Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:449

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-02-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 12-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:449, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201904874/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:449:DOC

201904874/1/A2.Datum uitspraak: 12 februari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellante], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 mei 2019 in zaak nr. 18/5993 in het geding tussen:[appellante]ende commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: CSG).ProcesverloopBij besluit van 10 februari 2017 heeft de CSG aan [appellante] een aanvullende uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: het schadefonds) van € 1.500,00 toegekend.Bij besluit van 6 juli 2018 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 21 mei 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2020, waar de CSG, vertegenwoordigd door mr. J.C.M. van de Weerd, is verschenen.OverwegingenInleiding1.    Bij besluit van 5 december 2006 heeft de CSG aan [appellante] een uitkering uit het schadefonds voor immateriële schade toegekend van € 1.400,00, omdat zij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 15 juni 2004 slachtoffer is geworden van stelselmatig huiselijk geweld.    Bij besluit van 26 november 2013 heeft de CSG aan [appellante] een aanvullende uitkering uit het schadefonds toegekend van € 3.100,00 voor immateriële schade en van € 3.346,00 voor materiële schade, omdat [appellante] van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006 eveneens slachtoffer is geworden van seksueel misbruik.2.    Op 8 augustus 2016 heeft [appellante] wederom een aanvraag bij de CSG ingediend om een aanvullende uitkering uit het schadefonds. De CSG heeft die aanvraag bij het besluit van 10 februari 2017 ingewilligd en een aanvullende uitkering voor immateriële schade toegekend van € 1.500,00, gebaseerd op letselcategorie 6 (oud beleid). De CSG heeft daarvoor redengevend geacht dat het letsel ernstiger is dan in eerste instantie was voorzien. [appellante] wordt langer behandeld dan een jaar en zij is maanden- tot jarenlang ongeschikt voor het uitvoeren van een dagtaak. Zij komt daarom in aanmerking voor een uitkering voor immateriële schade van € 6.000,00. Nu [appellante] eerder al twee uitkeringen van in totaal € 4.500,00 voor immateriële schade heeft ontvangen, resteert een bedrag van € 1.500,00.    Bij het besluit van 6 juli 2018 heeft de CSG het besluit van 8 augustus 2016 gehandhaafd. Aan dit besluit heeft de CSG een advies van medisch adviseur M. Westra van 26 januari 2018 ten grondslag gelegd. De medisch adviseur heeft op basis van de betrokken medische gegevens geconcludeerd dat het fysiek letsel van [appellante] als gevolg van het geweldsmisdrijf ten opzichte van de eerdere beoordeling niet is verergerd. Het psychisch letsel als gevolg van het geweldsmisdrijf lijkt volgens de medisch adviseur wel verergerd. Naar het oordeel van de medisch adviseur is op de basis van de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de Letsellijst) uit 2013 letselcategorie 6 van toepassing. Op basis van de Letsellijst van 1 november 2017 acht de medisch adviseur, gelet op een complexe psychische stoornis met behoorlijke beperkingen en een langdurig behandeltraject, letselcategorie 4 passend.Aangevallen uitspraak3.    De rechtbank heeft overwogen dat op grond van het in de Beleidsbundel van 15 oktober 2014 opgenomen overgangsrecht het oude beleid op de aanvraag van toepassing is, omdat de primaire aanvraag is ingediend op 14 april 2006 en de onderhavige aanvullende aanvraag is ingediend op 11 augustus 2016. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de CSG het besluit van 6 juli 2018 heeft mogen baseren op het medisch advies. De medisch adviseur heeft het letsel volgens het oude en het nieuwe beleid beoordeeld. Zowel onder het oude als het nieuwe beleid komt de adviseur tot een letselcategorie die ziet op ernstig letsel door een zedenmisdrijf onder verzwarende omstandigheden. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd biedt geen concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan het medisch advies, aldus de rechtbank.Hoger beroep4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat haar aanvraag op basis van het nieuwe beleid had moeten worden beoordeeld, omdat toepassing van het oude beleid voor haar tot een onevenredige uitkering leidt. Zij heeft als gevolg van het stelselmatig huiselijk geweld fysiek letsel opgelopen met volledige en blijvende afhankelijkheid tot gevolg. Zij ontvangt op dit moment 24 uur per dag hulp aan huis en kan nooit meer zelfstandig functioneren. Dit was ten tijde van de eerste aanvraag nog niet duidelijk. Verder is onvoldoende rekening gehouden met het pijnsyndroom dat zij heeft opgelopen, als gevolg waarvan haar leven soms ondragelijk is. Op basis van het nieuwe beleid zou zijn in aanmerking komen voor een uitkering op grond van letselcategorie 5 of 6, aldus [appellante].4.1.     