Uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:103

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-01-2020. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 15-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2020:103, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201807663/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2020:103:DOC

201807663/1/A1.Datum uitspraak: 15 januari 2020AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellante], gevestigd te Udenhout, gemeente Tilburg,tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 juli 2018 in zaak nr. 17/8117 in het geding tussen:[partij A] en [partij B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [partij])enhet college van burgemeester en wethouders van Tilburg.ProcesverloopBij besluit van 14 februari 2017 heeft het college aan [appellante] omgevingsvergunning verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het pand aan de [locatie] te Udenhout voor het exploiteren van een bedrijf aan huis.Bij besluit van 10 november 2017 heeft het college het door onder meer [partij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 31 juli 2018 heeft de rechtbank het door [partij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 10 november 2017 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.Bij besluit van 25 september 2018 heeft het college het door [partij] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 14 februari 2017 gegrond verklaard, het besluit van 14 februari 2017 herroepen en de vergunning alsnog geweigerd.Tegen dit besluit heeft [appellante] gronden ingediend.Het college en [partij] hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.[appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2019, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [gemachtigde B], en [gemachtigde C], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.C.J.M. Willemse, zijn verschenen. Tevens is [partij], bijgestaan door mr. E. Beele, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, ter zitting gehoord.Overwegingen1.    [gemachtigde A] woont in de woning aan de [locatie] te Udenhout en exploiteert vanuit die woning [appellante], een elektrotechnisch installatiebedrijf. Op het perceel vinden ten tijde hier van belang administratieve handelingen en opslag van materialen plaats. Materialen worden er afgeleverd door leveranciers en later door [gemachtigde A] of een van de werknemers van het installatiebedrijf naar de locatie van een klant meegenomen.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Udenhout 2008" (hierna: het bestemmingsplan) heeft de woning de bestemming "Wonen-3". Nadat het college een handhavingsbesluit heeft genomen, omdat het gebruik van het perceel voor het elektrotechnisch installatiebedrijf in strijd met het bestemmingsplan zou zijn, heeft [appellante] op 20 oktober 2016 een aanvraag om omgevingsvergunning gedaan.    Het college heeft bij besluit van 14 februari 2017 omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor). Het college heeft de aanvraag getoetst aan het beleid dat is neergelegd in het beleidsstuk "Beleidsregels gemeente Tilburg kleine buitenplanse afwijkingen o.g.v. artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° Wabo (planologische kruimelgevallen)" (hierna: de Beleidsregels) in samenhang met het beleidsstuk "Bestemmingsplan Plansystematiek Tilburg 2016" (hierna: de Plansystematiek). Volgens het college wordt aan de eisen van artikel 47.6.2 van de Plansystematiek voldaan.    [partij] is opgekomen tegen het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning. Hij woont in de woning aan de Sportlaan 44 te Udenhout en heeft bezwaren tegen bedrijfsactiviteiten in de woning van zijn naaste buren.    Het college heeft bij besluit op bezwaar van 10 november 2017 het besluit van 14 februari 2017 in stand gelaten met wijziging van de motivering daarvan. Volgens het college is bij nader inzien het gebruik voor de bedrijfsactiviteiten weliswaar in strijd met genoemd artikel van de Plansystematiek, maar kan daarvan met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden afgeweken.    De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd, omdat het college volgens haar ten onrechte heeft volstaan met een toetsing van de ruimtelijke gevolgen van de bedrijfsactiviteiten en niet heeft gemotiveerd dat bijzondere omstandigheden zich voordeden die afwijking van de Plansystematiek op grond van artikel 4:84 van de Awb rechtvaardigden. De rechtbank heeft overwogen dat het haar voorkomt dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen.    