Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:428

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-02-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 12-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:428, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201901533/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:428:DOC

201901533/1/A1.Datum uitspraak: 12 februari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:1.    het college van burgemeester en wethouders van Bergen (Noord-Holland),2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],ende minister van Economische Zaken en Klimaat,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 9 januari 2019 heeft de minister ingestemd met het door TAQA Onshore BV ingediende winningsplan Bergen II.Tegen dit besluit hebben het college en [appellant sub 2] beroep ingesteld.De minister heeft een verweerschrift ingediend.[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2019, waar het college, vertegenwoordigd door Z.M. Hussain, [appellant sub 2] en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.H.M. Kraakman, mr. K.M. van Leeuwen-Gerkema en mr. H. de Vries, zijn verschenen.Voorts is ter zitting verschenen TAQA Onshore, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [gemachtigde B] en [gemachtigde C].OverwegingenInleiding1.    TAQA Onshore wint gas uit de gasvelden Bergen-Rotliegend, Groet-Rotliegend en Schermer-Platten (hierna: respectievelijk Bergen, Groet en Schermer). Zij heeft op 22 februari 2016, aangevuld op 25 september 2017, een aanvraag om instemming met het winningsplan Bergen II ingediend. Het winningsplan heeft betrekking op deze drie gasvelden, in de Mijnbouwwet voorkomens genoemd, en betreft een actualisatie van de productie. Bij het winningsplan behoort een uitgebreide seismische risicoanalyse. Het winningsplan beschrijft de laatste fase van winning uit deze sinds 1972 producerende gasvelden.2.    De minister heeft ingestemd met het winningsplan Bergen II met een looptijd van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2023 en met een maximum productievolume van 286 miljoen Nm3. Aan het instemmingsbesluit is een voorschrift verbonden over het indienen van een seismisch risicobeheersplan.3.    [appellant sub 2] woont in Groet, nabij het gasveld Groet. Hij vreest schade aan zijn woning en maakt zich verder onder meer zorgen over de mogelijke schade aan de reactor in Petten en de kernafvalopslag.Wettelijk kader4.    In artikel 34, eerste en derde lid, van de Mijnbouwwet is bepaald dat het winnen van delfstoffen vanuit een voorkomen overeenkomstig een winningsplan geschiedt en dat het winningsplan de instemming van de minister behoeft.    Artikel 36, eerste lid, bepaalt:"Onze Minister kan zijn instemming met het opgestelde winningsplan slechts geheel of gedeeltelijk weigeren:a. indien het in het winningsplan aangeduide gebied door Onze Minister niet geschikt wordt geacht voor de in het winningsplan vermelde activiteit om reden van het belang van de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan,b. in het belang van het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen,c. indien nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan, ofd. indien nadelige gevolgen voor de natuur worden veroorzaakt."Beroep van het college5.    Het college betoogt dat risico’s voor de omgeving niet kunnen worden uitgesloten en dat de minister daarom, gegeven het beleid van gestage afbouw en de omstandigheid dat de winning in het eindstadium is, instemming had moeten weigeren. Het college wijst erop dat trillingen met magnitudes tot 4 op de schaal van Richter niet uit te sluiten zijn. De minister heeft volgens het college verder onvoldoende toegelicht in hoeverre de stijve ondergrondklasse van invloed is op de sterkte van de trillingen die in Bergen en omgeving kunnen optreden. Ter zitting heeft het college daaraan nog toegevoegd dat de gevolgen van de gaswinning voor de kernreactor in Petten onvoldoende in kaart zijn gebracht.5.1.    