Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:790

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-03-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:790, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201803958/1/A3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:790:DOC

201803958/1/A3.Datum uitspraak: 13 maart 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,appellant,tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 maart 2018 in zaak nr. 17/3540 in het geding tussen:[wederpartij]ende minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, thans de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.ProcesverloopBij besluit van 17 augustus 2016 heeft de minister [wederpartij] een bestuurlijke boete opgelegd van € 18.750,00 wegens twee overtredingen.Bij besluit van 29 augustus 2017 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 20 maart 2018 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover gericht tegen het bij het besluit van 29 augustus 2017 gehandhaafde boetebedrag van € 18.000,00, dat besluit in zoverre vernietigd, het besluit van 17 augustus 2016 in zoverre herroepen, bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 29 augustus 2017 en het beroep voor zover gericht tegen het bij het besluit van 29 augustus 2017 gehandhaafde boetebedrag van € 750,00 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2019, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. W.C.M. Broersma, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    Op 29 oktober 2015 heeft [persoon A], op dat moment op uitzendbasis bij [wederpartij] in dienst als installatiemonteur, omstreeks 07:45 uur bij het uitoefenen van werkzaamheden zijn onderbeen gebroken. Als gevolg van het arbeidsongeval is hij in het ziekenhuis opgenomen. Op 30 oktober 2015 omstreeks 10:19 uur is het arbeidsongeval bij de arbeidsinspectie gemeld.2.    Uit het boeterapport van 1 december 2015 dat is opgesteld naar aanleiding van de melding volgt dat de door [persoon A] verrichte werkzaamheden plaatsvonden in het kader van het plaatsen van douchebakken in appartementen voor studenten. Bij het verleggen van een verlengsnoer gelegen achter en deels onder tien schuin tegen de muur geplaatste gipsplaten zijn de platen op hem terecht gekomen toen hij de platen met één hand iets naar voren wilde trekken. De inspecteur heeft geconstateerd dat de platen elk circa 3 m lang, 1,2 m breed en 12,5 mm dik waren. De platen stonden schuin tegen een muur met hun lange zijde op de grond in een gang met een breedte van 1,60 meter. Het gewicht van elke plaat bedroeg volgens de productinformatie 37,8 kg.Besluitvorming3.    Aan [wederpartij] zijn twee boetes opgelegd. De eerste boete van € 18.000,00 is opgelegd omdat het installatiebedrijf niet alles heeft gedaan wat in redelijkheid van haar verwacht mocht worden om het gevaar dat haar werknemer geraakt zou worden door de gipsplaten, dan wel dat hij bekneld zou raken onder de gipsplaten, te voorkomen dan wel zo veel mogelijk te beperken. De tweede boete van € 750,00 is opgelegd omdat het arbeidsongeval, met ziekenhuisopname tot gevolg, pas na ongeveer 26,5 uur is gemeld bij de Arbeidsinspectie. In bezwaar heeft de minister de opgelegde boetes gehandhaafd.Aangevallen uitspraak4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat zich geen overtreding heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: de Arbowet), gelezen in verbinding met artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit). De minister heeft daarom ten onrechte een boete van € 18.000,00 aan [wederpartij] opgelegd, aldus de rechtbank.Hoger beroep staatssecretaris5.    