Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:391

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-02-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 07-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:391, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201909103/2/R4


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:391:DOC

201909103/2/R4.Datum uitspraak: 7 februari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:[verzoekster], wonend te Ermelo,tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 17 december 2019 in zaak nrs. 19/5912 en 19/6044 in het geding tussen:[verzoekster]enhet college van burgemeester en wethouders van Ermelo.ProcesverloopBij besluit van 6 juni 2019 heeft het college [verzoekster] gelast om het bouwen zonder omgevingsvergunning op het perceel [locatie] in Ermelo te beëindigen en beëindigd te houden door de twee gebouwen te verwijderen en verwijderd te houden onder oplegging van een dwangsom van € 2.000,00 per gebouw, per week of deel van de week dat de strijdige situatie voortduurt met een maximum van € 20.000,00 per gebouw.Bij besluit van 2 oktober 2019 heeft het college het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 17 december 2019 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld. [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 januari 2020, waar [verzoekster], vergezeld door [gemachtigden], bijgestaan door mr. J.H. van Keeken, advocaat te Putten, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.E. van Duuren, ing. T. Hoefnagels en A.D. Brouwer, zijn verschenen.Overwegingen1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.2.    [verzoekster] heeft op het perceel een nieuwe woning gebouwd. Op het deel van het perceel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" heeft [verzoekster] twee gebouwen gerealiseerd zonder omgevingsvergunning. De gebouwen liggen buiten het deel van het perceel met de bestemming "Wonen - 1". De gebouwen zijn in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Agrarische enclave en Speuld", onder meer omdat ter plaatse geen gebouwen mogen worden gebouwd.3.    Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 6 juni 2019 heeft het college [verzoekster] gelast om de twee gebouwen te verwijderen en verwijderd te houden onder oplegging van een dwangsom.4.    In hoger beroep betoogt [verzoekster] dat het college van handhavend optreden had moeten afzien, omdat zij een geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel. In dat verband stelt [verzoekster] dat A.C. Wagenaar, in zijn functie als medewerker vergunningen in dienst van de gemeente, heeft toegezegd dat de gebouwen zonder omgevingsvergunning mochten worden gebouwd.5.    Het verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe dat de last onder dwangsom wordt geschorst totdat de Afdeling op het hoger beroep uitspraak heeft gedaan. Het college heeft de aan de last verbonden begunstigingstermijn bij besluit van 19 december 2019 verlengd tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter.6.    De rechtbank heeft overwogen dat [verzoekster] dient te bewijzen dat door Wagenaar de toezegging is gedaan dat de twee gebouwen zonder omgevingsvergunning gerealiseerd mogen worden. Volgens de rechtbank is zij daar met de afgelegde verklaringen waaronder die van Wagenaar, niet in geslaagd.7.    [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht om Wagenaar als getuige te horen. De voorzieningenrechter heeft daarvan afgezien, omdat het horen van Wagenaar redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening. Wagenaar is namelijk door de rechtbank gehoord en het proces-verbaal van dat verhoor zit in het dossier. Voor de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening heeft de voorzieningenrechter voldoende informatie.8.    De voorzieningenrechter stelt vast dat [verzoekster] informatie in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van haar betoog dat de bewuste toezegging door Wagenaar is gedaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de informatie die [verzoekster] tot nu toe in aanvulling op de beschikbare verklaringen heeft overgelegd - onder meer afschriften van e-mails, afspraakbevestigingen en What's App berichten met haar dochter - onvoldoende is voor twijfel aan de conclusie van de rechtbank. De voorzieningenrechter ziet daarom onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Gelet hierop en na afweging van de door [verzoekster] gestelde belangen, die vooral van financiële aard zijn, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek.9.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:wijst het verzoek af.Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.w.g. Helder    w.g. Wijgerdevoorzieningenrechter    griffierUitgesproken in het openbaar op 7 februari 2020672.