Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:424

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-02-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 12-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:424, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201805779/4/R4


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:424:DOC

201805779/4/R4.Datum uitspraak: 12 februari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op de hoger beroepen van:1.    [appellant sub 1],2.    [appellant sub 2], beiden wonend te Hilvarenbeek,tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 26 juni 2018 in zaak nrs. 18/2645 en 18/1155 in het geding tussen:[appellant sub 1]enhet college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek.ProcesverloopBij besluit van 16 januari 2018 heeft het college aan [belanghebbende A] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een winkelruimte (310 m² detailhandel, 150 m² horeca) op de begane grond, een commerciële ruimte (met uitzondering van detailhandel en horeca) op de eerste verdieping en twee appartementen op de tweede verdieping op het perceel kadastraal bekend gemeente Hilvarenbeek, sectie D, nummer 6458, plaatselijk bekend Hilverstraat ongenummerd te Hilvarenbeek (hierna: het perceel).Bij uitspraak van 26 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.[belanghebbende A] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.Het college heeft een door [appellant sub 2] tegen het besluit van 16 januari 2018 gemaakt bezwaar van 11 augustus 2018 met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) doorgezonden naar de Afdeling ter behandeling als (hoger)beroepschrift.Bij besluit van 22 januari 2019 heeft het college het besluit van 16 januari 2018 gewijzigd, waarbij het gebruik van de eerste verdieping ten behoeve van "een commerciële ruimte" is gewijzigd naar "een fitnesscentrum en fysiotherapie". Voor het overige is het besluit van 16 januari 2018 in stand gelaten.[appellant sub 1] heeft tegen dit besluit gronden aangevoerd.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.[belanghebbende B] en [belanghebbende C] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.[belanghebbende A], het college en [appellant sub 1] hebben nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2019, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. C. Lubben, rechtsbijstandverlener te Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Gielen en ing. A.F. Schievink MSc, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A] en [belanghebbende B] en [belanghebbende C], allen bijgestaan door mr. E. Beele, advocaat te Tilburg, gehoord.Bij tussenuitspraak van 17 juli 2019 in zaak nr. 201805779/1/A1 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 8 weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van rechtsoverweging 17 van de tussenuitspraak de in rechtsoverweging 7.2 en 13.1 van de tussenuitspraak omschreven gebreken te herstellen, de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.Bij brief van 9 september 2019 heeft het college medegedeeld op welke wijze de motivering van de besluiten van 16 januari 2018 en 22 januari 2019 is aangevuld en op welke wijze het besluit van 22 januari 2019 is gewijzigd.[belanghebbende B] en [belanghebbende C], [belanghebbende A] en [appellant sub 1] hebben zienswijzen naar voren gebracht.Het college, [appellant sub 1] en [belanghebbende A] hebben nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2020, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. C. Lubben, rechtsbijstandverlener te Zoetermeer, [gemachtigden], het college, vertegenwoordigd door mr. J. Gielen en A.J.S. van Spreuwel, bijgestaan door H.W.M. Ploem en W.M.A. van Loon, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A], bijgestaan door mr. E. Beele, advocaat te Tilburg, en [belanghebbende B] en [belanghebbende C] gehoord.OverwegingenInleiding1.    Het bouwplan waarvoor bij besluit van 16 januari 2018 vergunning is verleend voorziet in de bouw van een winkelruimte op de begane grond (310 m² detailhandel, 150 m² horeca), een commerciële ruimte van ongeveer 472 m² op de eerste verdieping en twee appartementen op de tweede verdieping op het perceel. De nieuwbouw wordt gerealiseerd op een braakliggend terrein in het centrum van Hilvarenbeek. Het bouwplan betreft de laatste fase (Blok C) van de ontwikkeling van winkelcentrum Hilverhof.    