De staatsecretaris betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [wederpartij] artikel 3.17 van het Arbobesluit niet heeft overtreden. Hij voert aan dat ook zeer voorzienbare risico’s dienen te worden geïnventariseerd. Volgens de staatssecretaris zijn ook in gevallen waarin sprake is van evident gevaar concreet vastgestelde veilige werkwijzen en duidelijke instructies onmisbaar. Verder voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat [wederpartij] achterwege heeft gelaten duidelijke afspraken te maken met de overige in het pand werkzame aannemers over de logistiek op de bouwplaats. Met dergelijke afspraken had volgens de staatssecretaris voorkomen kunnen worden dat [persoon A] zich met de situatie geconfronteerd zag waarin hij het verlengsnoer achter de gipsplaten vandaan moest halen, zonder dat hij hiervoor was geïnstrueerd. In dat verband is ook niet gebleken dat een last minute risicoanalyse is uitgevoerd dan wel dat [persoon A] was geïnstrueerd deze uit te voeren. Dat in het bedrijfseigen veiligheidsplan van het installatiebureau is opgenomen dat gevaarlijke situaties direct gemeld dienen te worden aan de chefmonteur, is niet voldoende concreet, aldus de staatssecretaris.5.1.    Artikel 16, tiende lid, van de Arbowet luidt:"De werkgever, dan wel een ander dan de werkgever bedoeld in het zevende, achtste of negende lid en de werknemers zijn verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel, artikel 20, eerste lid, en artikel 24, negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voorzover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald."    Artikel 3.17, eerste volzin, van het Arbobesluit luidt:"Het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, wordt voorkomen en indien dat niet mogelijk is zoveel mogelijk beperkt."5.2.    Zoals door de staatssecretaris ter zitting is toegelicht, ziet het voorkomen, dan wel zoveel mogelijk beperken, als bedoeld in artikel 3.17 van het Arbobesluit op het geven van instructies. Volgens de staatssecretaris, zo is verder toegelicht, had het ongeval voorkomen kunnen worden door het geven van instructies, bijvoorbeeld dat een werknemer niet aan gereedschap en bouwmateriaal van derden mag komen.5.3.    Uit de stukken volgt dat het ongeval is gebeurd toen [persoon A] een verlengsnoer wilde pakken dat achter en deels onder een stapel gipsplaten lag. Deze zware gipsplaten stonden met de lange zijde schuin tegen de muur. Partijen zijn het erover eens dat dit op zichzelf niet gevaarzettend is. De gipsplaten konden, gelet op hun omvang, hun vorm en hun gewicht en gezien het aantal platen, echter niet zonder gevaar van omvallen door één persoon worden verplaatst. [persoon A] heeft toch de keuze gemaakt om dit alleen te doen, terwijl op de bouwplaats een collega aan het werk was. [persoon A], die beschikt over een VCA-diploma, heeft verklaard:"Ik zie het ongeval zelf als een dom ongeval". Hij heeft tevens verklaard dat op de bouwplaats toezicht werd gehouden door [persoon B], de chefmonteur die dagelijks aanwezig was en altijd gebeld kon worden en die hem wegwijs heeft gemaakt op de bouwplaats. Zoals [persoon B] ter zitting heeft toegelicht, heeft hij [persoon A] rondgeleid op de bouwplaats en hem daarbij gewezen op alle risico’s.    Onder deze omstandigheden is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat [wederpartij] artikel 16, tiende lid, van de Arbowet, gelezen in verbinding met artikel 3.17 van het Arbobesluit niet heeft overtreden. In dit geval is niet gebleken van onvoldoende concrete (schriftelijke) instructies om het gevaar bekneld te raken onder de gipsplaten, te voorkomen dan wel zo veel mogelijk te beperken. De rechtbank heeft terecht in aanmerking genomen dat het algemeen bekend kan worden verondersteld dat door de handelwijze van [persoon A] verwondingen kunnen optreden en dat dit op zichzelf voorzienbaar is en tevens zodanig evident dat dit niet in protocollen en werkvoorschriften te vatten is. Niet valt in te zien dat dit ongeval voorkomen had kunnen worden door een op een bouwplaats praktisch werkbare instructie. Hetgeen de staatssecretaris in hoger beroep heeft aangevoerd, biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel. De boete van € 18.000,00 is ten onrechte aan [wederpartij] opgelegd.    Het betoog slaagt niet.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.7.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;II.    veroordeelt de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;III.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een griffierecht van € 508,00 (zegge: vijfhonderdacht euro) wordt geheven.Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.w.g. Lubberdink    w.g. Ley-Nellvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 13 maart 2019597.