Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:114

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-01-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 15-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:114, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201900705/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:114:DOC

201900705/1/A1.Datum uitspraak: 15 januari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E], [appellant F] en [appellant G], allen wonend te Amsterdam, (hierna: [appellant A] en anderen)appellanten,tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2018 in zaak nr. 17/6682 in het geding tussen:[appellant A] en anderen,enhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.ProcesverloopBij besluit van 12 april 2017 heeft het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum (thans het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam en hierna te noemen: het college) aan [partij] een reguliere bouwvergunning en ontheffing van het bestemmingsplan verleend voor een uitbouw met dakterras aan de achtergevel van een gebouw op het perceel [locatie] in Amsterdam.Bij uitspraak van 12 december 2018 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant A] en anderen hiertegen ingestelde beroepongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen hoger beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.[appellant A] en anderen hebben een nader stuk ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2019, waar zijn verschenen:- [appellant C] en [appellant E], bijgestaan door mr. A.I. Tsheichvili en mr. S. Levelt, beiden advocaat te Amsterdam,- [appellant A], [appellant B], [appellant D], [appellant F] en [appellant G], allen vertegenwoordigd door mr. Tsheichvili en mr. Levelt,- het college, vertegenwoordigd door mr. C.L. Brinks, en- [partij], vergezeld door [gemachtigde].OverwegingenInleiding1.    Het bouwplan waarvoor vergunning en ontheffing is verleend gaat over de vervanging van een bestaande serre door een uitbouw met daarop een dakterras aan de achterzijde van de woning [locatie] in Amsterdam. Het college heeft al eerder, namelijk bij besluit van 29 november 2013, voor het bouwplan een reguliere bouwvergunning en ontheffing van het bestemmingsplan verleend. Tegen dat besluit heeft een aantal andere omwonenden beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 18 maart 2016, in zaken nrs. 13/7486 en 14/148, dat beroep gegrond verklaard en het besluit van 29 november 2013 vernietigd. Tegen die uitspraak hebben het college en een aantal omwonenden hoger beroep ingesteld. Vóórdat de Afdeling op die hoger beroepen uitspraak had gedaan, heeft het college bij besluit van 12 april 2017 opnieuw vergunning en ontheffing voor het bouwplan verleend. Bij uitspraak van 31 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1437, heeft de Afdeling de hoger beroepen ongegrond geoordeeld en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daarbij heeft de Afdeling tevens het van rechtswege ontstane beroep van een aantal omwonenden tegen het besluit van 12 april 2017 ongegrond verklaard.    [appellant A] en anderen hebben op 23 mei 2017 bij het college bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 april 2017. Het college had dit bezwaar moeten doorzenden naar de Afdeling ter behandeling als beroep. Het college heeft dit niet gedaan en op 5 oktober 2017 een besluit op bezwaar genomen, waartegen [appellant A] en anderen beroep bij de rechtbank hebben ingesteld. Omdat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing is, heeft het college ten onrechte een besluit op bezwaar genomen. De rechtbank heeft daarom het bezwaarschrift aangemerkt als beroepschrift en het besluit op bezwaar als een eerste verweerschrift. De Afdeling volgt hierin de rechtbank.Ontvankelijkheid2.    Het college betoogt dat de rechtbank het beroep van [appellant A] en anderen niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Het college stelt dat [appellant A] en anderen geen zienswijzen naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit dat aan het besluit van 29 november 2013 voorafging. Verder stellen zij dat de Afdeling al onherroepelijk over het besluit van 12 april 2017 heeft beslist, zodat [appellant A] en anderen dat besluit niet opnieuw en op dezelfde gronden kunnen aanvechten.2.1.    De Afdeling volgt dit betoog niet.    [appellant A] en anderen hebben geen zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren gebracht. Uit artikel 6:13 van de Awb volgt dat zij alleen beroep tegen het besluit van 12 april 2017 kunnen instellen, indien het niet naar voren brengen van zienswijzen hun redelijkerwijs niet kan worden verweten. Het ontwerpbesluit heeft van 22 maart 2013 tot en met 2 mei 2013 ter inzage gelegen. Gedurende die periode konden zienswijzen naar voren worden gebracht. Niet in geschil is dat [appellant A] en anderen pas na 2013 in de Plantage Kerklaan zijn komen wonen. Hun kan daarom redelijkerwijs niet worden verweten dat zij geen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht. Verder heeft de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2017 alleen gezag van gewijsde voor de partijen die aan dat geding hebben deelgenomen. De beslissing tot ongegrondverklaring van het beroep van een aantal andere omwonenden tegen het besluit van 12 april 2017 werkt dus alleen tussen de partijen in dat geding. Dat betekent dat die beslissing niet aan een ontvankelijk beroep van [appellant A] en anderen tegen dat besluit in de weg staat. De rechtbank heeft het beroep terecht ontvankelijk geacht.Het hoger beroep3.    [appellant A] en anderen betogen dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Zij stellen dat de rechtbank niet naar de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2017 had mogen verwijzen omdat de Afdeling in die uitspraak een onjuiste welstandstoets heeft uitgevoerd door te overwegen dat de welstandscriteria naar hun aard niet in de weg staan aan uiteenlopende waarderingen van het bouwplan. De Afdeling had daarentegen aan de welstandscriteria moeten toetsen. Aan verschillende welstandscriteria wordt niet voldaan, aldus [appellant A] en anderen. Daarbij verwijzen zij onder meer naar het rapport van architectenbureau Vroom van 26 april 2017.3.1.    Het college heeft aan het besluit van 12 april 2017 het advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten ten grondslag gelegd. Volgens dit advies voldoet het bouwplan aan de gemeentelijke welstandsnota. De Afdeling heeft in de uitspraak van 31 mei 2017 geconcludeerd dat het college dit advies aan het besluit ten grondslag mocht leggen. Daarbij heeft de Afdeling het rapport van Vroom betrokken en in dat verband overwogen dat, gelet op de aard van de welstandscriteria, verschillende waarderingen van het bouwplan mogelijk zijn. Deze overweging impliceert niet dat niet aan de welstandscriteria is getoetst.    Hetgeen [appellant A] en anderen voor het overige over welstand hebben aangevoerd, komt nagenoeg op hetzelfde neer als het betoog van de appellanten in de zaak van de uitspraak van 31 mei 2017. De gestelde strijdigheid met welstandscriteria is in die uitspraak besproken. De rechtbankheeft onder verwijzing naar die uitspraak kunnen oordelen dat de desbetreffende gronden geen doel treffen.    Het betoog faalt.4.    [appellant A] en anderen betogen onder verwijzing naar twee rapporten van Kupers & Niggebrugge van 17 april 2017 (over geluidsniveaus van stemgeluid en klankkasteffect), dat de geluidsniveaus aanzienlijk worden verhoogd, hetgeen leidt tot overschrijding van de geluidswaarden van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Verder stellen zij dat het bouwplan hun privacy aantast.4.1.    Het oordeel van de Afdeling in de uitspraak van 31 mei 2017 komt hierop neer dat - daargelaten dat het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is - uit de rapporten van Kupers & Niggebrugge niet kan worden afgeleid dat de geluidhinder uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar is. Verder heeft de Afdeling in die uitspraak geoordeeld dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom de privacy van omwonenden niet in zodanige mate wordt aangetast, dat de ontheffing niet in redelijkheid had kunnen worden verleend. Hetgeen [appellant A] en anderen over geluidhinder en aantasting van privacy hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van 31 mei 2017, terecht geconcludeerd dat het college in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen. De stelling dat zij erop hebben vertrouwd dat er geen terrassen mochten komen, moet, zoals ter zitting toegelicht, worden begrepen dat zij vrezen voor precedentwerking en daardoor een toeneming van geluid. Het college heeft daarop toegelicht dat bij nieuwe aanvragen steeds kritisch wordt gekeken naar de invloed op de leefomgeving.    Het betoog faalt.Conclusie5.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Van der Maesen de Sombreffvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 15 januari 2020190-855.