In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: de Wsg) is bepaald dat uit het schadefonds uitkeringen kunnen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.4.2.    De CSG heeft bij het nemen van beslissingen op verzoeken om uitkering als bedoeld in artikel 3 van de Wsg beslissingsruimte en heeft daaraan invulling gegeven in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de Beleidsbundel) en de Letsellijst. Deze zijn te raadplegen op de website van de CSG (www.schadefonds.nl).    Per 15 oktober 2014 is de vergoedingensystematiek in het beleid van de CSG ingrijpend gewijzigd. Tot 15 oktober 2014 verstrekte de CSG aan slachtoffers en nabestaanden afzonderlijke uitkeringen voor materiële en immateriële schade. De hoogte van de uitkering voor immateriële schade was afhankelijk van de ernst van het opgelopen letsel. Voor materiële schade werd op basis van het beleid per schadepost beoordeeld of hiervoor een uitkering werd verstrekt. Per 15 oktober 2014 werkt de CSG met all-in uitkeringsbedragen, waarin de uitkeringen voor materiële en immateriële schade zijn opgenomen. De hoogte van het all-in bedrag wordt bepaald aan de hand van de ernst van het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen en de omstandigheden waaronder het geweldsmisdrijf is gepleegd. De letselcategorieën zijn teruggebracht van 8 naar 6 categorieën en de uitkering voor materiële schade wordt niet meer per schadepost beoordeeld.    In paragraaf 4.8.2 van de Beleidsbundel van 1 mei 2018 is het overgangsrecht in het beleid van de CSG uiteengezet. Op basis van dat overgangsrecht wordt een aanvullende aanvraag behandeld op basis van het beleid dat geldt ten tijde van het indienen van die aanvullende aanvraag. Hierop geldt een uitzondering. Als de aanvullende aanvraag volgt op een primaire aanvraag die is ingediend vóór 15 oktober 2014, dan geldt het beleid van de Beleidsbundel van 18 maart 2014. Dit is het laatst geldende beleid voordat het Schadefonds ging werken met all-in uitkeringsbedragen. Een aanvullende uitkering is in die gevallen alleen nog mogelijk voor immateriële schade, omdat eerder al een schadebepaling plaatsvond en daarom de all-in uitkeringsbedragen niet van toepassing zijn. Een aanvullende aanvraag voor materiële schade is niet meer mogelijk. Ook niet als de aanvullende aanvraag volgt op een primaire aanvraag waarop beleid van voor 15 oktober 2014 is toegepast.4.3.     De keuze in het overgangsrecht in het beleid om aanvragen om een aanvullende uitkering, die volgen op een primaire aanvraag die is ingediend voor 15 oktober 2014, op basis van de Beleidsbundel van 18 maart 2014 te beoordelen, is naar het oordeel van de Afdeling gerechtvaardigd. De uitgangspunten en de systematiek van het vergoedingensysteem in het oude en het nieuwe beleid verschillen zo zeer van elkaar dat beide systemen zich niet eenvoudig in een zaak laten combineren. De Afdeling acht het oude beleid evenmin onredelijk.4.4.    De medisch adviseur heeft de aanvraag van [appellante] zowel op basis van het nieuwe als het oude beleid beoordeeld en heeft op basis van het nieuwe beleid letselcategorie 4 en op basis van het oude beleid letselcategorie 6 passend geacht. Letselcategorie 4 uit het nieuwe beleid correspondeert nagenoeg met letselcategorie 6 uit het oude beleid. Beide letselcategorieën zien op ernstig letsel door een zedenmisdrijf onder verzwarende omstandigheden. Dat [appellante] op basis van het oude beleid in totaal een bedrag van € 9.346,00 heeft ontvangen, terwijl bij letselcategorie 4 onder het nieuwe beleid een uitkering behoort van € 10.000,00, maakt niet dat de CSG het nieuwe beleid op haar aanvraag had moeten toepassen. De CSG heeft derhalve in redelijkheid het oude beleid op de aanvraag om een aanvullende uitkering van [appellante] kunnen toepassen.4.5.    Naar aanleiding van de stelling van [appellante] dat zij op basis van het nieuwe beleid in aanmerking zou komen voor een uitkering op grond van letselcategorie 5 of 6 merkt de Afdeling het volgende op. Uit overweging 4.3 volgt dat in dit geval het oude beleid mocht worden toegepast.4.6.    Het betoog faalt.Conclusie5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. B.J. Schueler, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.w.g. Schueler    w.g. Komduurlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 12 februari 2020809.