2.    De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een zo nauwe ruimtelijke samenhang bestaat tussen het plangebied met de daarin door het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling enerzijds en de gronden met de hoogspanningsleiding dat de raad daarom deze laatste gronden ook in het plan had moeten betrekken. Overigens heeft de raad gesteld dat er nog geen concrete plannen zijn om de leiding ondergronds aan te leggen. Het betoog faalt.Waardevermindering10.    Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1] dat het plan een nadelige invloed heeft op de waarde van zijn gronden en woning, overweegt de Afdeling dat er geen grond bestaat voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt.Conclusie11.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de gebreken in het besluit van 5 februari 2019 binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.11.1.    De raad dient daartoe:- met inachtneming van hetgeen onder 6.4 en 6.5 is overwogen over het beroep van [appellante sub 2] en anderen een passende regeling op te nemen voor de geurcontour op de verbeelding en voor artikel 3, lid 3.5.1, onder c, van de planregels;- met in achtneming van hetgeen onder 8.6. is overwogen over het beroep van [appellant sub 1] alsnog nader te motiveren waarom ook bij een afstand van minder dan 100 meter sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene geurgevoelige objecten, dan wel een andere planregeling vast te stellen.12.    In de einduitspraak zal de Afdeling artikel 3, lid 3.5.2, onder a, van de planregels gelet op hetgeen is overwogen in overweging 6.6 vernietigen.13.    Bij het nemen van een ander besluit hoeft de raad geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd.14.    Voor [appellante sub 2] en anderen en [appellant sub 1] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    draagt de raad van de gemeente Helmond naar aanleiding van het beroep van [appellante sub 2] en anderen en van [appellant sub 1] op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak- de onder 11 genoemde gebreken te herstellen met inachtneming van hetgeen over die gebreken in deze uitspraak is overwogen, en- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en het gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2020224.