Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:845

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 25-03-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 25-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:845, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201904960/1/R2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:845:DOC

201904960/1/R2.Datum uitspraak: 25 maart 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Vessem, gemeente Eersel,appellanten,tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 28 mei 2019 in zaak nrs. 19/1153, 19/1154, 19/1211 en 19/1382 in het geding tussen:[appellant A] en [appellant B]enhet college van burgemeester en wethouders van Eersel.ProcesverloopBij besluit van 13 november 2018 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning op het perceel [locatie 1] in Vessem (hierna: het perceel).Bij besluit van 24 april 2019 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 13 november 2018 in stand gelaten.Bij uitspraak van 28 mei 2019 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het besluit van 24 april 2019 vernietigd, het bezwaar van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 13 november 2018 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 24 april 2019. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.[vergunninghouder] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.[vergunninghouder] heeft nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2020, waar [appellant A], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. C.W.M. van Alphen, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    Het college heeft [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning op het perceel. [appellant A] en [appellant B] wonen op het perceel [locatie 2] in Vessem. Zij vrezen dat de bouw van de woning leidt tot een verslechtering van hun woon- en leefklimaat en ten koste gaat van het cultuurhistorische geheel waarvan zowel het perceel als hun eigen perceel deel uitmaakt.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, overwogen dat [appellant A] en [appellant B] niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning, omdat hun woning is gelegen op een afstand van minimaal 200 m van het perceel en zij daarop geen direct zicht hebben.Beoordeling van het hoger beroep2.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Volgens hen heeft de rechtbank in haar beoordeling ten onrechte alleen het afstands- en zichtcriterium toegepast en niet meegewogen dat de bouw van de woning afbreuk doet aan de cultuurhistorische -, archeologische - en natuurwaarden van hun woonomgeving in het gehucht Donk. [appellant A] en [appellant B] stellen dat zij zich actief inzetten voor het behoud van het karakter van Donk en lid zijn van de Stichting Brabantse Boerderijen. Ter zitting van de Afdeling is hierop aangevuld dat de structuur met bebouwing aan één zijde van de weg kenmerkend is voor de cultuurhistorische waarde van kransakkerdorpen zoals het gehucht Donk en dat deze structuur als gevolg van het bouwplan wordt aangetast. Zij voeren verder aan dat de bouw van de woning tot gevolg zal hebben dat de waarde van hun eigen woning vermindert.2.1.    Ingevolge artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan, degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.2.2.    Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te kunnen worden aangemerkt, moet een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar belang bij het besluit hebben.    Het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de activiteit, in beginsel belanghebbende is bij de vaststelling van dat besluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271) dient het criterium "gevolgen van enige betekenis" als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.2.3.    Hetgeen [appellant A] en [appellant B] aanvoeren, geeft geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat zij wonen op een afstand van minimaal 200 m van het perceel en daarop vanuit hun woning noch vanaf hun perceel zicht hebben. Dat [appellant A] en [appellant B] zich actief inzetten voor het behoud van archeologische en historische waarden in de omgeving van hun woning, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat een sterk gevoel van betrokkenheid niet voldoende is om te kunnen spreken van een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang. Hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd over de cultuurhistorische waarden van het kransakkerdorp en de aantasting van dit 'ensemble' door het bouwplan maakt dat niet dat zij daardoor een voldoende objectief bepaalbaar belang bij het betrokken besluit hebben. Dat de vergunde woning volgens [appellant A] en [appellant B] zou leiden tot een waardedaling van hun woning, is, wat daarvan zij, onder deze omstandigheden niet voldoende voor een ander oordeel.    Het betoog faalt. Gelet hierop komt de Afdeling niet toe aan een bespreking van hetgeen [appellant A] en [appellant B] voor het overige hebben aangevoerd.Conclusie3.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duifhuizen, griffier.Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2020724.