Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:824

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-03-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:824, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201801702/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:824:DOC

201801702/1/A1.Datum uitspraak: 13 maart 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellante], wonend te Diemen,tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2018 in zaak nr. 17/1776 in het geding tussen:[appellante]enhet college van burgemeester en wethouders van Diemen.ProcesverloopBij besluit van 6 juni 2016 heeft het college zijn beslissing om op 23 en 25 mei 2016 spoedeisende bestuursdwang toe te passen door het afval uit de woning op het perceel [locatie] te Diemen te verwijderen, op schrift gesteld.Bij besluit van 12 augustus 2016 heeft het college de kosten van de toepassing van spoedeisende bestuursdwang vastgesteld op € 8.604,62 en deze kosten op [appellante] verhaald (hierna: de kostenverhaalsbeschikking).Bij besluit van 8 februari 2017 heeft het college het door [appellante] tegen het besluit van 6 juni 2016 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het door [appellante] tegen het besluit van 12 augustus 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 17 januari 2018 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.[appellante] heeft een nader stuk ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. T.A. Vetter, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.C. van der Vecht, mr. D. Walraven, R. Kriek en D. Miguelez, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    [appellante] woont in de op het perceel gelegen eengezinswoning. Op 23 mei 2016 hebben medewerkers van de Geneeskundige en Gezondheidsdienst Amsterdam (hierna: de GGD) ter plaatse een huisbezoek afgelegd. Volgens het besluit van 6 juni 2016 hebben zij tijdens dat huisbezoek in de woning dermate veel spullen en afval aangetroffen, dat er een groot risico op brand bestond en het gevaar bij brand ook groot zou zijn. Na overleg met medewerkers van het college is de GGD op 23 mei 2016 begonnen met de uitvoering van spoedeisende bestuursdwang door het afval uit de woning te laten verwijderen. Vanwege de ingrijpende gevolgen van deze bestuursdwang voor [appellante] is de uitvoering een dag onderbroken en op 25 mei 2016 voortgezet.    Bij het besluit van 6 juni 2016 heeft het college zijn beslissing om spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld. Het college heeft aan de toepassing van spoedeisende bestuursdwang ten grondslag gelegd dat de woning niet zonder gevaar voor de veiligheid en gezondheid was te bewonen en dat [appellante], door haar woning in die staat te brengen en te laten, artikel 1b van de Woningwet in samenhang met artikel 7.16 van het Bouwbesluit 2012 heeft overtreden.    Bij de kostenverhaalsbeschikking heeft het college de kosten van de toepassing van spoedeisende bestuursdwang vastgesteld op € 8.604,62 en deze kosten bij [appellante] ingevorderd.    Bij het besluit van 8 februari 2017 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarcommissie, het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 6 juni 2016 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar buiten de bezwaartermijn is ingediend en er daarvoor geen goede redenen zijn. Het college heeft het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen de kostenverhaalsbeschikking ongegrond verklaard.Besluit van 6 juni 20162.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het bezwaar tegen het besluit van 6 juni 2016 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens haar is de termijnoverschrijding verschoonbaar, omdat zij het besluit niet heeft ontvangen. Zij is eerst op 16 augustus 2016, op het moment van het ontvangen van de kostenverhaalsbeschikking, op de hoogte geraakt van het besluit van 6 juni 2016. Ter onderbouwing van haar standpunt voert zij aan dat PostNL dat besluit niet op regelmatige wijze heeft aangeboden aan haar adres en dat PostNL geen afhaalbericht op haar adres heeft achtergelaten. Volgens haar wordt dit bevestigd door de uitdraai van de postregistratie "Detailpagina zending", omdat daaruit blijkt dat PostNL maar eenmaal heeft geprobeerd het poststuk te bezorgen en daaruit niet blijkt dat er een afhaalbericht op haar adres is achtergelaten. Daarnaast betoogt [appellante] dat, nadat zij op 16 augustus 2016 op de hoogte was geraakt van het besluit van 6 juni 2016, zij zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk was tegen dat besluit bezwaar heeft gemaakt.2.1.    Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken."    Artikel 6:8, eerste lid, luidt: "De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt."    Artikel 3:41, eerste lid, luidt: "De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager."    Artikel 5:24, derde lid, luidt: "De last onder bestuursdwang wordt bekendgemaakt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager."    Artikel 6:9, eerste lid, luidt: "Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen."    Artikel 6:11 luidt: "Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest."   2.2.    Volgens het college is het bestuursdwangbesluit zowel per gewone post als aangetekend verzonden naar het woonadres van [appellante]. Vast staat en tussen partijen is niet in geschil dat het college het besluit van 6 juni 2016 op diezelfde dag in ieder geval aangetekend en correct geadresseerd heeft verzonden. Daarmee is het besluit overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb bekendgemaakt. De bezwaartermijn is, gelet op artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, op 7 juni 2016 begonnen en liep tot en met 18 juli 2016. Het bezwaarschrift van [appellante] is op 26 september 2016 door het college ontvangen. Het is derhalve, gelet op artikel 6:9 van de Awb, niet tijdig ingediend.2.3.    Beoordeeld moet worden of [appellante] in verzuim als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb is geweest door de te late indiening van het bezwaarschrift tegen het besluit van 6 juni 2016. Indien een besluit of uitspraak aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, dient te worden onderzocht of de desbetreffende brief door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer PostNL bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk bij het kantoor van PostNL voor rekening en risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten.2.4.    Het is vaste praktijk van PostNL dat, indien uitreiking van een aangetekend stuk aan de geadresseerde niet mogelijk blijkt, in de brievenbus van de geadresseerde een kennisgeving wordt achtergelaten dat het stuk gedurende een zekere termijn op het kantoor van PostNL kan worden afgehaald. Het college heeft een uitdraai van de postregistratie overgelegd. Daarin staat bij 7 juni 2016 onder meer "18:51:26 POP - 2e bestelling, rit 523" en bij 8 juni 2016 "17:59:37 Niet thuis; naar afhaalkantoor, rit 523". De Afdeling acht het gelet daarop aannemelijk dat het poststuk op 7 juni 2016 voor de eerste keer tevergeefs op het adres van [appellante] is aangeboden, voor een tweede afleverpoging is klaargezet en dat het, nadat het op 8 juni 2016 voor de tweede keer tevergeefs is aangeboden, naar een afhaalkantoor is gebracht. In zoverre heeft PostNL haar vaste praktijk gevolgd. Onder deze omstandigheid heeft [appellante], met de enkele ontkenning van ontvangst, niet aannemelijk gemaakt dat PostNL geen afhaalbericht van de aanbieding op 8 juni 2016 heeft achtergelaten. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat [appellante] heeft verzuimd het aangetekend poststuk bij het afhaalkantoor af te halen, waarvan de gevolgen voor haar risico komen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellante] niet in verzuim is geweest door niet tijdig bezwaar te maken. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 8 februari 2017, waarbij het college het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 6 juni 2016 niet-ontvankelijk heeft verklaard, derhalve terecht ongegrond verklaard.    Aangezien ervan moet worden uitgegaan dat [appellante] van het besluit kennis had kunnen nemen en daartegen tijdig bezwaar had kunnen maken, wordt aan haar betoog dat zij, nadat zij op 16 augustus 2016 van het bestuursdwangbesluit op de hoogte was geraakt, alsnog zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk was, daartegen bezwaar heeft gemaakt, niet toegekomen.    Het betoog faalt.Besluit van 12 augustus 20163.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de kosten van bestuursdwang ten onrechte voor haar rekening zijn gebracht, aangezien het college niet tot spoedeisende bestuursdwang had mogen besluiten. Zij voert daartoe aan dat de situatie niet zodanig spoedeisend was dat zij niet eerst zelf in de gelegenheid gesteld had kunnen worden om de overtreding te beëindigen. De enkele stelling van het college dat de situatie brandgevaarlijk was en de vluchtwegen niet vrij waren, is volgens [appellante] onvoldoende om over te kunnen gaan tot spoedeisende bestuursdwang. 3.1.    