In de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 30 mei 2018 (Kamerstukken II 2017/18, 33 529, nr. 469) is het beleid voor kleine gasvelden uiteengezet. Daarin staat dat de minister voor de kleine velden kiest voor een gestage afbouw, waarbij gas wordt gewonnen zolang en in zoverre gas nog nodig is. Volgens de brief legt het kabinet de prioriteit bij een zo snel mogelijke transitie naar duurzame energie. Zolang en in zoverre dat nodig is om tegemoet te komen aan de Nederlandse gasvraag wil het kabinet in dat kader gas winnen in eigen land, waar en voor zover dit veilig kan voor bewoners en omgeving. In het slot van de brief stelt de minister dat de inspanningen van het kabinet om de aardgasvraag zo snel mogelijk te verminderen en om, liefst spoedig en grootschalig, alternatieve energiebronnen te realiseren, na een periode van gestage afbouw zullen leiden tot een moment waarop we "van het aardgas af" kunnen. Zolang er in de tussentijd nog aardgas nodig is, wil de minister, met het herijkte kleineveldenbeleid zoals uiteengezet in de brief, de winning voortzetten waar dat veilig en verantwoord kan.     Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3738, heeft de in deze brief beoogde gestage afbouw betrekking op de aardgasvraag en de winning van aardgas in Nederland als geheel, waarbij de minister de gaswinning uit de kleine velden voorlopig juist wil voortzetten. Het instemmingsbesluit is in overeenstemming met dit beleid, mits de gaswinning uit de gasvelden waarop het winningsplan betrekking heeft veilig en verantwoord kan worden voortgezet.5.2.    In de brief van 30 mei 2018 merkt de minister over de veiligheid op dat elke gaswinning, ook uit een klein veld, bepaalde risico’s kent. De risico’s van gaswinning uit kleine velden zijn volgens de brief qua omvang en impact niet vergelijkbaar met die van de gaswinning in Groningen. De mate van bodemdaling en de kans op bodemtrillingen verschilt echter per gasveld. Indien uit de zogenoemde seismische risicoanalyse (SRA) blijkt dat de gaswinning uit een veld zou kunnen leiden tot aardbevingen, dan worden volgens de brief specifieke voorschriften aan het winningsbesluit verbonden, om het risico te minimaliseren. Het gaat dan om voorschriften op het gebied van monitoring, onderzoek en beheersmaatregelen.    In dit geval heeft de minister op advies van het Staatstoezicht op de Mijnen (hierna: SodM) en de Technische commissie bodembeweging (hierna: Tcbb) een voorschrift aan het instemmingsbesluit verbonden, waarin TAQA Onshore wordt verplicht om een seismisch risicobeheersplan in te dienen.5.3.    Het SodM heeft op 8 november 2017 advies aan de minister uitgebracht. Op basis van de door TAQA Onshore uitgevoerde SRA en de beoordeling daarvan door TNO, acht het SodM de kans op bodemtrilling reëel. Bevingen met magnitudes rond de 3 en tot 4 zijn niet ondenkbaar bij de velden Bergen en Groet. De bodem bestaat daar vooral uit stevige duingrond, die het risico op schade volgens het SodM verkleint. Niettemin kan bij deze sterktes schade aan gebouwen optreden en is het volgens het SodM nodig om goed na te denken over beheersmaatregelen. De maximale beving die bij het veld Schermer kan optreden is kleiner dan 3.0, waarmee volgens het SodM het risico op schade verwaarloosbaar is. Het SodM vindt de door TAQA Onshore voorgestelde beheersmaatregelen passend voor de risicoinschattingen en ziet geen aanleiding voor het onthouden van instemming.    De Tcbb kan zich blijkens haar advies van 11 april 2018 vinden in de beoordeling van het seismische risico door TNO en het SodM. Aangezien het risico op bodemtrillingen reëel is, kan niet worden uitgesloten dat enige schade aan gebouwen ontstaat. De Tcbb ziet geen reden om te adviseren instemming aan het winningsplan te onthouden, mits aan de instemming de voorwaarde wordt verbonden dat de door TAQA Onshore toegezegde beheersmaatregelen binnen een half jaar worden vastgelegd in een risicobeheerssysteem.    