Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:778

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-03-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:778, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201803865/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:778:DOC

201803865/1/A2.Datum uitspraak: 13 maart 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellante], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 maart 2018 in zaak nr. 16/5733 in het geding tussen:[appellante]ende Belastingdienst/Toeslagen.ProcesverloopBij besluit van 5 februari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2015 opnieuw berekend en op nihil gesteld.Bij besluit van 27 juni 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 30 maart 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 juni 2016 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. S.C. Scheermeijer, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    [appellante] heeft in 2015 gebruik gemaakt van kinderopvang bij [kindercentrum] te Rotterdam voor haar kind. [appellante] heeft in dat jaar voorschotten kinderopvangtoeslag ontvangen. Bij besluit van 5 februari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag over 2015 opnieuw berekend en vastgesteld op nihil, omdat [appellante] volgens de dienst niet heeft aangetoond dat zij alle kosten voor kinderopvang daadwerkelijk heeft betaald. Bij besluit van 27 juni 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen dit standpunt gehandhaafd.Aangevallen uitspraak2.    De rechtbank heeft het besluit van 27 juni 2016 vernietigd, omdat de Belastingdienst/Toeslagen een ondeugdelijke motivering aan dat besluit ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen, zoals hij ook ter zitting heeft onderschreven, ten onrechte als vereiste heeft gesteld dat de betalingen aan de kinderopvang per bank moeten worden gedaan. Kosten voor opvang in een kinderdagverblijf kunnen contant worden betaald, als tegenover de contante betalingen kwitanties en bewijzen van geldopnames bij de bank voor dezelfde bedragen staan, aldus de rechtbank.De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] niet heeft aangetoond dat alle kosten voor kinderopvang over 2015 zijn betaald. Uit de geldopnames van [appellante] en haar moeder kan volgens de rechtbank niet worden opgemaakt dat die bedragen zijn opgenomen om de kinderopvang te betalen. De bedragen van de opnames en de bedragen op de kwitanties, alsmede de tijdstippen waarop de geldopnames zijn gedaan en de data van de kwitanties wijken teveel van elkaar af, aldus de rechtbank.Hoger beroep3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet heeft aangetoond alle kosten voor kinderopvang voor 2015 te hebben betaald. Daartoe voert [appellante] onder meer aan dat het vrijwel onhaalbaar is om contante geldopnames nauw te laten corresponderen met de kwitanties. In dat verband wijst [appellante] erop dat bij pinautomaten een maximaal bedrag per dag kan worden opgenomen, het aantal pinautomaten afneemt en zij vanwege haar financiële situatie ervoor heeft gekozen om contante betalingen te doen. Bovendien betoogt [appellante] dat voor haar niet duidelijk was op welke wijze zij een deugdelijke administratie van de contante betalingen aan de kinderopvang moest bijhouden.3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1121), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, gelezen in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, dat degene die voor kinderopvangtoeslag in aanmerking wil komen, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor zulke opvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is. Ook zonder voorlichting van de Belastingdienst/Toeslagen had [appellante] moeten begrijpen dat zij als degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag een deugdelijke administratie van haar kosten voor kinderopvang dient bij te houden, bijvoorbeeld van contante betalingen aan het kindercentrum, zodat zij desgevraagd stukken hierover kan overleggen. Dat in een wettelijk voorschrift niet is bepaald welke bewijsstukken dienen te worden overgelegd door een vraagouder laat onverlet dat [appellante] een deugdelijke administratie dient bij te houden.3.2.    De kosten van kinderopvang over 2015 bedroegen volgens de facturen van het kinderdagcentrum in totaal € 4.001,40. Uit de door [appellante] overgelegde bankafschriften blijkt dat zij een bedrag van in totaal € 2.682,00 per bankbetaling aan het kindercentrum heeft overgemaakt. Dit betekent dat [appellante] moest aantonen dat zij het verschil tussen de kosten en de bankbetalingen, dat wil zeggen € 1.319,40, heeft betaald.3.3.    [appellante] heeft gesteld dat zij het resterende bedrag contant aan het kindercentrum heeft betaald. Uit de door [appellante] overgelegde kwitanties blijkt dat zij op 16 november 2015, 14 december 2015 en 22 januari 2016 in totaal € 1.319,40 contant aan het kindercentrum heeft betaald. Verder is een groot deel van de gestelde betalingen direct te relateren aan de door [appellante] overgelegde bankafschriften. Op die data of kort ervoor is steeds het te betalen bedrag of iets meer dan dat opgenomen. De overige betalingen zijn gelet op de hoogte van de bedragen weliswaar niet direct te relateren aan de geldopnames, maar wel is steeds op de dag van de gestelde betalingen of kort ervoor een wezenlijk deel van het te betalen bedrag opgenomen. Uit de bankafschriften volgt verder dat in totaal genoeg geld is opgenomen om de kosten te voldoen.3.4.    Door zich op het standpunt te stellen dat de bedragen en data van de geldopnames en kwitanties te veel van elkaar afwijken, heeft de Belastingdienst/Toeslagen onvoldoende ingebracht tegen de verklaring van [appellante] over de wijze waarop de betalingen zijn verlopen, de kwitanties en de overgelegde bankafschriften. In samenhang bezien vormen zij in dit geval voldoende bewijs om de gestelde betalingen aangetoond te achten. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat [appellante] de door haar gestelde contante betalingen niet heeft aangetoond. De rechtbank heeft daarin dan ook ten onrechte aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 27 juni 2016 in stand te laten.Het betoog slaagt.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bij de rechtbank bestreden besluit in stand zijn gelaten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling alsnog de bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.5.    [appellante] betoogt dat de Belastingdienst/Toeslagen zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de bankafschriften van haar moeder niet kunnen worden aangemerkt als bewijs dat zij een deel van de contante betalingen heeft voldaan, omdat zij de kosten voor kinderopvang zelf moet hebben gemaakt. Daartoe voert [appellante] aan dat de betalingen van haar moeder een gift aan haar zijn.5.1.    Anders dan de Belastingdienst/Toeslagen heeft betoogd, moeten door de moeder van [appellante] gedane contante betalingen worden beschouwd als een schenking aan [appellante]. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat een schenking altijd moet worden gestaafd met een schriftelijke schenkingsverklaring. Uit de verklaring van de moeder van 21 mei 2016, waarin zij verklaart de betalingen aan de kinderopvang ten behoeve van haar kleinzoon te hebben voldaan, volgt dat de moeder van [appellante] een deel van de contante betalingen voor kinderopvang als schenking heeft voldaan. Derhalve heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door de moeder van [appellante] gedane betalingen niet kunnen worden aangemerkt als voldoening van de kosten van kinderopvang door [appellante].De beroepsgrond slaagt.6.    Gelet op het overwogene onder 3.4 en 5.1. heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij de kosten van kinderopvang over 2015 volledig heeft betaald.7.    De Belastingdienst/Toeslagen dient met in achtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 5 februari 2016.8.    De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 maart 2018 in zaak nr. 16/5733, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 27 juni 2016, kenmerk BOB OH, in stand zijn gelaten;III.    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstandIV.    gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen het door D.P van der Linden betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Nieuwenhuizen, griffier.w.g. Pans    w.g. Nieuwenhuizenlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 13 maart 2019633.