Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:68

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-01-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 15-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:68, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201903554/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:68:DOC

201903554/1/A1.Datum uitspraak: 15 januari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te Aalten,tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 maart 2019 in zaak nr. 18/3068 in het geding tussen:[appellant]enhet college van burgemeester en wethouders van Aalten.ProcesverloopBij besluit van 11 december 2012 heeft het college [belanghebbende] onder oplegging van een dwangsom gelast 2000 m³ van de in totaal 7000 m³ aangevoerde hoeveelheid grond op het perceel [locatie] te Aalten af te voeren.Bij besluit van 25 april 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en besloten geen nieuw handhavingsbesluit te nemen.Bij uitspraak van 29 maart 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.Het college heeft nog nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2019, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H.R.J. Visser, is verschenen.OverwegingenInleiding1.    Dit geschil heeft een lange voorgeschiedenis. Na diverse uitspraken van de rechtbank en de Afdeling heeft het college bij besluit van 25 april 2018 voor de vierde keer beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 11 december 2012, waarbij aan [belanghebbende] een last onder dwangsom is opgelegd.    Tussen partijen bestaat een langlopend conflict over een aarden wal op het perceel van [belanghebbende]. [belanghebbende] stelt de aarden wal te hebben aangelegd om hinder van het naastgelegen pluimveebedrijf van [appellant] tegen te gaan. [appellant] heeft het college verzocht om handhavend tegen de wal op te treden. Volgens [appellant] heeft de wal negatieve gevolgen voor zijn bedrijf.2.    Het college heeft op 16 september 2010 een vergunning verleend voor het aanleggen van een aarden wal op het perceel van [belanghebbende]. Bij besluit van 3 augustus 2016 heeft het college, naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van 31 mei 2016, aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een grondwal op het perceel. Deze omgevingsvergunning staat in rechte vast. Bij besluit van 23 augustus 2016 heeft het college op verzoek van [belanghebbende] de aanlegvergunning uit 2010 ingetrokken. De hiervoor onder 1 bedoelde procedures bij de rechtbank en de Afdeling gingen over de vraag of de aarden wal in strijd met de aanlegvergunning van 16 september 2010 was aangelegd en of het college om die reden handhavend moest optreden tegen de wal.    De onderhavige procedure is het vervolg op de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:304. In die uitspraak heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank van 17 februari 2017 vernietigd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde hiervoor vermelde besluit van 23 augustus 2016 in stand zijn gelaten, en heeft zij ook de besluiten van 2 februari 2016 en 24 maart 2016, die tezamen als besluit op het bezwaar van [appellant] zijn aangemerkt, vernietigd. De Afdeling heeft het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen. Daarbij zal het college moeten bezien of dat bezwaar aanleiding geeft om een handhavingsbesluit te nemen in aanvulling op het inmiddels ingezette handhavingstraject. De Afdeling wijst er in dat verband op dat in deze procedure thans alleen nog maar de afwijking van de wal ten opzichte van de verleende vergunning aan de orde is.3.    Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het college het besluit op bezwaar van 25 april 2018 genomen. Het college heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat het besluit van 23 augustus 2016 tot intrekking van de aanlegvergunning uit 2010 onherroepelijk is en dat dit ook geldt voor de in het besluit op bezwaar van 13 december 2016 gehandhaafde nieuwe omgevingsvergunning van 3 augustus 2016 voor het aanleggen van de aarden wal. Voor zover de op het perceel aanwezige aarden wal op het perceel niet voldoet aan deze nieuwe omgevingsvergunning, heeft het college een handhavingstraject ingezet dat heeft geresulteerd in het besluit van 25 juli 2017 tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Nu de aanlegvergunning uit 2010 niet meer bestaat, en het handhavingsverzoek aldus ziet op een niet meer actuele situatie, ziet het college geen aanleiding om in aanvulling op het lopende handhavingstraject een besluit op het handhavingsverzoek van [appellant] te nemen.    