Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:425

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-02-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 12-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:425, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201903798/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:425:DOC

201903798/1/A2.Datum uitspraak: 12 februari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 maart 2019 in zaak nr. 18/7291 in het geding tussen:[appellant]ende Belastingdienst/Toeslagen.ProcesverloopBij besluit van 4 juni 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellant] om huurtoeslag voor de jaren 2017 en 2018 afgewezen.Bij besluit van 12 september 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 29 maart 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.[appellant] heeft nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2019, waar [appellant], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. M. Remers en drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.Overwegingen1.    Voor zover [appellant] ter zitting heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden in verband met het verschijnen van het interim-advies "Omzien in verwondering" van de Adviescommissie uitvoering toeslagen over de fraudeaanpak bij kinderopvangtoeslag en het door [appellant] naar aanleiding daarvan opvragen van stukken bij de Belastingdienst/Toeslagen, ziet de Afdeling hiertoe geen aanleiding. Dit interim-advies en die stukken kunnen redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak die geen betrekking heeft op kinderopvangtoeslag maar op huurtoeslag.2.    [appellant] heeft op 11 augustus 2017 huurtoeslag aangevraagd met ingang van 7 maart 2016. Bij het besluit van 4 juni 2018, gehandhaafd bij het besluit van 12 september 2018, heeft de Belastingdienst/Toeslagen die aanvraag voor de berekeningsjaren 2017 en 2018 afgewezen. [appellant] heeft niet heeft gereageerd op de verzoeken van de dienst om informatie met betrekking tot zijn recht op huurtoeslag over die jaren.3.    De rechtbank heeft overwogen de gronden die [appellant] heeft aangevoerd over andere geschillen dan over zijn recht op huurtoeslag over 2017 en 2018 buiten beschouwing te zullen laten. De rechtbank heeft over het recht van [appellant] op huurtoeslag over 2017 en 2018 geoordeeld, dat de Belastingdienst/Toeslagen ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) bevoegd was om, alvorens tot vaststelling van de toeslagen over te gaan, informatie over de woonsituatie van [appellant], zoals een huurovereenkomst, specificaties van servicekosten en betaalbewijzen, op te vragen. Uit de eerst in beroep overgelegde huurovereenkomst blijkt niet hoe de huurprijs is opgebouwd en in de overeenkomst wordt voorts gesproken over een gemeubileerde kamer en (mede-)gebruik van gezamenlijke voorzieningen, zodat geen sprake is van een zelfstandige woonruimte. Nu [appellant] niet de informatie heeft overgelegd die de Belastingdienst/Toeslagen nodig heeft voor het vaststellen van zijn recht op huurtoeslag, dienen de gevolgen hiervan voor zijn rekening en risico te blijven, aldus de rechtbank.4.    [appellant] klaagt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte de gronden die hij heeft aangevoerd over andere geschillen dan over zijn recht op huurtoeslag over 2017 en 2018, buiten beschouwing heeft gelaten. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het geschil, gelet op het besluit van 12 september 2018, beperkt was tot het recht van [appellant] op huurtoeslag over 2017 en 2018. Wat [appellant] verder heeft aangevoerd viel buiten de omvang van het geding en kon in beroep derhalve niet aan de orde komen.5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij een zelfstandige woonruimte huurt en niet van hem gevergd kan worden om meer gegevens en bescheiden over zijn woonsituatie over te leggen, omdat hij geen problemen met zijn verhuurder wil.5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1998) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet op de huurtoeslag, dat degene die aanspraak op huurtoeslag maakt, moet aantonen dat hij huurkosten heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten. De Belastingdienst/Toeslagen was derhalve bevoegd om, alvorens op de aanvraag om huurtoeslag te beslissen, aan [appellant] gegevens en bescheiden te vragen waaruit de huurprijs blijkt en welke bedragen hij aan de verhuurder heeft betaald. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] ook met de in beroep overgelegde huurovereenkomst niet de informatie heeft overgelegd die de Belastingdienst/Toeslagen nodig heeft voor het vaststellen van het recht op huurtoeslag. Uit die overeenkomst blijkt niet hoe de huurprijs is opgebouwd en dat sprake is van een zelfstandige woonruimte. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat de gevolgen hiervan voor rekening en risico van [appellant] dienen te blijven. Reeds hierom faalt het betoog.6.    Hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd valt buiten de omvang van dit geding, zodat dat geen bespreking behoeft.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.w.g. Bijloos    w.g. Komduurlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 12 februari 2020809.