Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:197

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 22-01-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 22-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:197, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201904503/1/V6


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:197:DOC

201904503/1/V6.Datum uitspraak: 22 januari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 2 mei 2019 in zaak nr. 19/147 in het geding tussen:[appellant]ende staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.ProcesverloopBij besluit van 1 oktober 2018 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.Bij besluit van 17 december 2018 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 2 mei 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2019, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.C.J. Letmaath, advocaat te Uden, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. T. Nauta, zijn verschenen.Overwegingen1.    De staatssecretaris heeft het Nederlanderschap geweigerd omdat [appellant] zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond. De staatssecretaris heeft hiertoe redengevend geacht dat uit een in de asielprocedure opgemaakt rapport van Bureau Documenten van 1 augustus 2013 is gebleken dat het door [appellant] overgelegde paspoort van 19 september 2012 met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid frauduleus is verkregen, niet kan worden vastgesteld of het paspoort bevoegd is opgemaakt en afgegeven en of het paspoort inhoudelijk juist is. Uit dit rapport blijkt ook dat niet kan worden vastgesteld of de door [appellant] overgelegde geboorteakte van 14 mei 2013 bevoegd is opgemaakt en afgegeven en of deze geboorteakte inhoudelijk juist is. [appellant] heeft voorts geen verklaring van de Sierra Leoonse autoriteiten overgelegd op grond waarvan de staatssecretaris heeft kunnen vaststellen dat het door hem overgelegde paspoort van 26 januari 2017 daadwerkelijk aan hem is verstrekt. Verder is uit een herkomstindicatie van Bureau Land en Taal (thans: Team Onderzoek en Expertise Land en Taal; hierna: TOELT) van 12 oktober 2006 gebleken dat [appellant], na beluistering van een geluidsopname van 6 oktober 2006 die van een gesprek met hem is gemaakt, is te herleiden tot de spraakgemeenschap binnen Nigeria.2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond. Hij voert aan dat hij een geldig paspoort en een originele geboorteakte heeft overgelegd. De staatssecretaris heeft daarom geen overwegende betekenis aan de taalanalyses mogen toekennen. Hij voert verder aan dat deze aan het besluit ten grondslag gelegde taalanalyses onzorgvuldig tot stand zijn gekomen omdat zij zijn gebaseerd op een oude geluidsopname uit 2006, aldus [appellant].2.1.    Artikel 31 van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap luidt:'1. Bij de indiening van een naturalisatieverzoek verstrekt de verzoeker betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot:a. geslachtsnaam en voornaam of voornamen, onderscheidenlijk naam of namen;b. geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland;[…]e. nationaliteit of nationaliteiten; […]5. De autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook Onze Minister, kan verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zonodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.[…]'    Volgens de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (hierna: de Handleiding) dient een verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte over te leggen.2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:501) volgt uit de RWN en de Handleiding dat het aan de desbetreffende verzoeker is om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en dat het aan de staatssecretaris is om te beoordelen of de identiteit en nationaliteit van de desbetreffende verzoeker met de door hem overgelegde stukken zijn komen vast te staan. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6673) is de verlening van het Nederlanderschap, wegens de daaraan verbonden gevolgen, een zaak van groot gewicht en is de staatssecretaris dan ook bevoegd om op de daartoe geëigende wijze bewijs van de gestelde identiteit en nationaliteit van de desbetreffende verzoeker te verlangen. Gelet hierop is het in de naturalisatieprocedure aan de staatssecretaris om te beoordelen of de verzoeker met de door hem overgelegde documenten zijn nationaliteit heeft aangetoond.2.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 27 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2116) is een advies van Bureau Documenten een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. Dit geldt ook voor een rapport van TOELT. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs.2.4.    De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit het rapport van Bureau Documenten van 1 augustus 2013 is gebleken dat het door [appellant] overgelegde paspoort van 19 september 2012 met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid frauduleus is verkregen, niet kan worden vastgesteld of het paspoort bevoegd is opgemaakt en afgegeven en of het paspoort inhoudelijk juist is. [appellant] heeft aangevoerd dat hij in Sierra Leone is geweest en daar een paspoort heeft aangevraagd en verkregen; hij heeft ten bewijze daarvan een tekening gemaakt van het kantoor waar hij het paspoort heeft aangevraagd. Hiermee heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij daar daadwerkelijk is geweest.    Uit het in het asieldossier gevoegde rapport 'Herkomstanalyse' blijkt dat op verzoek van de Vreemdelingenpolitie een taalanalyse is gemaakt. Van deze taalanalyse is een bandopname gemaakt. Hieruit blijkt dat [appellant] is te herleiden tot de spraakgemeenschap binnen Nigeria. Op verzoek van de staatssecretaris heeft TOELT op 12 oktober 2006 een rapport opgemaakt op basis van de hiervoor bedoelde bandopname. Op grond van een in deze zaak door een taalanalist afkomstig uit Nigeria verrichte taalanalyse van 10 juli 2018 is [appellant] te herleiden tot de spraakgemeenschap van Nigeria. Op grond van een door een taalanalist afkomstig uit Sierra Leone verrichte taalanalyse van 11 juli 2018, is [appellant] niet te herleiden tot de spraakgemeenschap van Sierra Leone.    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris de rapporten van Bureau Documenten en TOELT terecht aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Deze rapporten zijn op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, de redeneringen daarin zijn begrijpelijk en de getrokken conclusies sluiten daarop aan. [appellant] heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel hieraan naar voren gebracht. Dat bij het rapport van TOELT gebruik is gemaakt van een bandopname uit 2006 maakt dit niet anders nu de daarop gebaseerde analyse dateert uit 2018. [appellant] voert tevergeefs aan dat de staatssecretaris niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich op grond van voormelde rapporten terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond.    Het betoog faalt.3.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris in de bezwaarfase ten onrechte de hoorzitting achterwege heeft gelaten.3.1.    Een bestuursorgaan mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen afzien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van het bezwaar niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.    Gelet op de motivering van het besluit van 1 oktober 2018 alsmede de gronden van het daartegen gerichte bezwaarschrift is aan deze maatstaf voldaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris van het horen van [appellant] mocht afzien.    Het betoog faalt.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.w.g. Bijloos    w.g. Groenendijklid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 22 januari 2020164.