De minister stelt zich, gelet op deze adviezen, op het standpunt dat de kans op bodemtrilling reëel is, maar dat door onder meer de aanwezigheid van een stijve ondergrond bij de velden Bergen en Groet, de kans zeer gering is dat een zware beving zal ontstaan. Een kwantificering van de kans op de maximale magnitude van 4 op de schaal van Richter, zoals de Mijnraad heeft geadviseerd, vindt de minister niet zinvol, omdat dit per definitie een waarde is waarvan de kans van optreden uiterst gering is. In de Nota van antwoord is de minister naar aanleiding van een zienswijze ingegaan op de risico’s voor de reactor in Petten. Daarin is gesteld dat in de SRA een bufferzone van 5 km is aangehouden vanaf de rand van het gasveld. De reactor in Petten ligt op een afstand van meer dan 5 km van het gasveld Groet en op die afstand kunnen volgens de minister geen significante grondbewegingen worden veroorzaakt door de gaswinning.    Het betoog van het college geeft geen grond voor het oordeel dat de minister de adviezen van het SodM en de Tcbb niet heeft mogen volgen en in de risico’s van de gaswinning voor de omgeving aanleiding had moeten zien om instemming aan het winningsplan te onthouden. Daarbij merkt de Afdeling op dat de bij de SRA toegepaste leidraad "Methodiek voor risicoanalyse omtrent geïnduceerde bevingen voor gaswinning" van het SodM, een bufferzone van 5 km vanaf de rand van de velden aanhoudt. Het college heeft niet betwist dat de reactor in Petten buiten die zone ligt en heeft ook niet gesteld dat de gaswinning buiten die zone nog significante grondbewegingen kan veroorzaken.5.4.    Het betoog faalt.6.    Het college betoogt voorts dat het instemmingsbesluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat een uitgebreide analyse over laagfrequent geluid ontbreekt. In zijn advies over het winningsplan en in zijn zienswijze over het ontwerpbesluit heeft het college om zo’n analyse gevraagd.6.1.    Uit het instemmingsbesluit blijkt dat de minister geen aanleiding ziet om laagfrequent geluid te beoordelen, omdat laagfrequent geluid, als onderdeel van het totale geluid, wordt beoordeeld in het kader van de voor een mijnbouwwerk benodigde omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).6.2.    Met ingang van 1 juli 2017 kan de minister instemming met een winningsplan ook weigeren indien nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan. Deze in artikel 36, eerste lid, onder c, van de Mijnbouwwet opgenomen weigeringsgrond is destijds bij amendement aan het wetsvoorstel tot wijziging van de Mijnbouwwet toegevoegd (Kamerstukken II 2015/16, 34 348, nr. 41). Uit de toelichting bij het amendement blijkt dat de indieners bij de gevolgen voor het milieu ook het oog hadden op geluid.6.3.    Artikel 35 van de Mijnbouwwet bepaalt welke informatie een winningsplan ten minste moet bevatten en artikel 24 van het Mijnbouwbesluit stelt op dit punt nadere eisen. Geluid, of meer specifiek laagfrequent geluid door bodemtrillingen, is daarin niet vermeld als onderwerp waarover het winningsplan informatie moet bevatten. Anders dan artikel 4.1 van de Regeling omgevingsrecht voor de aanvraag om een omgevingsvergunning milieu vereist, is in deze bepalingen ook niet in algemene zin voorgeschreven dat gegevens over de aard en omvang van de belasting van het milieu moeten worden verstrekt.6.4.    In het advies, de zienswijze en het beroepschrift van het college is niet gesteld dat in de omgeving van de gasvelden geluidhinder van de gaswinning wordt ondervonden of dat te verwachten is dat geluidhinder zal worden ondervonden van de winning van het laatste gas uit deze velden. Ter zitting heeft het college toegelicht dat er wel klachten zijn die te maken lijken te hebben met de buisleidingen van TAQA Onshore. De minister heeft echter onweersproken gesteld dat bij hem geen klachten over geluidhinder veroorzaakt door de gaswinning uit de drie velden zijn gemeld. De minister heeft er verder op gewezen dat omgevingsvergunningen milieu voor de betrokken mijnbouwwerken zijn verleend, waarin geluidgrenswaarden zijn opgenomen.6.5.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2217, komt de minister bij de afweging op grond van artikel 36 van de Mijnbouwwet ruimte toe. Zijn besluit dient wel te berusten op voldoende kennis over de relevante feiten en belangen.    