Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:40

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-01-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:40, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201901897/1/V1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:40:DOC

201901897/1/V1.Datum uitspraak: 9 januari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:[de vreemdeling] en [referent],appellanten,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 februari 2019 in zaak nr. 18/6111 in het geding tussen:de vreemdeling en referentende staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.ProcesverloopBij besluit van 12 januari 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.Bij besluit van 26 juli 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling en referent gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 28 februari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling en referent ingestelde beroep ongegrond verklaard.Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en referent, vertegenwoordigd door mr. M. Issa, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.Overwegingen1.    Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. De vreemdeling en referent leggen namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hen niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000).2.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Es, griffier.w.g. Hoogvliet    w.g. Van Eslid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 9 januari 2020826.