Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:75

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-01-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 15-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:75, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201802998/2/R3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:75:DOC

201802998/2/R3.Datum uitspraak: 15 januari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:[appellante], gevestigd te Dordrecht, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante]),ende raad van de gemeente Dordrecht,verweerder.ProcesverloopBij tussenuitspraak van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2474, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van die uitspraak met inachtneming van rechtsoverweging 18 het daar omschreven gebrek in het besluit van de raad van 20 februari 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Zuidrand van Dubbeldam" te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad het besluit van 20 februari 2018 gewijzigd bij besluit van 24 september 2019.[appellante] heeft een zienswijze naar voren gebracht.De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.OverwegingenTussenuitspraak1.    De Afdeling heeft in de hiervoor genoemde tussenuitspraak overwogen dat nu met het bestreden plan de woningbouw van het plan "Belthure Park en omgeving" niet langer mogelijk wordt gemaakt, de raad, gelet op de eerdere uitlatingen van [appellante] over de bouw en het gebruik van de derde loods, ten onrechte heeft aangenomen dat [appellante] het gebruik van de feitelijk reeds opgerichte derde loods hooguit op tijdelijke basis wilde voortzetten en dat deze derde loods reeds daarom niet als zodanig bestemd hoeft te worden. De Afdeling heeft in aansluiting daarop overwogen dat naar haar oordeel ten tijde van de vaststelling van het plan sprake was van een voldoende concreet en tijdig kenbaar gemaakt initiatief. De raad had daarom moeten beoordelen of de derde loods op het perceel [locatie] al dan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Nu hij dit heeft nagelaten, is het bestreden plan in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet zorgvuldig voorbereid.2.    Vervolgens heeft de Afdeling in de tussenuitspraak de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak te beoordelen of de derde loods op het perceel [locatie] al dan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en in het licht van de uitkomst van die beoordeling de aanduiding "maximum bebouwingsoppervlakte (%) = 10" die is toegekend aan het perceel [locatie], al dan niet aan te passen.Het besluit van 20 februari 20183.    Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellante] tegen het besluit van de raad van 20 februari 2018 gegrond en dient dat besluit te worden vernietigd voor zover het betreft de aanduiding "maximum bebouwingspercentage (%) = 10" voor het perceel  [locatie].Het besluit van 24 september 20194.    Bij besluit van 24 september 2019 heeft de raad het besluit van 20 februari 2018 gewijzigd door op de verbeelding ter plaatse van de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - loonwerkbedrijf" het maximumbebouwingspercentage te verhogen van 10% naar 12%. Dit besluit is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van het geding.5.    De raad heeft over deze wijziging in het besluit opgemerkt dat naar aanleiding van de overwegingen in de tussenuitspraak over de derde loods op het perceel [locatie] een nieuwe beoordeling nodig is of deze loods al dan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. Volgens de raad is deze loods gezien de situering, hoogte en bedrijfsmatige noodzaak ervan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en bestaat dan ook aanleiding om het maximumbebouwingspercentage ter plaatse van de gronden met de bestemming "Bedrijf en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - loonwerkbedrijf' te verhogen van 10% naar 12%.Zienswijze van [appellante] over besluit van 24 september 20196.    [appellante] stelt dat zij ook met de verhoging van het maximumbebouwingspercentage naar 12% vrijwel geen enkele uitbreidingsmogelijkheid heeft op haar bouwperceel. Zij verwijst daarvoor naar de mail van 6 oktober 2019 die bij de zienswijze is gevoegd. Volgens [appellante] verdient het aanbeveling dat de raad ter voorkoming van nieuwe bestemmingsplanprocedures bij de eerstvolgende aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen, in dit bestemmingsplan al meer bouwmogelijkheden voor haar bedrijf biedt. Zij stelt daarom voor een maximumbebouwingspercentage van 15% in het plan op te nemen. Volgens [appellante] kon het de raad bekend zijn dat zij meer wilde dan het legaliseren van de derde loods, nu in het beroepschrift is vermeld dat "door de inperking van het bouwvlak geen enkele uitbreiding van de bestaande bebouwing meer mogelijk is. In het nieuwe bestemmingsplan is ongeveer de helft van het perceel B 2830 ter grootte van ongeveer 1 hectare bestemd voor de specifieke bedrijfsbestemming met daarop toegestaan 10% bebouwing, overeenkomend met ca. 1.000 m2. Echter bij elkaar opgeteld bedraagt de huidige loods-oppervlakte al 1230 m2 bebouwd zonder de woning."6.1.     In de zienswijze is verwezen naar de mail van 6 oktober 2019 van [directeur van appellante] aan zijn gemachtigde die bij de zienswijze is gevoegd. Uit deze mail volgt dat met een maximumbebouwingspercentage van 12% de bestaande bebouwing op het perceel [locatie], waaronder de zogenoemde derde loods, als zodanig is bestemd. Uit de mail volgt ook dat dit maximumbebouwingspercentage het mogelijk maakt om de bestaande bebouwing nog met 100 m2 uit te breiden. Nu niet is geschil is dat de derde loods met dit maximumbebouwingspercentage van 12% alsnog als zodanig is bestemd, stelt de Afdeling vast dat de raad heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak.6.2.    Voor zover [appellante] betoogt dat het de raad vanwege de hierboven weergegeven inhoud van haar beroepschrift bekend kon zijn dat zij binnen het toegekende bouwvlak bebouwingsmogelijkheden wilde voor meer dan alleen de bestaande bebouwing, waaronder de zogenoemde derde loods, overweegt de Afdeling dat dit niet volgt uit de hierboven weergegeven inhoud van het beroepschrift of hetgeen daarin verder naar voren is gebracht. Overigens is [appellante] niet op de zitting bij de Afdeling van 16 mei 2019 verschenen om haar beroep nader toe te lichten.De Afdeling is onder 17.5 van de tussenuitspraak wel ingegaan op vergroting van het toegekende bouwvlak, maar dit betoog heeft niet geleid tot een opdracht aan de raad in de tussenuitspraak. De Afdeling is naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd in de tussenuitspraak onder 17.4 ingegaan op het maximumbebouwingspercentage van 10% en de feitelijk bestaande bebouwing binnen het toegekende bouwvlak. Dit heeft geleid tot de opdracht in de tussenuitspraak, waaraan de raad, zoals hiervoor onder 6.1 is overwogen, heeft voldaan.Gelet op het vorenstaande was de raad niet gehouden om in het besluit van 24 september 2019 meer te doen dan hij heeft gedaan.Het betoog faalt.Conclusie7.    Gelet op het vorenstaande is het beroep tegen het besluit van 24 september 2019 ongegrond.Proceskosten8.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het beroep tegen het besluit van 20 februari 2018 gegrond;II.    vernietigt het besluit van 20 februari 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Zuidrand van Dubbeldam", voor zover het betreft de aanduiding "maximum bebouwingspercentage (%) = 10" voor het perceel [locatie];III.    verklaart het beroep tegen het besluit van 24 september 2019 ongegrond;IV.    gelast dat de raad van de gemeente Dordrecht aan [appellante] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.w.g. Uylenburg    w.g. Lapvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 15 januari 2020288.