Bij besluit van 25 september 2018 heeft het college opnieuw beslist op het bezwaar van [partij], dit gegrond verklaard, het besluit van 14 februari 2017 herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd.Relevante regelgeving2.    De relevante bepalingen van de Awb, de Wabo, het Bor, de planregels, de Beleidsregels en de Plansystematiek zijn opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.Berusting in beroep?3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan en de gemeentelijke beleidsregels en dat er geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚, van de Wabo. Het college en [partij] hebben zich op het standpunt gesteld dat thans geen aanleiding bestaat inhoudelijk op deze gronden in te gaan, aangezien de rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen die punten niet in geschil waren en [appellante] in zoverre in de beroepsfase daarin heeft berust.    Het door [partij] bij de rechtbank bestreden besluit van 10 november 2017 was voor [appellante] gunstig. Voor haar bestond geen aanleiding daartegen beroep in te stellen, zodat artikel 6:13 van de Awb niet in de weg staat aan het hoger beroep. Gelet hierop staat verder geen rechtsregel eraan in de weg dat [appellante] in hoger beroep gronden aanvoert over punten, waarvan zij bij de rechtbank te kennen zou hebben gegeven, wat daar ook van zij, dat zij deze niet betwist. De Afdeling zal de aangevoerde gronden dan ook inhoudelijk beoordelen.Strijd met bestemmingsplan4.    Over het betoog van [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik van de woning voor haar bedrijfsactiviteiten niet in strijd is met de bestemming van het perceel, overweegt de Afdeling het volgende.4.1.    De gronden met de bestemming "Wonen-3" zijn ingevolge artikel 15, onder 15.1.1, aanhef en onder a, en onder 15.1.3, aanhef en onder g, van de planregels bestemd voor onder meer wonen met als bijbehorende voorziening een beroepsmatige activiteit als een aan huis verbonden beroep. In artikel 1, onder 1.18, is bepaald dat wordt verstaan onder beroepsmatige activiteiten in een woning of bijgebouw: een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, therapeutisch, kunstzinnig en ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied. Een elektrotechnisch installatiebedrijf verleent niet dergelijke diensten en is dus geen beroepsmatige activiteit als bedoeld in de planregels.    Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het gebruik ten behoeve van een elektrotechnisch bedrijf in strijd is met de bestemming.    Het betoog faalt.5.    Over het betoog van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college geen toepassing kon geven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo, in samenhang met onder meer artikel 4, onder 9, van bijlage II van het Bor, omdat verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met de gemeentelijke beleidsregels, overweegt de Afdeling als volgt.5.1.    In de gemeentelijke beleidsregels is voor woningen binnen de bebouwde kom geregeld op welke wijze toepassing wordt gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo, in samenhang met onder meer artikel 4, onder 9, van bijlage II van het Bor. Over het bepaalde onder 9 is in artikel I, aanhef en onder 9, onder a, onder 1, van de Beleidsregels vermeld dat op basis daarvan een omgevingsvergunning kan worden verleend bij woningen indien voldaan wordt aan de regeling voor bedrijf- c.q. beroep aan huis zoals opgenomen in de door de raad c.q. het college vastgestelde Plansystematiek, zoals deze op de dag van indiening van de aanvraag geldt.    Artikel 47, onder 47.6.2, van de Plansystematiek, die gold ten tijde van de indiening van de aanvraag, bevat blijkens het kopje een regeling voor bedrijf en beroep aan huis bij de bestemming "Wonen-3". Ingevolge deze bepaling kan het college de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten aan huis toestaan, voor zover het gaat om bedrijfsmatige activiteiten zoals genoemd in milieucategorieën 1 en 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten en mits wordt voldaan aan de onder 47.6.2 nader genoemde voorwaarden. Dat betekent dat het college slechts een omgevingsvergunning kan verlenen voor de uitoefening van activiteiten binnen de genoemde milieucategorieën 1 en 2, en slechts voor zover die activiteiten zijn aan te merken als bedrijfsmatige activiteiten.    