Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:826

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-03-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:826, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201802710/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:826:DOC

201802710/1/A1.Datum uitspraak: 13 maart 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te Appelscha, gemeente Ooststellingwerf,tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 februari 2018 in zaak nr. 17/2549 in het geding tussen:[appellant]enhet college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf.ProcesverloopBij besluit van 15 december 2016 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen voor de realisering van units op het perceel [locatie] te Appelscha (hierna: het perceel).Bij besluit van 20 juni 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar onder aanvulling van de motivering ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 23 februari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2019, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M.P.A. Witteveen en mr. P.J. Daling, zijn verschenen.Overwegingen1.    [appellant] exploiteert op het perceel een hotel-restaurant. Hij heeft in 1993 verzocht om toestemming voor plaatsing van units voor twaalf eenpersoonshotelkamers op het noordelijk gelegen gedeelte van het perceel. Het college heeft [appellant] bij besluit van 15 juli 1993 onder verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan een vergunning verleend voor de bouw en het gebruik van die units, voor een periode van vijf jaar. Deze units bestaan uit één bouwlaag en zijn gezamenlijk ongeveer 40 m lang en 7 m breed.    Op 28 september 2016 heeft [appellant] voor de aanwezige units een aanvraag om omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd ingediend. De units, waarvoor vergunning is gevraagd, zijn in strijd met de ter plaatse geldende beheersverordening "Appelscha 2014", omdat zij gedeeltelijk buiten het bouwvlak liggen. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 15 december 2016 heeft het college geweigerd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) omgevingsvergunning te verlenen. Het college acht het project vanuit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar.2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren. Volgens [appellant] heeft het college niet gemotiveerd waarom het project ruimtelijk gezien ongewenst is. Daarbij wijst hij erop dat het college weliswaar stelt eraan te hechten dat bebouwing binnen het bouwvlak wordt geconcentreerd, maar dat de vorm van het bouwvlak zodanig is dat bij bebouwing daarbinnen geen sprake is van geconcentreerde bebouwing. [appellant] stelt verder dat de bebouwing die het bouwvlak overschrijdt, relatief gezien, in het niet valt bij wat er volgens de beheersverordening gebouwd mag worden in het bouwvlak, aangezien het bouwvlak geheel mag worden bebouwd en de units slechts voor een klein deel buiten het bouwvlak liggen. Verder wijst hij erop dat in het verleden door het college reeds twee gebouwen op het perceel zijn vergund die buiten het bouwblok zijn gelegen. Voorts heeft het college onvoldoende gewicht toegekend aan zijn belangen. Hij wijst er daarbij op dat de units al sinds zeer lange tijd ter plaatse aanwezig zijn en dat er nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering zijn indien hij de verhuur van de hotelkamers moet staken omdat de units moeten worden afgebroken en binnen het bouwvlak weer moeten worden opgebouwd.2.1.    De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor een project dat in strijd is met de beheersverordening, is een bevoegdheid van het college. Het college dient bij de beslissing of het gebruik maakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van de beheersverordening de belangen af te wegen, waarbij het beleidsruimte heeft. De rechter dient zich te beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.2.2.    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het project vanuit een ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar is. Het college heeft aan de weigering om omgevingsvergunning te verlenen in redelijkheid ten grondslag kunnen leggen dat het wenst vast te houden aan de ruimtelijke uitgangspunten van de beheersverordening van 2014. In de beheersverordening is ervoor gekozen het bouwvlak dat in het voorgaande bestemmingsplan was opgenomen niet te vergroten. Het college heeft bij zijn besluit in aanmerking kunnen nemen dat de oppervlakte van dat bouwvlak groot is en dat er binnen het bouwvlak nog uitbreidingsmogelijkheden voor het horecabedrijf bestaan. Dat volgens [appellant] de huidige plek van de units voor het bedrijf de meest geschikte plek is, doet hieraan niet af. Het college heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat een overschrijding van dat bouwvlak met ongeveer 200 m2 fors is en bij zijn afweging mogen betrekken dat het bebouwing buiten het bouwvlak wil voorkomen teneinde het woongenot van omwonenden niet te schaden.    Dat, zoals [appellant] stelt, de beheersverordening het mogelijk maakt dat het bouwvlak geheel wordt volgebouwd, neemt niet weg dat het college mag vasthouden aan het uitgangspunt dat bebouwing buiten het bouwvlak niet wenselijk wordt geacht. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat in het verleden voor twee, deels buiten het bouwvlak gelegen gebouwen op het perceel vergunning is verleend. In de omstandigheid dat bij verlening van een omgevingsvergunning de door [appellant] gestelde nadelige financiële gevolgen voor de bedrijfsvoering zich niet zullen voordoen, heeft het college voorts geen aanleiding hoeven zien om de omgevingsvergunning te verlenen.    Voor zover [appellant] ten slotte betoogt dat hem in het kader van de procedure tot vaststelling van de beheersverordening is toegezegd dat het bouwvlak ten behoeve van de units zou worden aangepast, zodat in de beheersverordening de bestaande units binnen dat bouwvlak zouden komen te liggen, overweegt de Afdeling dat vertrouwen dat in de procedure tot vaststelling van de beheersverordening is gewekt, wat daar ook van zij, alleen in die procedure van betekenis kan zijn. Het strekt niet zover dat [appellant] er op mocht vertrouwen dat het college na vaststelling van de beheersverordening medewerking zou verlenen aan vergunningverlening voor de units.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college in redelijkheid tot zijn besluit om omgevingsvergunning te weigeren heeft kunnen komen.    Het betoog faalt.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.w.g. Drop    w.g. Van Heusdenlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 13 maart 2019163-842.