Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:434

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-02-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 12-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:434, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201902441/1/R3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:434:DOC

201902441/1/R3.Datum uitspraak: 12 februari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:[appellant], wonend te Emmen,ende raad van de gemeente Emmen,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 31 januari 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Emmen, Nijbracht (KFC)" vastgesteld.Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.De raad heeft een verweerschrift ingediend.[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2020, waar [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door I.J. Weis en P. van der Knaap, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] vertegenwoordigd door [gemachtigde] als partij gehoord.Overwegingen    Inleiding1.    Het plan maakt een nieuw fastfoodrestaurant mogelijk op een perceel aan de Nijbracht in Emmen dat nu nog onbebouwd is. Aan ongeveer de helft van het perceel is in het plan de bestemming "Horeca - 1 Fastfoodrestaurant" toegekend. Aan de rest van het plangebied is de bestemming "Groen" toegekend. Het plan is vastgesteld met het oog op een vestiging van Kentucky Fried Chicken (KFC). De ontwikkeling zal worden uitgevoerd door [belanghebbende].    Het plangebied wordt globaal begrensd door de Hondsrugweg in het westen, de brandweerkazerne in het noorden, de bedrijfsbebouwing aan de Nijbracht in het oosten en de Rondweg in het zuiden. [appellant] woont aan de [locatie] in Emmen, ten zuiden van de Rondweg. Hij heeft bezwaar tegen de vestiging van een fastfoodrestaurant in het plangebied. Ter zitting heeft [appellant] medegedeeld in het bijzonder gevolgen voor de veiligheid van een ondergrondse aardgastransportleiding, aantasting van het groen en verslechtering van zijn woon- en leefklimaat te vrezen.Ontvankelijkheid beroep2.    De raad stelt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat [appellant] geen belanghebbende is bij de vaststelling van het plan. Volgens de raad zal [appellant] geen zicht hebben op de bebouwing in het plangebied en zal hij ook verder geen gevolgen van enige betekenis ondervinden van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt.2.1.    Uit artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, volgt dat uitsluitend belanghebbenden beroep kunnen instellen tegen de vaststelling van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.2.2.    Het plan maakt de bouw van een bedrijfsgebouw met een hoogte van maximaal 6,5 m en een reclamemast met een hoogte van maximaal 14 m mogelijk. De afstand tussen de woning van [appellant] en het plangebied bedraagt ongeveer 165 m. De afstand tot de reclamemast bedraagt 184 m. Tussen het plangebied en de woning van [appellant] bevinden zich twee woningen en de Rondweg. Het plangebied ligt enkele meters hoger dan het perceel waarop de woning van [appellant] staat. De Rondweg ligt beduidend lager dan het perceel waarop de woning van [appellant] staat.2.3.    In aanmerking genomen de hogere ligging van het plangebied ten opzichte van het perceel van [appellant], het gegeven dat de Rondweg lager is gelegen en het feit dat de bebouwing in het plangebied maximaal 6,5 m mag bedragen acht de Afdeling aannemelijk dat [appellant] vanaf zijn perceel in ieder geval zicht zal hebben op de bebouwing en de reclamemast. Gelet daarop is hij belanghebbende bij het bestreden besluit. Het beroep is ontvankelijk.Toetsingskader3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.Zienswijze en kennisgeving4.    [appellant] heeft gewezen op tekortkomingen in de procedure die tot het vaststellen van het bestemmingsplan heeft geleid, in het bijzonder wat betreft het ter kennis brengen van zijn zienswijze aan de raad en de incorrecte vermelding van het adres Zuidbargerstraat 4 als vestigingsadres voor het fastfoodrestaurant in de kennisgeving.4.1.    De Afdeling ziet ten aanzien van deze gronden geen aanleiding om hierover anders te oordelen dan de voorzieningenrechter heeft gedaan in zijn uitspraak van 18 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1915, onder 4 en 5.    Het betoog faalt.Externe veiligheid5.    [appellant] betoogt dat het fastfoodrestaurant niet in het plangebied kan worden gevestigd vanwege de nabijheid van een ondergrondse aardgastransportleiding. Hij voert aan dat de veiligheidscontour van de leiding is gelegen over de gronden waarop het fastfoodrestaurant is voorzien. Ter onderbouwing verwijst hij naar een reactie in de Nota van beantwoording behorende bij het bestemmingsplan "Emmen, Brandweerkazerne" van februari 2010, over deze leiding. Ook voert hij aan dat een advies van de Gasunie ontbreekt.5.1.    Bij de voorbereiding van het plan is onderzoek gedaan naar de externe veiligheid. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het "Advies Externe Veiligheid" van de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe (RUD) van 28 september 2017 en de "Notitie verantwoording groepsrisico bestemmingsplan Emmen, Nijbracht (KFC)". In deze rapporten is ook aandacht besteed aan de ondergrondse buisleiding voor aardgas die vlakbij het plangebied en de woning van [appellant] ligt. Uit het rapport van 28 september 2017 volgt onder meer dat het fastfoodrestaurant binnen het invloedsgebied van deze buisleiding is voorzien en dat daarom is getoetst aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is berekend en verantwoord. De raad heeft op grond van de onderzoeken geconcludeerd dat er wat betreft de buisleiding geen onaanvaardbare risico’s zijn. Er wordt voldaan aan de grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico neemt niet toe.5.2.    [appellant] heeft geen concrete bezwaren naar voren gebracht tegen de uitgangspunten en/of conclusies uit de genoemde rapporten over externe veiligheid. De Afdeling ziet daarom in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de in die rapporten neergelegde bevindingen. De Afdeling kent geen doorslaggevende betekenis toe aan het door [appellant] overgelegde stuk met betrekking tot de brandweerkazerne, omdat daaruit niet blijkt dat de aannames en conclusies uit het rapport van 28 september 2017 niet juist zijn. In wat [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aspect externe veiligheid niet in de weg staat aan vaststelling van het plan.    Het betoog slaagt niet.Aantasting groen6.    [appellant] voert aan dat het groen in het plangebied wordt aangetast. Er zijn volgens hem al bomen gekapt zonder vergunning. Daarnaast stelt hij dat voor het plangebied een herplantplicht geldt. Volgens [appellant] komt weinig van herplant terecht als in het plangebied een fastfoodrestaurant wordt gevestigd. Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij in het bijzonder vreest dat op het perceel met de bestemming "Groen" parkeerplaatsen zullen worden aangelegd.6.1.    Voor zover [appellant] stelt dat er bomen worden gekapt zonder vergunning en dat de herplantplicht niet wordt nagekomen, wijst de Afdeling erop dat het in deze zaak alleen gaat om de beoordeling van de in het plan mogelijk gemaakte bouw- en gebruiksmogelijkheden in het plangebied. De vraag of een kapvergunning nodig is en de vraag of wordt voldaan aan een herplantplicht vallen buiten dit kader. De stellingen van [appellant] hierover kunnen dan ook niet inhoudelijk worden besproken.6.2.    De Afdeling stelt voorts vast dat de planregeling voor de gronden met de bestemming "Groen" parkeren niet toelaat. Artikel 3, lid 3.1, van de planregels bepaalt dat deze gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen en water, met bijbehorende andere bouwwerken, kunstwerken van artistieke aard, sport en speelgelegenheden, fiets- en voetpaden, toegangswegen, in- en uitritten en nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Zoals de raad ter zitting heeft bevestigd, omvat deze bestemming niet het aanleggen van parkeerplaatsen waarvoor [appellant] vreest.    Het betoog mist feitelijke grondslag.Aantasting woon- en leefklimaat7.    [appellant] betoogt dat een fastfoodrestaurant in het plangebied zal leiden tot aantasting van zijn woongenot. Ter zitting heeft [appellant] gesteld dat het hem in het bijzonder gaat om geluid- en lichtoverlast als ook om de aantasting van zijn uitzicht.7.1.    De raad is van oordeel dat het woon- en leefklimaat van [appellant] niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Hij heeft daarbij niet alleen gewezen op de afstand van het perceel waarop [appellant] woont en de Rondweg die is gelegen tussen die woning en het plangebied, maar ook op de oost-westoriëntatie van het perceel en de woning van [appellant], terwijl het fastfoodrestaurant is voorzien ten noorden daarvan.7.2.    De Afdeling stelt vast dat niet is uit te sluiten dat verslechtering van het woon- en leefklimaat van [appellant] kan optreden. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling die verslechtering niet onaanvaardbaar mogen achten. Zowel wat betreft eventuele geluid-, licht- als zichthinder kan er niet aan worden voorbijgegaan dat de woning van [appellant] is gelegen op ruime afstand van het plangebied, namelijk op ongeveer 165 m, dat het perceel en de woning van [appellant] worden gescheiden van het plangebied door een drukke rondweg en dat het fastfoodrestaurant is voorzien ten noorden van de oost-west georiënteerde woning van [appellant]. Onder deze omstandigheden heeft de raad in redelijkheid kunnen stellen dat de hinder van geluid en licht, alsook de aantasting van uitzicht gerelativeerd mag worden. De raad heeft in die situatie aan het belang van de realisatie van het fastfoodrestaurant meer gewicht mogen toekennen dan aan het belang van [appellant] bij een ongewijzigd woon- en leefklimaat.    Het betoog faalt.Het relativiteitsvereiste8.    Nu de betogen niet slagen, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of het relativiteitsvereiste als vervat in artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg zou hebben gestaan.Overig9.    Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid het plan in overeenstemming kunnen achten met een goede ruimtelijke ordening. Hetgeen [appellant] overigens naar voren heeft gebracht over de wijze waarop besloten is over en uitvoering is gegeven aan de reconstructie Rondweg - Hondsrugweg en de wijze waarop ook in dat verband overleg is gevoerd, doet aan die constatering niet af. De Afdeling ziet daarin dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het thans bestreden bestemmingsplan niet in stand kan blijven.10.    Voor zover [appellant] betoogt dat werkzaamheden zijn en worden verricht in het plangebied zonder vergunning, is dit een handhavingskwestie die bij de beoordeling van het plan niet aan de orde is.Conclusie en proceskosten11.    Het beroep is ongegrond.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:verklaart het beroep ongegrond.Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, griffier.w.g. Van Diepenbeek    w.g. Alderliestelid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 12 februari 2020590.