Wat in de Plansystematiek moet worden verstaan onder bedrijfsmatige activiteiten staat in artikel 1, onder 1.35, daarvan. Dergelijke activiteiten zijn ingevolge die begripsbepaling "het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, gericht op onder andere consumentverzorging, welke geheel of overwegend door middel van handwerk plaatsvinden." Een elektrotechnisch installatiebedrijf betreft niet het verlenen van diensten of ambachtelijke bedrijvigheid. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat in de Plansystematiek, bijvoorbeeld in artikel 47, onder 47.5.1, onder c, een onderscheid wordt gemaakt tussen nijverheid en dienstverlening.    Omdat de activiteiten van [appellante] niet kunnen worden aangemerkt als "bedrijfsmatige activiteiten in een woning of bijgebouw" zoals bedoeld in de Plansystematiek, wordt niet voldaan aan de regeling voor bedrijf- c.q. beroep aan huis zoals opgenomen in die Plansystematiek. Op grond van de gemeentelijke beleidsregels kan daarom geen omgevingsvergunning worden verleend met gebruikmaking van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, onder 9, van bijlage II van het Bor. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met de gemeentelijke beleidsregels.    Het betoog faalt.Toepassing van artikel 15.5.3 van de planregels6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er zich wel bijzondere omstandigheden voordeden die afwijking van de gemeentelijke beleidsregels op grond van artikel 4:84 van de Awb rechtvaardigen. Zij stelt in dit verband dat de voor haar bedrijfsvoering noodzakelijke administratieve handelingen en opslag van kleine diefstalgevoelige materialen niet kunnen plaatsvinden op een andere locatie dan in de woning aan de [locatie].6.1.    Het college moet in beginsel handelen overeenkomstig de gemeentelijke beleidsregels, maar kan daar in bijzondere gevallen gemotiveerd van afwijken. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2840), dient het college alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en dient het te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de gemeentelijke beleidsregels gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met die beleidsregels te dienen doelen.6.2.    De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd, omdat het college volgens haar niet heeft gemotiveerd welke bijzondere omstandigheden afwijking van het gemeentelijke beleid rechtvaardigden. Voor zover [appellante] heeft beoogd te betogen dat de rechtbank de aan haar verleende omgevingsvergunning ten onrechte heeft vernietigd, overweegt de Afdeling dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het college in het besluit op bezwaar van 10 november 2017 geen omstandigheden heeft genoemd die volgens hem noopten tot afwijking van de gemeentelijke beleidsregels. De rechtbank heeft daarin terecht aanleiding gezien het besluit te vernietigen.    De rechtbank heeft in de uitspraak overwogen dat het haar voorkomt dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die nopen tot afwijking van de gemeentelijke beleidsregels. De Afdeling begrijpt het betoog in het licht van de uitspraak in zoverre aldus dat [appellante] aanvoert dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand heeft gelaten, nu er volgens [appellante] wel bijzondere omstandigheden bestaan.    Het is echter niet aan de rechtbank, maar aan het college om te toetsen of bijzondere omstandigheden bestaan die mogelijk afwijking van het gemeentelijke beleid rechtvaardigen. Aangezien de uitkomst van de door het college in dat kader nog te maken belangenafweging niet bij voorbaat vaststond, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 10 november 2017 in stand te laten.    Het betoog faalt.7.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college omgevingsvergunning had kunnen verlenen met toepassing van artikel 15.5.3 van de planregels.7.1.    Het college is bij het besluit op bezwaar van 10 november 2017 tot verlening van de omgevingsvergunning ervan uitgegaan dat artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚, van de Wabo, in samenhang met artikel 15.5.3 van de planregels, niet kon worden toegepast. Het college heeft bij het besluit van 14 februari 2017 omgevingsvergunning verleend met toepassing van het bepaalde onder 2˚ van dat artikelonderdeel van de Wabo. De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat het bepaalde onder 1° toepassing mist. Nu [partij] in beroep geen grond heeft aangevoerd over de grondslag van het besluit tot vergunningverlening en er voor de rechtbank geen aanleiding bestond een oordeel te geven over de toepassing van het bepaalde onder 1°, moet worden geoordeeld dat de overweging niet ten grondslag ligt aan haar oordeel over het besluit op bezwaar.       