Bij besluit van 22 januari 2019 is het besluit van 16 januari 2018 gewijzigd, waarbij het gebruik van de eerste verdieping ten behoeve van een commerciële ruimte is gewijzigd naar een fitnesscentrum en fysiotherapie. Het fitnesscentrum en de fysiotherapie mogen dagelijks geopend zijn van 7.00 tot 23.00 uur. Aan het besluit van 22 januari 2019 is een voorwaarde verbonden, inhoudende dat de aanwezige muziekgeluidsinstallaties op de eerste verdieping ten behoeve van het fitnesscentrum en de fysiotherapie moeten worden begrensd op een muziekgeluidniveau van 70 dB(A).Tussenuitspraak2.    In de tussenuitspraak is over het besluit van 16 januari 2018 overwogen dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de beoogde functies in het pand voorzien in een behoefte in kwantitatieve of kwalitatieve zin. De rechtbank heeft ten onrechte geconcludeerd dat de omgevingsvergunning is verleend in overeenstemming met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Het besluit van 16 januari 2018 is niet deugdelijk gemotiveerd, onzorgvuldig voorbereid en gebaseerd op onjuiste uitgangspunten.    Over het besluit van 22 januari 2019 is in de tussenuitspraak overwogen dat daarin onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de vestiging van het fitnesscentrum met fysiotherapie voor de omgeving. Het college heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat die gevolgen ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Het besluit van 22 januari 2019 is, naast de reeds hiervoor geconstateerde gebreken, in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid.    Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil heeft de Afdeling het college in de tussenuitspraak opgedragen om de geconstateerde gebreken in de besluiten van 16 januari 2018 en 22 januari 2019 te herstellen door alsnog te motiveren waarom aan de voorziene ontwikkelingen (detailhandel, horeca en fitness met fysiotherapie) een actuele behoefte bestaat als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro en inzichtelijk te maken dat de ontwikkelingen geen zodanige leegstand tot gevolg zullen hebben dat dit tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie in het verzorgingsgebied van de voorziene ontwikkelingen zal leiden en aan de hand van een onderzoek alsnog te motiveren dat het gebruik van het fitnesscentrum niet zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen bij de woning van [appellant sub 1].Ladder voor duurzame verstedelijking3.    Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college Stec Groep (hierna: Stec) opdracht gegeven om een zogenoemde laddertoets uit te voeren. In de "Laddertoets Hilverhof Blok C" van Stec van 29 augustus 2019 is de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan het project beschreven en is deze behoefte afgewogen tegen het bestaande aanbod. In de memo van 7 januari 2020 heeft Stec gereageerd op de door [appellant sub 1] overgelegde notitie van ZKA Leisure Consultants (hierna: ZKA) van 6 november 2019 en de ongedateerde opmerkingen en kanttekeningen van Activity Workx for you. De conclusie van Stec is dat het project voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte, de toevoeging van commerciële voorzieningen in blok C van Hilverhof aansluit bij het gemeentelijke beleid, niet tot onnodig nieuw ruimtebeslag leidt en geen zodanige leegstand elders in het verzorgingsgebied tot gevolg zal hebben dat dit tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie zal leiden. Stec heeft gemotiveerd waarom zij de (enge) definitie van fitnesscentrum van het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft gehanteerd, waarbij het hebben van een accommodatie een vereiste is. Ook heeft zij gemotiveerd waarom het verzorgingsgebied van de commerciële functies in het project de gehele gemeente Hilvarenbeek beslaat. Voorts heeft Stec gemotiveerd waarom zij de groeiverwachting van de fitnessmarkt tot 2028 heeft berekend op basis van de ontwikkeling van het aantal leden van fitnesscentra in de periode 2015-2017. Verder heeft zij gemotiveerd dat bij een lagere groeiverwachting, als door ZKA berekend, ruimte is voor een vijfde fitnesscentrum in de gemeente Hilvarenbeek. Stec heeft gemotiveerd waarom zij door de komst van Anytime Fitness geen leegstand in het verzorgingsgebied verwacht. In de notitie van ZKA noch de opmerkingen en kanttekeningen van Activity Workx for you ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het college voor de vraag of sprake is van een behoefte en daarmee niet in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, zich niet heeft mogen baseren op de laddertoets van Stec, nu uit voormelde notitie, opmerkingen en kanttekeningen niet kan worden afgeleid dat de laddertoets onjuist, innerlijk tegenstrijdig of onbegrijpelijk is.Geluid4.    