Zoals hiervoor onder overweging 2.4 is overwogen, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 februari 2017, waarbij het college het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 6 juni 2016 niet-ontvankelijk heeft verklaard, terecht ongegrond verklaard, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dat besluit inhoudelijk juist is en de uitgevoerde bestuursdwang rechtmatig is. De grond dat ten onrechte spoedeisende bestuursdwang is toegepast, had [appellante] tijdig naar voren moeten brengen tegen het besluit van 6 juni 2016. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:466), kan een belanghebbende in de procedure tegen de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit is slechts in uitzonderlijke gevallen anders. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is.    De Afdeling ziet gelet op de omstandigheden van dit geval in het betoog dat [appellante] eerst zelf in de gelegenheid gesteld had kunnen worden om de overtreding te beëindigen, geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in voornoemde zin dat ertoe zou moeten leiden dat het college niet in redelijkheid de kosten van de toegepaste bestuursdwang op haar mocht verhalen.    Het betoog faalt.4.    [appellante] betoogt dat het college, alvorens tot kostenverhaal over te gaan, haar in de gelegenheid had moeten stellen te worden gehoord. Zij heeft dit betoog voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Ook het betoog dat het college niet in redelijkheid de kosten van bestuursdwang op haar kan verhalen, omdat zij aan ‘hoarding’ lijdt, en omdat de medewerkers van de GGD haar huisrecht hebben geschonden omdat zij zonder zich te legitimeren en zonder het doel van het binnentreden kenbaar te maken haar woning zijn binnengegaan, heeft [appellante] voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom deze gronden niet reeds bij de rechtbank konden worden aangevoerd, en [appellante] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dienen deze gronden buiten beschouwing te blijven.5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er aanleiding bestond om de kosten van de spoedeisende bestuursdwang op nihil te stellen dan wel te matigen. Zij voert hiertoe aan dat zij als gevolg van de toegepaste bestuursdwang een depressie heeft gekregen en een posttraumatische stressstoornis heeft ontwikkeld, en dat het college met deze gevolgen rekening had moeten houden. Ook voert zij in dit verband aan dat het college haar spullen niet heeft opgeslagen, maar heeft vernietigd.5.1.    In artikel 5:25 van de Awb is neergelegd dat bestuursdwang en het verhaal van kosten van bestuursdwang in de regel samengaan. Voor het maken van een uitzondering kan onder meer aanleiding bestaan indien de aangeschrevene ten aanzien van de ontstane situatie geen verwijt valt te maken en bij het ongedaan maken van de met het recht strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene behoren te komen. Ook andere bijzondere omstandigheden kunnen ertoe nopen de kosten voor het toepassen van bestuursdwang redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de aangeschrevene te laten komen.5.2.    Er is in dit geval niet gebleken van dergelijke of andere bijzondere omstandigheden die het college ertoe noopten de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van [appellante] te laten komen. Dat zij als gevolg van de toepassing van de spoedeisende bestuursdwang psychische klachten heeft ontwikkeld is daarvoor onvoldoende.    Voor zover [appellante] betoogt dat het college haar spullen ten onrechte heeft vernietigd, overweegt de Afdeling dat in het op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 2 juni 2016 staat welke spullen er op 23 en 25 mei 2016 zijn afgevoerd. Het gaat om papier, kranten, folders, kartonnen dozen, etenswaren die over de houdbaarheidsdatum waren, lege sigarettenpakjes en tijdschriften. In het proces-verbaal staat ook dat bepaalde waardevolle spullen, waaronder geld en sieraden, in een witte doos zijn gedaan en dat die doos op de zolder van [appellante] is neergezet. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank, gelet op de foto’s in het dossier, terecht overwogen dat het niet aannemelijk is dat er andere spullen dan vermeld in het proces-verbaal door het college zijn meegevoerd. De rechtbank is reeds daarom terecht tot de conclusie gekomen dat voornoemde gestelde omstandigheden het college geen aanleiding hebben hoeven geven de kosten van de toegepaste bestuursdwang niet of niet geheel op [appellante] te verhalen.    Het betoog faalt.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.w.g. Drop    w.g. Van Heusdenlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 13 maart 2019163-842.