De minister heeft naar het oordeel van de Afdeling in de enkele vraag van het college om een analyse over laagfrequent geluid te maken, geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek naar geluidhinder te doen. De Wabo bevat een meer specifieke regeling voor de beoordeling van geluidhinder veroorzaakt door de mijnbouwwerken en in dit geval zijn ook omgevingsvergunningen milieu verleend. De gestelde klachten over laagfrequent geluid zijn verder zo vaag, dat daarin geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat de minister in redelijkheid instemming met het winningsplan had moeten weigeren of daaraan voorschriften had moeten verbinden.6.6.    Het betoog faalt.7.    Pas ter zitting heeft het college aangevoerd dat de minister ook advies aan de gemeente Schagen had moeten vragen en dat het instemmingsbesluit mogelijk niet te rijmen is met de uitspraak van de Afdeling over het Programma Aanpak Stikstof. Deze gronden zijn verwijtbaar zodanig laat ingediend, dat de minister daarop niet adequaat heeft kunnen reageren. De betogen worden daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten inhoudelijke bespreking gelaten.Beroep van [appellant sub 2]8.    [appellant sub 2] betoogt dat in het instemmingsbesluit moet zijn vastgelegd dat schade onmiddellijk gecompenseerd wordt. Volgens hem zijn meer garanties nodig voor een snelle en eerlijke schadeafhandeling. Ook zijn volgens hem nulmetingen bij kwetsbare gebouwen nodig, zoals zijn zeer oude woning.8.1.    In artikel 6:177, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de exploitant van een mijnbouwwerk aansprakelijk is voor schade als gevolg van beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van dat werk. Dit betekent dat TAQA Onshore, als zij gebruik maakt van het instemmingsbesluit, verplicht is eventuele door die gaswinning veroorzaakte schade te vergoeden. Tevens is er ingevolge artikel 135 van de Mijnbouwwet een Waarborgfonds mijnbouwschade. Op grond van artikel 137 van die wet kan een natuurlijke persoon bij wie schade is opgetreden als gevolg van mijnbouwactiviteiten onder omstandigheden in aanmerking komen voor schadevergoeding ten laste van het waarborgfonds, bijvoorbeeld als de betrokken mijnbouwondernemer failliet is verklaard of heeft opgehouden te bestaan.    De vraag waar het in deze procedure om gaat, is of de minister er bij zijn afweging bij het nemen van het instemmingsbesluit van mocht uitgaan dat een op zichzelf toereikende regeling bestaat voor de afhandeling van schade. Gelet op de hiervoor vermelde regelingen in het Burgerlijk Wetboek en de Mijnbouwwet mocht de minister daarvan uitgaan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3738). Dit betekent ook dat de minister over schadeafhandeling geen voorschriften of beperkingen aan het instemmingsbesluit heeft hoeven verbinden.8.2.    De minister kan een bouwkundige opname van bouwwerken voorschrijven om eventuele schade door de gaswinning te kunnen vaststellen. Uit het instemmingsbesluit blijkt dat de minister daarvoor in dit geval echter geen aanleiding heeft gezien. Volgens de minister, die zijn standpunt baseert op het advies van het SodM, biedt de monitoring door het reguliere netwerk van het KNMI, aangevuld met de extra seismische apparatuur die door TAQA Onshore is geplaatst, voldoende nauwkeurigheid om bij eventuele schade te kunnen bepalen of en waar een beving heeft plaatsgevonden. Daarmee kan het causaal verband van de schade met de beving ten gevolge van de gaswinning worden aangetoond. Ter zitting heeft de minister met verwijzing naar zijn brief aan de Tweede Kamer van 21 december 2018  (Kamerstukken II 2018/19, 32 849, nr. 156) toegelicht dat hij, anders dan voorheen, niet meer steeds een bouwkundige vooropname voorschrijft, omdat deze maar een beperkte waarde voor de schadeafhandeling blijkt te hebben en er een beter alternatief beschikbaar is, namelijk seismische monitoring. Uit het instemmingsbesluit blijkt dat de minister verder in aanmerking heeft genomen dat TAQA Onshore in het kader van de realisatie van de gasopslag Bergermeer in 2012 al een opname van de bouwkundige staat van een selectie van bouwwerken heeft uitgevoerd en het gebied van de winningsvergunning Bergen II nagenoeg overeenkomt met het gebied waarin die nulmeting is verricht.    