Het aangevoerde kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.    Het betoog faalt.8.    Het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 31 juli 2018 is ongegrond. De uitspraak dient te worden bevestigd.Het besluit van 25 september 20189.    Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft het college op 25 september 2018 opnieuw beslist op het bezwaar. Ingevolge artikel 6:24, in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het hoger beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. [appellante] heeft belang bij het voor haar ongunstige besluit, zodat het door haar ingediende hoger beroep van rechtswege mede betrekking heeft op het besluit van 25 september 2018. Zij heeft daartegen gronden ingediend.10.    [appellante] betoogt dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren omgevingsvergunning te verlenen. Volgens haar kan de omgevingsvergunning worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚, van de Wabo in samenhang met artikel 15, onder 15.5.3, van de planregels. Aan de in die laatste bepaling onder a tot en met g genoemde voorwaarden wordt volgens haar voldaan, evenals aan het vereiste over de milieucategorie.10.1.    Ingevolge het bepaalde in artikel 15, onder 15.5.3, van de planregels kan het college de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten aan huis toestaan, voor zover het gaat om bedrijfsmatige activiteiten zoals genoemd in milieucategorieën 1 en 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten en mits wordt voldaan aan de onder 15.5.3 nader genoemde voorwaarden onder a tot en met g en aan de procedureregels in artikel 26. Dat betekent dat ingevolge deze bepaling slechts een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚, van de Wabo kan worden verleend voor de uitoefening van activiteiten binnen de genoemde milieucategorieën 1 en 2, en slechts voor zover die activiteiten zijn aan te merken als bedrijfsmatige activiteiten.    Wat in de planregels moet worden verstaan onder bedrijfsmatige activiteiten staat in artikel 1, onder 1.14, daarvan: "het bedrijfsmatig verlenen van diensten, c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid gericht op consumentverzorging geheel of overwegend door middel van handwerk". Deze begripsomschrijving vertoont sterke gelijkenis met de begripsomschrijving in artikel 1, onder 1.35, van de Plansystematiek. Zoals al is overwogen onder 5.1 betreft een elektrotechnisch installatiebedrijf niet het verlenen van diensten of ambachtelijke bedrijvigheid. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat in de planregels onderscheid wordt gemaakt tussen nijverheid en dienstverlening (zie artikel 15, onder 15.5.1, onder b, daarvan).    Aangezien de activiteiten van [appellante] niet kunnen worden aangemerkt als "bedrijfsmatige activiteiten in een woning of bijgebouw" zoals bedoeld in artikel 15, onder 15.5.3, van de planregels, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het de gevraagde omgevingsvergunning niet kan verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚, van de Wabo. Of wordt voldaan aan de onder artikel 15, onder 15.5.3, van de planregels genoemde voorwaarden, is daarom niet relevant.    Het betoog faalt.11.    [appellante] betoogt tot slot dat het college niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Volgens [appellante] bestond aanleiding om af te wijken van de gemeentelijke beleidsregels op grond van artikel 4:84 van Awb. Zij wijst in dit verband erop dat de voor haar bedrijfsvoering noodzakelijke administratieve handelingen en opslag van kleine diefstalgevoelige materialen niet kunnen plaatsvinden op een andere locatie dan in de woning aan de [locatie], terwijl  zij voldoet aan alle onder artikel 47, onder 47.6.2, onder a tot en met h, van de Plansystematiek, genoemde voorwaarden, zoals de vereisten over het niet veroorzaken van hinder en over de maximum te gebruiken vloeroppervlakte.11.1.    Het college handelt ingevolge artikel 4:84 van de Awb overeenkomstig de gemeentelijke beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Zoals hiervoor onder 5.1 is overwogen, kunnen de activiteiten van [appellante] niet worden aangemerkt als "bedrijfsmatige activiteiten in een woning of bijgebouw" zoals bedoeld in de Plansystematiek. Dat die activiteiten volgens haar aan de vereisten onder a tot en met h voldoen, wat daar ook van zij, is niet een bijzondere omstandigheid die noopt tot afwijking van de beleidsregels. Wat [appellante] aanvoert over het gebruik van de woning is dat ook niet. Het college heeft hierin terecht geen aanleiding gezien om van de gemeentelijke beleidsregels af te wijken en heeft de omgevingsvergunning dan ook in redelijkheid kunnen weigeren.    