Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:404

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-02-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 07-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:404, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201901210/1/V2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:404:DOC

201901210/1/V2.Datum uitspraak: 7 februari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,appellant,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 10 januari 2019 in zaak nr. 16/8167 in het geding tussen:[de vreemdeling]ende staatssecretaris.ProcesverloopBij besluit van 24 maart 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.Bij uitspraak van 10 januari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt met inachtneming van die uitspraak.Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Woudwijk, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.Overwegingen1.    Niet in geschil is dat de vreemdeling in 2004 werkzaamheden heeft verricht voor de Liberation Tigers of Tamil Eelam (hierna: de LTTE). De rechtbank heeft vastgesteld dat in de uitspraak van 29 september 2015 van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, ECLI:NL:RBDHA:2019:1424, is geoordeeld dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de vreemdeling tegenstrijdig, inconsistent en summier heeft verklaard over de gestelde detentie en mishandeling in juli 2010 naar aanleiding van die werkzaamheden. In hoger beroep gaat het om de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat het door de vreemdeling overgelegde rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: het iMMO) van 27 september 2016 grond biedt voor het oordeel dat de staatssecretaris de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de vreemdeling opnieuw moet beoordelen.2.    In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het door de vreemdeling overgelegde iMMO-rapport het asielrelaas van de vreemdeling ondersteunt. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het rapport wat betreft de inhoud en wijze van totstandkoming niet voldoet aan de daaraan door de Afdeling gestelde vereisten, zoals neergelegd in de uitspraak van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2085.2.1.    Het iMMO heeft alleen in algemene zin opgemerkt dat de vreemdeling over sommige zaken minder goed kon verklaren en dat de psychische problematiek van invloed is geweest op de verklaringen die gaan over het gehele asielrelaas. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, wordt met die algemene toelichting in het individuele geval echter geen antwoord gegeven op de vraag op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om consistent en coherent te verklaren, invloed heeft gehad (vergelijk r.o. 1. van de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3460). De staatssecretaris betoogt dan ook terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het iMMO-rapport niet voldoet aan de vereisten zoals die voortvloeien uit voormelde uitspraak van de Afdeling.2.2.    De eerste grief slaagt.3.    In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het iMMO de verklaringen van de vreemdeling als uitgangspunt heeft genomen, omdat hij heeft gesteld dat de hersenschudding de psychische klachten van de vreemdeling mogelijk kan verergeren.3.1.    Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018 volgt dat de conclusie van het iMMO over het vermogen van een vreemdeling om consistent te verklaren, niet mede gebaseerd mag zijn op de aanname dat de gebeurtenissen waardoor de vreemdeling stelt psychische problemen te hebben gekregen, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.3.2.    Zoals de staatssecretaris terecht betoogt, heeft de rechtbank niet onderkend dat er in het iMMO-rapport van is uitgegaan dat de gebeurtenissen waardoor de vreemdeling stelt psychische problemen te hebben gekregen, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Zo heeft het iMMO in het onderdeel "Interpretatie bevindingen onderzoek naar psychiatrische problematiek" vermeld dat de geheugen- en concentratieproblemen van de vreemdeling ook kunnen zijn verergerd als gevolg van de hersenschudding die hij opliep bij de mishandelingen die hebben plaatsgevonden gedurende het verhoor naar de LTTE-werkzaamheden van de vreemdeling. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft het iMMO door te stellen dat de hersenschudding als gevolg van de gestelde mishandeling de geheugen- en concentratieproblemen zou kunnen verergeren, wel het asielrelaas van de vreemdeling als uitgangspunt genomen.3.3.    De tweede grief slaagt.4.    In de derde grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn betoog dat hij op basis van de medische stukken, opgemaakt ten tijde van de gehoren, mocht uitgaan van de verklaringen van de vreemdeling bij het beoordelen van het asielrelaas.4.1.    