Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:398

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-02-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 07-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:398, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 202000396/2/V3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:398:DOC

202000396/2/V3.Datum uitspraak: 7 februari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:[de vreemdeling],verzoekster,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 december 2019 in zaak nr. 19/4822 in het geding tussen:de vreemdelingende staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.ProcesverloopBij besluit van 28 november 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.Bij besluit van 29 mei 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 23 december 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.Overwegingen1.    De griffier heeft de vreemdeling er bij brief op gewezen dat zij voor het verzoek om voorlopige voorziening griffierecht moet betalen. Haar is daarbij verzocht het griffierecht uiterlijk op 28 januari 2020 te voldoen. In die brief staat ook dat als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het verzoek alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet betaald. De vreemdeling heeft geen redenen aangevoerd waarom het verzoek toch in behandeling moet worden genomen.2.    Het verzoek is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.BeslissingDe voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, griffier.w.g. Steendijk    w.g. Snijdersvoorzieningenrechter    griffierUitgesproken in het openbaar op 7 februari 2020279.