Het betoog faalt.12.    Het beroep tegen het besluit van 25 september 2018 is ongegrond.Proceskosten13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;II.    verklaart het beroep tegen het besluit van 25 september 2018 ongegrond.Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Van Heusdenvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 15 januari 2020163-860. Bijlage Algemene wet bestuursrechtArtikel 4:84:Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.Artikel 6:13:Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.Wet algemene bepalingen omgevingsrechtArtikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c:Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […].Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a:Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:1˚. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,2˚. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of3˚.    in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.Besluit omgevingsrechtArtikel 4, aanhef en onder 9, van bijlage II:Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking: […] het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.Bestemmingsplan "Udenhout 2008"Artikel 1, aanhef en onder 1.14:In deze regels wordt verstaan onder: […]bedrijfsmatige activiteiten in een woning of bijgebouwhet bedrijfsmatig verlenen van diensten, c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid gericht op consumentverzorging geheel of overwegend door middel van handwerk.Artikel 1, onder 1.18:beroepsmatige activiteiten in een woning of bijgebouwEen beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, therapeutisch, kunstzinning en ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebiedArtikel 1, onder 1.41:dienstverleninghet verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, evenwel met uitzondering van detailhandel en seksinrichtingen.Artikel 15, onder 15.1.1:FunctieDe voor ´Wonen-3´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:a. wonen, met dien verstande dat er sprake is van grondgebonden woningen;b. bouwwerken van algemeen nut.Artikel 15, onder 15.1.2:AanduidingenTer plaatse van de aanduidingen:a. bedrijf van categorie 2 (b=2);b. horeca van categorie 1 (h=1) en zoals nader beschreven in Bijlage 3 Register horecabedrijven in het plangebied;c. bed & breakfast (bb),zijn de voor ´Wonen-3´ aangewezen gronden mede bestemd voor de daarbij weergegeven functies.Artikel 15, onder 15.1.3:Bijbehorende voorzieningenDe voor ´Wonen-3´ aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor:a. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;b. tuinen en erven;c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;d. parkeer-, stallings- en verkeersvoorzieningen;e. groen- en speelvoorzieningen;f. objecten voor beeldende kunst;g. een beroepsmatige activiteit als een aan huis verbonden beroep, voor zover deze voorzieningen behoren bij en ondergeschikt zijn aan de onder 15.1.1 en 15.1.2 genoemde functies.Artikel 15, onder 15.5.1, aanhef en onder b:Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming ‘Wonen-3’, wordt in ieder geval gerekend: […] de uitoefening van enige tak van handel, nijverheid of dienstverlening daaronder begrepen een ambachtelijk of industrieel bedrijf, met uitzondering van uitoefening van beroepsmatige activiteiten als bedoeld in 15.1.3 sub g.Artikel 15, onder 15.5.3:Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van de procedureregels in artikel 26 ontheffing verlenen van het bepaalde in 15.5.1 ten behoeve van de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten zoals genoemd in milieucategorie 1 en 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de bij de regels behorende Staat bedrijfsactiviteiten, in de woning en/of bijgebouw(en) met dien verstande dat:a.    de bedrijfsuitoefening in zijn uiterlijke verschijningsvorm ondergeschikt is aan de woning en de woonomgeving.b.    geen ontheffing wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid welke onder de werking van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 1993, 50) valt, tenzij het betreffende gebruik door middel van het stellen van voorwaarden     wel verantwoord is;c.     geen sprake is van ontoelaatbare publieks- of verkeersaantrekking, mede in verband met eventueel reeds in de directe omgeving