Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:56

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-01-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:56, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201909170/2/V1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:56:DOC

201909170/2/V1.Datum uitspraak: 13 januari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,verzoeker,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 december 2019 in zaak nr. 19/4528 in het geding tussen:[de vreemdeling]ende staatssecretaris.ProcesverloopBij besluit van 24 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.Bij besluit van 29 mei 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 5 december 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft de staatssecretaris de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.Overwegingen1.    De staatssecretaris verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.2.    Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft. Daarom en gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, treft hij een voorlopige voorziening.3.    De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.BeslissingDe voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geen nieuw besluit op het gemaakte bezwaar hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.w.g. Wissels    w.g. Hanrathvoorzieningenrechter    griffierUitgesproken in het openbaar op 13 januari 2020392.