Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:421

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-02-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 12-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:421, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201902774/1/R2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:421:DOC

201902774/1/R2.Datum uitspraak: 12 februari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:[appellant], wonend te Maarheeze, gemeente Cranendonck,ende raad van de gemeente Cranendonck,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 26 februari 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie] te Maarheeze" vastgesteld.Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.De raad heeft een verweerschrift ingediend.[appellant] heeft een nader stuk ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2020, waar de raad, vertegenwoordigd door B. Daamen is verschenen. Voorts is ter zitting [initiatiefneemster], gehoord.OverwegingenInleiding1.    Het plan voorziet in één woning op de gronden aan de [locatie]. [initiatiefneemster] is voornemens om de daar reeds aanwezige woning te slopen en een nieuwe woning te bouwen op een grotere afstand van de nabijgelegen snelweg A2.             Volgens [appellant] wordt in het algemeen door het gemeentebestuur voorbijgegaan aan de milieuproblematiek van de snelweg A2 en is het vaststellen van dit plan daar een voorbeeld van.Toetsingskader2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.Beroep3.    [appellant] betoogt dat de raad eerst en vooral de algemene milieusituatie en leefkwaliteit in de omgeving van de snelweg A2 dient te verbeteren en géén bestemmingsplannen moet vaststellen waarin nieuwe ontwikkelingen zoals woningbouw worden toegestaan in de nabijheid van die snelweg. Hij verwijst daartoe onder meer naar gemeentelijke beleidsvoornemens en het bestemmingsplan "Kom Maarheeze", het vorige plan voor de gronden in het plangebied, waarin volgens hem is bepaald dat niet meer mag worden gebouwd buiten het bouwvlak door de overlast van de snelweg A2. Ook stelt hij dat hierop door het vaststellen van het plan een uitzondering wordt gemaakt voor initiatiefnemers, die vanwege bedoelde overlast niet geldt voor anderen in eenzelfde woonsituatie. Dit getuigt volgens [appellant] van bestuurlijke willekeur.    [appellant] komt vervolgens op tegen de plantoelichting, omdat volgens hem een aantal onderwerpen daarin ontoereikend zijn besproken dan wel een onjuiste voorstelling wordt gegeven van de feitelijke situatie.    Ten slotte stelt hij dat hem het relativiteitsvereiste niet kan worden tegengeworpen, omdat hij ook hinder ondervindt van de normoverschrijdingen van emissies ten gevolge van de snelweg A2.3.1.    De Afdeling begrijpt de stelling van [appellant] dat de raad eerst de algemene milieusituatie en leefkwaliteit in de omgeving van de snelweg A2 moet verbeteren zó dat hij vindt dat eerst beleidsvoornemens over het verbeteren daarvan in de omgeving van de snelweg A2 moeten zijn verwezenlijkt vóórdat een plan voor een individuele ontwikkeling in die omgeving kan worden vastgesteld. Anders dan [appellant] veronderstelt is er geen algemene verplichting om beleidsvoornemens te verwezenlijken of een bestaande overlastgevende milieusituatie in de omgeving aan te pakken, vóórdat de raad een plan kan vaststellen voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in die omgeving. De raad dient, zoals vermeld onder 2, bij de vaststelling van dat plan te bezien of dat wat er met dát plan mogelijk wordt gemaakt aanvaardbaar is vanuit een goede ruimtelijke ordening. De algemene milieusituatie en leefkwaliteit ter plaatse spelen daarbij zeker een rol, maar enkel in de beoordeling van de aanvaardbaarheid van dát plan.    Ook de omstandigheid dat het bestemmingsplan "Kom Maarheeze", dat onder meer voor de gronden van [appellant] geldt, geen bebouwing buiten bestaande bouwvlakken toestaat, staat niet aan het vaststellen van dit plan in de weg. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan namelijk geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Dat is in dit geval gebeurd, waarbij de raad belang heeft toegekend aan de omstandigheid dat het plan een verbetering inhoudt van de huidige ruimtelijke situatie op het perceel aan de [locatie]. In de enkele omstandigheid dat de raad, in navolging van het verzoek van [initiatiefneemster] dat uitsluitend op dat perceel ziet, het plan heeft beperkt tot het perceel aan de [locatie] ziet de Afdeling geen grond voor het standpunt dat sprake is van willekeur.    Het betoog van [appellant] dat er voor de raad beletselen vooraf waren om het plan vast te stellen, faalt dan ook.3.2.    Voor zover [appellant] betoogt dat het plan niet had kunnen worden vastgesteld omdat ter plaatse van de nieuwe woning geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd door overlast van en de bestaande milieusituatie ten gevolge van de snelweg A2, stelt de raad dat het relativiteitsvereiste aan een inhoudelijke bespreking in de weg staat. Daarover overweegt de Afdeling het volgende.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant. De normen waarop [appellant] zich beroept strekken tot bescherming van het woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners van de woning aan de [locatie]. Nu [appellant] niet de eigenaar van bedoelde gronden noch de toekomstig bewoner van de woning aan de [locatie] is, strekken de normen waarop hij zich beroept, kennelijk niet ter bescherming van zijn belangen. De Afdeling laat deze beroepsgronden daarom buiten beschouwing.3.3.    Ten aanzien van het gestelde door [appellant] over de juistheid en volledigheid van de plantoelichting, wijst de Afdeling erop dat de plantoelichting geen juridisch bindend deel van het bestemmingsplan uitmaakt. Eventuele onjuistheden of onvolledige omschrijvingen in de tekst van deze toelichting zijn dan ook op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.Conclusie4.    Het beroep is ongegrond.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:verklaart het beroep ongegrond.Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, griffier.w.g. Hagen    w.g. Vogel-Carprieauxlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 12 februari 2020458-932.