In het advies van MediFirst van 26 januari 2011 staat dat de vreemdeling in staat was om te worden gehoord. Wel moet de gehoormedewerker ermee rekening houden dat de vreemdeling zich data niet precies kan herinneren en een rustpauze inlassen omdat de vreemdeling niet langer dan 1,5 uur achter elkaar kan zitten. De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat hij rekening heeft gehouden met de beperkingen die zijn geconstateerd ten tijde van de gehoren. Hij heeft de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas dan ook terecht gebaseerd op wat de vreemdeling tijdens de gehoren heeft verklaard.4.2.    Ook deze grief slaagt.5.    Uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris terecht betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het iMMO-rapport niet voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het iMMO-rapport een ander licht werpt op de al geconstateerde tegenstrijdigheden en inconsistenties in de verklaringen van de vreemdeling over zijn asielrelaas en dat de staatsecretaris het asielrelaas daarom opnieuw moet beoordelen.6.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond. Wat in de  vierde grief is aangevoerd, hoeft niet te worden besproken. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.7.    De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte aan de conclusies van het iMMO over zijn littekens niet de conclusie heeft verbonden dat zijn relaas geloofwaardig is. Verder heeft de vreemdeling betoogd dat de staatssecretaris niet heeft onderkend dat hij in Sri Lanka een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, omdat hij Tamil is en in 2004 werkzaamheden voor de LTTE heeft verricht. Volgens de vreemdeling zijn er meerdere risicofactoren op hem van toepassing, zoals de omstandigheid dat hij een asielaanvraag heeft ingediend in Nederland en dat hij heeft deelgenomen aan de zogenoemde Heldendagen, waarvan een foto op het internet te vinden is.7.1.    De staatssecretaris heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de conclusies van het iMMO over zijn littekens geen verandering brengen in de in de eerdere procedure tot stand gekomen beoordeling van de geloofwaardigheid. De staatssecretaris heeft namelijk terecht opgemerkt dat de littekens ook andere oorzaken kunnen hebben dan de vreemdeling stelt. Verder heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de werkzaamheden voor de LTTE in 2004 zal worden aangemerkt als een activist die een significante rol speelt in een georganiseerd separatistisch streven buiten Sri Lanka naar een onafhankelijke Tamil-staat (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2351). De vreemdeling heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat de Sri Lankaanse autoriteiten op de hoogte zijn van zijn werkzaamheden voor de LTTE in 2004. Daarbij zijn Sri Lankaanse autoriteiten in staat om gewone Sri Lankaanse remigranten, waaronder asielzoekers, te onderscheiden van activisten die streven naar een onafhankelijke Tamil-staat. Immers, met name activisten die een risico vormen voor de eenheid van Sri Lanka, omdat zij een significante rol spelen in een georganiseerd separatistisch streven buiten Sri Lanka naar een onafhankelijke Tamil-staat of het doen herleven van het gewapende conflict in Sri Lanka, staan bij terugkeer in de negatieve belangstelling van de autoriteiten. Dit volgt uit de vaststelling in de uitspraak van 20 juni 2014. Uit de door de vreemdeling overgelegde informatie blijkt niet dat de situatie in Sri Lanka sindsdien in dit opzicht is verslechterd. Met betrekking tot het litteken heeft de staatssecretaris zich in het licht van het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door dit litteken in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten komt te staan.7.2.    Ook heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat, nog daargelaten of de Sri Lankaanse autoriteiten in staat zijn om hem te koppelen aan de foto, de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de Sri Lankaanse autoriteiten als activist zal worden aangemerkt vanwege de deelname aan de Heldendagen (vergelijk r.o. 1.6. van de uitspraak van 20 juni 2014). De vreemdeling heeft, zoals de staatssecretaris terecht heeft gesteld, verder niets naar voren gebracht waaruit blijkt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Sri Lankaanse autoriteiten. De door de vreemdeling overgelegde informatie over de situatie voor Tamils in Sri Lanka kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat daaruit niet blijkt dat de situatie voor Tamils sinds die uitspraak van de Afdeling is verslechterd. De staatssecretaris heeft de door de vreemdeling genoemde risicofactoren in onderlinge samenhang beoordeeld en deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Sri Lankaanse autoriteiten.7.3.    De beroepsgronden falen.8.    Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 10 januari 2019 in zaak nr. 16/8167;III.    verklaart het beroep ongegrond.Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.w.g. BossmanngriffierUitgesproken in het openbaar op 7 februari 2020314-915.