Het betoog van [appellant sub 2] leidt niet tot het oordeel dat de minister niet met het winningsplan heeft kunnen instemmen zonder een bouwkundige opname van bouwwerken voor te schrijven. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat seismische monitoring in dit geval niet volstaat om causaal verband tussen schade en een beving ten gevolge van de gaswinning aan te tonen. Ter zitting heeft [appellant sub 2] verder te kennen gegeven dat bij de nulmeting ook panden in zijn woonomgeving zijn meegenomen. TAQA Onshore heeft ter zitting gesteld dat het gebied waar [appellant sub 2] woont tot het effectgebied van de gasopslag behoort en dat zijn woning bij de nulmeting gekoppeld is aan twee referentiepanden. Gelet hierop is er geen reden om aan te nemen dat het gebied waarin de woning van [appellant sub 2] ligt niet onder het bereik van de in het kader van de gasopslag verrichte nulmeting valt.8.3.    Het betoog faalt.9.    [appellant sub 2] betoogt dat een risicobeheersplan ontbreekt en dat het voor hem daarom niet mogelijk is om daarover een standpunt naar voren te brengen.9.1.    In artikel 2 van het instemmingsbesluit is voorgeschreven dat TAQA Onshore uiterlijk 26 weken na de inwerkingtreding van dit besluit een seismisch risicobeheersplan bij de minister moet indienen. [appellant sub 2] heeft ter zitting verduidelijkt dat de beroepsgrond niet tegen dit voorschrift gericht is. De Afdeling stelt vast dat zijn betoog ook geen betrekking heeft op de beoordeling door de minister van het voorliggende winningsplan. Het betoog kan daarom niet leiden tot de conclusie dat het instemmingsbesluit onrechtmatig is.9.2.    Het betoog faalt.10.    [appellant sub 2] betoogt dat door bevingen mogelijk schade ontstaat aan de reactor in Petten en de kernafvalopslag. De in de SRA vermelde afstand van 5 km is volgens hem slechts een vuistregel en de kleinste afstand tussen gasveld Groet en de reactor bedraagt slechts 6,5 km. Wat volgens [appellant sub 2] vergeten wordt, is dat een grondbeweging een eind verder ook een grondbeweging kan opwekken. Het rapport over de robuustheid van de reactor, waarnaar de minister verwijst, is mogelijk alweer achterhaald, aldus [appellant sub 2].    Ter zitting heeft [appellant sub 2] toegelicht dat hij zich ook zorgen maakt over schade aan de reactor en de kernafvalopslag, omdat geen rekening is gehouden met de autonome bodemdaling. Ook los van de mogelijke schade aan de reactor en de kernafvalopslag, moet volgens [appellant sub 2] worden gevreesd voor nadelige gevolgen van de gaswinning, omdat niet blijkt dat bij de beoordeling van die gevolgen rekening is gehouden met cumulatie van factoren. Volgens hem is niet duidelijk hoe wordt omgegaan met de cumulatieve werking van verschillende invloeden op de bodem, zoals de zandsuppletie voor de kust, de toenemende verdroging en daarmee inklinking, verzilting, zeespiegelstijging, klimaatverandering en tektonische werking in de diepe ondergrond.10.1.    Zoals onder 5.3 is overwogen houdt de bij de SRA toegepaste leidraad een bufferzone van 5 km vanaf de rand van de velden aan. Het SodM en de Tccb hebben in de aanwezigheid van de kernreactor en de kernafvalopslag bij ECN, beide buiten die zone, geen aanleiding gezien om de minister te adviseren niet met het winningsplan in te stemmen. In het verweerschrift heeft de minister, behalve op de afstand van meer dan 5 km, ook gewezen op de uitgevoerde stress-test. Die test heeft uitgewezen dat de onderzoekslocatie Petten voldoet aan de ontwerpeis voor aardbevingen, hetgeen betekent dat deze aantoonbaar bestand is tegen de sterkst aannemelijke natuurlijke en geïnduceerde beving. Met de enkele stelling dat de resultaten van de test uit 2012 mogelijk achterhaald zijn, heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de kernreactor niet meer bestand is tegen eventuele bevingen. Het betoog geeft de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de minister in de vrees voor schade aan de reactor en de kernafvalopslag door bodemtrillingen aanleiding had moeten zien om instemming aan het winningsplan te onthouden.10.2.    