De rechtbank heeft overwogen dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien om een afzonderlijk handhavingsbesluit te nemen gericht op uitvoering van de voorschriften van de aanlegvergunning van 16 september 2010, aangezien die vergunning is ingetrokken en hieraan geen betekenis meer toekomt.Beoordeling van het hoger beroep4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aanlegvergunning uit 2010 is ingetrokken. Hiertoe voert hij aan dat als gevolg van de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2018 het intrekkingsbesluit van 23 augustus 2016 is vernietigd en de rechtsgevolgen niet in stand zijn gebleven. Dat betekent dat de aanlegvergunning uit 2010 nog steeds bestaat en de rechtbank ten onrechte niet is toegekomen aan bespreking van de overige beroepsgronden. [appellant] wijst er in dit verband op dat het ophogen van grond in strijd is met het bestemmingsplan en dat ondanks de nieuwe omgevingsvergunning van 3 augustus 2016 nog steeds sprake is van een illegale situatie waartegen handhavend moet worden opgetreden.4.1.    [appellant] betoogt terecht dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat de aanlegvergunning uit 2010 is ingetrokken. Door de vernietiging van het intrekkingsbesluit van 23 augustus 2016 is de aanlegvergunning uit 2010 weer herleefd. De Afdeling volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat uit de aanvraag van [belanghebbende] van 31 mei 2016 en het verlenen van de omgevingsvergunning van 3 augustus 2016 voortvloeit dat de eerdere aanlegvergunning uit 2010 is ingetrokken. Een besluit kan alleen worden ingetrokken met een daartoe strekkend besluit, zoals het college ook heeft gedaan met het later vernietigde besluit van 23 augustus 2016. De feitelijke mededeling in het besluit op bezwaar van 25 april 2018 dat het intrekkingsbesluit van 23 augustus 2016 onherroepelijk is en de vergunning uit 2010 niet meer bestaat, kan niet worden aangemerkt als een intrekkingsbesluit, zoals het college ter zitting van de Afdeling naar voren heeft gebracht.    Dat de aanlegvergunning uit 2010 nog bestaat, leidt in dit geval evenwel niet tot het oordeel dat het college gehouden is om tot handhaving over te gaan door [belanghebbende] te gelasten om de aarden wal overeenkomstig die aanlegvergunning aan te leggen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college voor de op het perceel gerealiseerde wal bij besluit van 3 augustus 2016 een nieuwe omgevingsvergunning heeft verleend en het voor de naleving van de aan die vergunning verbonden voorschriften inmiddels een handhavingstraject heeft ingezet. In de aanvraag om deze omgevingsvergunning tot legalisering van de feitelijk aangelegde wal heeft [belanghebbende] het college ook verzocht om de aanlegvergunning uit 2010 in te trekken, zodra de nieuwe vergunning aan hem zou worden verleend. Nu de in 2010 vergunde wal nooit is gerealiseerd en uit de aanvraag van 31 mei 2016 blijkt dat [belanghebbende] ook niet de bedoeling heeft om gebruik te maken van de aanlegvergunning uit 2010, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat het geen meerwaarde heeft om over te gaan tot handhaving van de aanlegvergunning uit 2010. Dat betekent dat de rechtbank in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen grond heeft gezien voor het oordeel dat het college had moeten overgaan tot handhaving van de aan deze aanlegvergunning verbonden voorschriften.    De Afdeling heeft in de uitspraak van 31 januari 2018 overwogen dat na haar uitspraak van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1524, in deze procedure alleen nog aan de orde is of de wal in afwijking van de daarvoor verleende vergunning aanwezig is. De rechtbank is dan ook terecht niet toegekomen aan de beoordeling van de vraag of het ophogen van grond in strijd is met het bestemmingsplan.    Het betoog faalt.5.    [appellant] betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij besluit van 7 december 2018 de aan de last onder bestuursdwang verbonden begunstigingstermijn ongemotiveerd heeft gewijzigd en dat niet duidelijk is tot wanneer die termijn loopt. Het besluit van 7 december 2018 strekt tot wijziging van de begunstigingstermijn van de bij besluit van 25 juli 2017 opgelegde last onder bestuursdwang tot naleving van de voorschriften van de omgevingsvergunning van 3 augustus 2016. Dat handhavingsbesluit is in deze procedure niet aan de orde en de rechtbank is hieraan dan ook terecht voorbij gegaan.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Deenvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 15 januari 2020604.