Anytime Fitness heeft in het kader van een nieuwe, in deze uitspraak niet aan de orde zijnde, aanvraag voor verruiming van de openingstijden van het fitnesscentrum naar 24 uur een geluidsonderzoek laten uitvoeren door Valersi geluidbureau (hierna: Valersi). De resultaten zijn neergelegd in een rapport van 15 mei 2018 (lees: 2019). Op 3 september 2019 heeft Valersi gereageerd op de opmerkingen van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant van 11 juni 2019. De conclusie daarvan is dat Anytime Fitness kan voldoen aan de richtwaarden voor het gebiedstype ‘gemengd gebied’ uit de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering 2009. Voorts kan door de begrenzing van de aanwezige muziekgeluidsinstallaties op de eerste verdieping van het fitnesscentrum op een muziekgeluidniveau van 70 dB(A) worden voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.    Op 9 januari 2020 heeft Valersi schriftelijk gereageerd op de door [appellant sub 1] ingebrachte notitie van Peutz B.V. van 7 oktober 2019. Valersi heeft naar aanleiding van de door Peutz geuite kritiek op het geluidsonderzoek duidelijk gemaakt welke meetapparatuur is gebruikt. Verder heeft zij kalibratiecertificaten overgelegd. Valersi heeft toegelicht waarom het stemgeluid van bezoekers van Anytime Fitness verloren gaat in de ruimte en waarom geen rekening is gehouden met geluid van vallende gewichten. Voorts heeft zij toegelicht dat zij vanwege de galmende ruimte een diffusiteitscoëfficiënt van 5 dB(A) heeft toegepast. Verder heeft zij toegelicht waarom voor het bepalen van het geluidsbronvermogen van de warmtewisselaars is uitgegaan van de fabriekswaarden en waarom de door haar gehanteerde bronhoogte bij de nooddeur juist is. De Afdeling is van oordeel dat met het geluidsonderzoek van Valersi voldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van Anytime Fitness voor de omgeving. In de door Peutz geuite kritiek op het geluidsonderzoek van Valersi ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college de gevolgen van Anytime Fitness ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] niet ruimtelijk aanvaardbaar heeft kunnen achten.Conclusie5.    Zoals in rechtsoverweging 3 van de tussenuitspraak is overwogen, zal het hoger beroep van [appellant sub 2] wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk worden verklaard.    Het hoger beroep van [appellant sub 1] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 16 januari 2018 alsnog gegrond verklaren. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 22 januari 2019 is ook gegrond. Beide besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.    Omdat het college alsnog inzichtelijk heeft gemaakt dat het project voorziet in een behoefte en daarmee niet in strijd is met artikel 3.1.6, twee lid, van de Bro, alsnog onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het fitnesscentrum met fysiotherapie voor de omgeving en het college alsnog voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de gevolgen van het fitnesscentrum ruimtelijk aanvaardbaar zijn, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten van 16 januari 2018 en 22 januari 2019 geheel in stand te laten.6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk;II.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond;III.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 juni 2018 in zaak nrs. 18/2645 en 18/1155;IV.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;V.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek van 16 januari 2018, kenmerk 20160489;VI.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 22 januari 2019 gegrond;VII.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek van 22 januari 2019, kenmerk 19uit00192;VIII.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 16 januari 2018 en 22 januari 2019 geheel in stand blijven;IX.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.100,00 (zegge: eenentwintighonderd euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;X.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 423,00 (zegge: vierhonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.w.g. Troostwijk    w.g. Graaff-Haasnootvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 12 februari 2020531.