aanwezige beroepsvestigingen;d.     op geen enkele andere wijze overlast wordt veroorzaakt.e.    voldoende is of kan worden voorzien in parkeergelegenheid voor werknemers en bezoekers;f.    geen detailhandel plaatsvindt, anders dan in ter plaatse vervaardigde goederen.g.    maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woning en de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in gebruik mag zijn, met een maximum van 80 m2.Beleidsstuk "Beleidsregels gemeente Tilburg kleine buitenplanse afwijkingen o.g.v. artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° Wabo (planologische kruimelgevallen)"Artikel I, aanhef:Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a onder 2, van de wet van het bestemmingsplan of beheersverordening wordt afgeweken, geldt voor de hierna genoemde onderdelen de volgende Beleidsregels:[…]9. Het gebruiken van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:a. binnen de bebouwde kom, en1. Op basis van dit artikelonderdeel kan een omgevingsvergunning worden verleend bij woningen indien voldaan wordt aan de regeling voor bedrijf- c.q. beroep aan huis zoals opgenomen in de door de raad c.q. het college vastgestelde plansystematiek, zoals deze op de dag van indiening van de aanvraag geldt.2. […].Beleidsstuk "Bestemmingsplan Plansystematiek Tilburg 2016"Artikel 1, onder 1.35,In deze regels wordt verstaan onder:bedrijfsmatige activiteiten in een woning of bijgebouwHet bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, gericht op onder andere consumentverzorging, welke geheel of overwegend door middel van handwerk plaatsvinden.Artikel 1, onder 1.74In deze regels wordt verstaan onder:dienstverleningHet verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, evenwel met uitzondering van detailhandel en seksinrichtingen.Artikel 47, onder 47.5.1:Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming wordt in elk geval gerekend:a. het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen, waaronder garageboxen als zelfstandige woning;b. het gebruik van een woning voor de huisvesting van meer dan 5 personen in onzelfstandige wooneenheden (kamerverhuur} anders dan toegelaten op grond van 47.1.1 en 47.1.2;c. de uitoefening van enige tak van handel, nijverheid of dienstverlening daaronder begrepen detailhandel,ambachtelijk of industrieel bedrijf, anders dan toegelaten op grond van 47.1;d. het gebruik van gronden en bouwwerken als geluidshinderlijke inrichting of risicovolle inrichting;e. het splitsen van een (grondgebonden) woning in twee of meer zelfstandige woonruimten;f. het storten van puin en afvalstoffen, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming;g. opslag van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten bouwmaterialen, werktuigen, machines en onderdelen hiervan, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming;h. opslag van gebruiksklare of onklare voer- en vaartuigen of onderdelen daarvan, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming;i. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens;j. het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige kantoren of zelfstandige kantoorruimten.Artikel 47, onder 47.6.2,:Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 47.5.1 ten behoeve van de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten zoals genoemd in milieucategorie 1 en 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de bij de regels behorende Bijlage "Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten", in de woning en/of bijgebouw(en) met dien verstande dat:a. degene die de activiteit uitoefent, tevens de bewoner is van de woning;b. de bedrijfsuitoefening in zijn uiterlijke verschijning ondergeschikt is aan de woning en de woonomgeving;c. geen omgevingsvergunning wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid welke op grond van artikel 2.1, lid 1, onder e. van de Wabo vergunningplichtig is, tenzij het betreffende gebruik door middel van het stellen van voorwaarden wel verantwoord is;d. geen sprake is van ontoelaatbare publieks- of verkeersaantrekking, mede in verband met eventueel reeds in de directe omgeving aanwezige beroepsvestigingen;e. op geen enkele andere wijze overlast wordt veroorzaakt;f. voldoende is of kan worden voorzien in parkeergelegenheid voor werknemers en bezoekers;g. geen detailhandel plaatsvindt, anders dan in ter plaatse vervaardigde goederen;h. maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woning en de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in gebruik mag zijn, met een maximum van 80 m2.