Het winningsplan vermeldt dat de maximaal te verwachten bodemdaling door gaswinning vanaf 1972 14,5 cm is. De resterende bodemdaling als gevolg van de gaswinning vanaf de datum van het winningsplan zal volgens het winningsplan gering zijn, namelijk 1 a 2 cm. Door deze geringe verdere bodemdaling zal volgens het winningsplan aan de oppervlakte geen schade ontstaan. Het winningsplan vermeldt verder dat bodemdaling ook beïnvloed wordt door niet aan de gaswinning gerelateerde invloeden, zoals bemaling, zandsuppletie, natuurlijke inklinking en kunstmatige bodemzettingversnelling. In het bij het winningsplan behorende rapport "Bodembewegingsanalyse, -modellering en -prognose" van juli 2017 wordt ingegaan op de autonome bodemdaling, waaronder bodemdaling door natuurlijke of ondiepe processen zoals tektoniek, verandering in grondwaterspiegel of belasting van de oppervlakte wordt verstaan. Uit het rapport volgt dat de autonome bodemdaling in het gebied van het winningsplan over de periode van 2000-2050 varieert van 0,5 cm tot 200 cm. In het rapport wordt beschreven in hoeverre gemeten bodemdaling is toe te rekenen aan gaswinning of aan andere factoren.     TNO heeft het winningsplan op het punt van bodemdaling beoordeeld en kan zich vinden in de berekeningen en de daaruit voortvloeiende prognoses. Ook het SodM kan zich daarin vinden, zoals blijkt uit zijn advies. Het SodM concludeert dat de nadelige gevolgen van bodemdaling als gevolg van de gaswinning beperkt zullen zijn. Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft in zijn aan de minister uitgebrachte advies over het winningsplan vermeld dat de bodemdaling bij de voorkomens Bergen en Groet naar verwachting geen effect zal hebben op de waterhuishouding. De effecten op de waterveiligheid zijn volgens het Hoogheemraadschap gering en het onderschrijft de conclusie in het winningsplan dat hier geen merkbare effecten op de duinen zullen zijn. Het voorkomen Schermer heeft, anders dan de voorkomens Bergen en Groet, een 100% slappe ondergrond, maar binnen de marge van de bodemdalingsprognose verwacht het Hoogheemraadschap ook hier geen direct merkbare effecten voor het gebied.    De minister heeft in het instemmingsbesluit vastgesteld, mede op basis van de adviezen van het SodM, TNO en het Hoogheemraadschap, dat het aannemelijk is dat de bodemdaling als gevolg van de toekomstige gaswinning beperkt blijft tot enkele centimeters over de komende acht jaar. De minister ziet hierin, mede gelet op de adviezen van het SodM en de Tcbb, geen aanleiding voor het verbinden van aanvullende voorschriften aan het instemmingsbesluit.      Het betoog van [appellant sub 2] geeft de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de minister bij de beoordeling van de te verwachten bodemdaling niet heeft mogen uitgaan van de hierboven vermelde adviezen. In het winningsplan en in die adviezen is aandacht besteed aan de autonome bodemdaling en [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het winningsplan of die adviezen voor de beoordeling van de gevolgen van de gaswinning op dit punt ontoereikend zijn.10.3.    In het op 23 september 2019 bij de Afdeling ingekomen nadere stuk heeft [appellant sub 2] in het kader van de bodemdaling boven het gasveld Groet nog gevraagd of rekening is gehouden met de natuurwaarden, of er een milieueffectrapportage is die hierop is afgestemd en of een en ander in overeenstemming is met Natura 2000. Met het enkel opwerpen van vragen heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de bodemdalingsprognose onjuist is of dat het instemmingsbesluit in zoverre niet zorgvuldig is voorbereid.  10.4.    Het betoog faalt.Conclusie11.    De beroepen zijn ongegrond.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:verklaart de beroepen ongegrond.Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.w.g. Polak    w.g. Visservoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 12 februari 2020148.