Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:768

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-03-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:768, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201804357/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:768:DOC

201804357/1/A2.Datum uitspraak: 13 maart 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 april 2018 in zaak nr. 17/6105 in het geding tussen:[appellant]enhet bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).ProcesverloopBij besluiten van 18 juli 2017 heeft de raad de aan [appellant] verstrekte toevoegingen voor rechtsbijstand ingetrokken.Bij besluit van 4 oktober 2017 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 6 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.J. Wolleswinkel, advocaat te Barneveld, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra en mr. M. Doets, zijn verschenen.Overwegingen1.    [appellant] heeft toevoegingen ontvangen voor rechtsbijstand in een verbintenisrechtelijk geschil. Het geschil gaat over de verdeling van de winst die is gemaakt met de ontwikkeling van enkele panden in Amsterdam. Naar aanleiding van een ontvangen klacht van de wederpartij heeft de raad onderzoek ingesteld naar de verleende toevoegingen. Daaruit is volgens de raad gebleken dat de toevoegingen zijn verzocht voor een geschil dat betrekking heeft op een zakelijk rechtsbelang. Bij besluiten van 18 juli 2017, gehandhaafd bij besluit van 4 oktober 2017, heeft de raad de verstrekte toevoegingen daarom met terugwerkende kracht ingetrokken. [appellant] betwist dat het gaat om een zakelijk rechtsbelang.2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het handelen van [appellant] op zichzelf kan worden gezien als een bedrijfsmatige handeling. Daarom heeft de raad terecht vastgesteld dat het rechtsbelang waarop de toevoeging ziet, betrekking heeft op activiteiten als ondernemer. Uit de brieven, die door of namens [appellant] zijn verstuurd, blijkt dat hij een "zakelijke samenwerking in onroerend goed" had met zijn wederpartij. De samenwerking voorzag erin dat er meerdere panden werden aan- en doorverkocht en dat [appellant] deelde in de winst die daarmee werd gemaakt. Tevens vordert [appellant] handelsrente van zijn wederpartij. Een dergelijk handelen strekt verder dan het handelen als privépersoon, aldus de rechtbank.3.    [appellant] betoogt dat het rechtsbelang niet voortvloeit uit de uitoefening van een beroep of bedrijf, maar dat sprake is van een privétransactie omdat hij de overeenkomst als particulier heeft gesloten. Dat het om meerdere panden gaat, maakt nog niet dat er sprake is van activiteiten als ondernemer. De overeenkomst zag op een belegging van zijn privévermogen. Zelfs al zou worden geoordeeld dat sprake is van een beroep of bedrijf, dan zou het voortbestaan van het bedrijf afhankelijk zijn van de uitkomst van de procedure waarvoor een toevoeging is gevraagd. Daarom zou alsnog gesubsidieerde rechtsbijstand moeten worden toegekend, aldus [appellant].3.1.    Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) luidt:"[…];2. Rechtsbijstand wordt niet verleend indien:[…];e. het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij:1 voortzetting van het beroep of bedrijf voor zover het niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd, afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand, of2 het beroep of bedrijf ten minste één jaar geleden is beëindigd, de aanvrager in eerste aanleg als verweerder bij een procedure betrokken is geweest en de kosten van rechtsbijstand niet op andere wijze kunnen worden vergoed;[…]."In de werkinstructie "Bedrijfsmatig handelen" van de Raad voor Rechtsbijstand staat onder het kopje "Herkennen aanvragen met een bedrijfsmatig karakter" het volgende vermeld:"Een bedrijf is een organisatie van kapitaal en arbeid met een winststreven. Vanaf het moment dat aanvrager commerciële activiteiten ontplooit in het kader van een zelfstandig beroep of bedrijf, is sprake van bedrijfsvoering en toets je de aanvraag om gesubsidieerde rechtsbijstand aan artikel 12 lid 2 sub e Wrb.[…]De oorsprong van het geschil is bepalend. Komt een geschil voort uit of hangt het samen met een zakelijk geschil, dan is sprake van een bedrijfsmatig geschil. Handvatten ter herkenning zijn (opsomming niet limitatief, maar indicatief):• aard van de zaak: verbintenissenrecht, huur bedrijfsruimte, wanprestatie vergunningen, aanzienlijke bankgaranties/ borgstellingen, intellectueel eigendom,  faillissement in privé door bedrijfsschulden, weigering Wsnp door bedrijfsschulden;• de wederpartij in relatie tot de hoogte van de vordering. Bijvoorbeeld verweer tegen een vordering van een bierbrouwerij van € 5.000,-;• toelichting advocaat op aanvraagformulier;[…]."3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:207) is voor de beantwoording van de vraag of artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb toepassing vindt, bepalend of het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft ziet op een belang dat is ontstaan in het kader van de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1369) ziet die bepaling ook op het geval dat rechtsbijstand is verzocht ter zake van een rechtsbelang dat voortvloeit uit een niet langer uitgeoefend zelfstandig beroep of bedrijf.3.3.    Het staat vast dat [appellant] een schriftelijke overeenkomst heeft gesloten met zijn wederpartij die ziet op de aan- en verkoop en ontwikkeling van drie panden in Amsterdam. Op grond van de overeenkomst zou de daarmee gemaakte winst voor een derde toekomen aan [appellant]. De civiele procedure waarvoor [appellant] rechtsbijstand heeft aangevraagd, gaat over deze overeenkomst en een daarmee vergelijkbare mondelinge overeenkomst. Uit de overgelegde dagvaarding en correspondentie blijkt verder dat [appellant] en zijn wederpartij gedurende meerdere jaren een zakelijke samenwerking hadden. Daarin verkocht [appellant] panden aan de wederpartij, die deze panden renoveerde, al dan niet met inschakeling van het bedrijf waarvoor [appellant] werkzaamheden verrichtte, en vervolgens doorverkocht voor een hogere prijs. Samen deelden zij in de winst. Hoewel de procedure tussen [appellant] en zijn wederpartij, waarvoor rechtsbijstand is aangevraagd, gaat over drie panden die [appellant] zelf in bezit had en één pand dat niet op zijn naam stond, kan die naar het oordeel van de Afdeling niet los worden gezien van de langdurige zakelijke samenwerking tussen [appellant] en zijn wederpartij. Het geschil vloeit daar immers uit voort en ziet op de verdeling van een deel van de in dat verband gemaakte winst. Het rechtsbelang van [appellant] betreft daarom de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf in de zin van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb.Het betoog faalt in zoverre.3.4.    Van een uitzondering op grond van diezelfde bepaling is geen sprake. [appellant] kan, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet worden gevolgd in zijn stelling dat het bedrijf slechts bestaat uit de overeenkomst waar het in de civiele procedure om draait. Reeds daarom kan niet worden aangenomen dat de voortzetting van zijn bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand.Het betoog faalt in zoverre eveneens.3.5.    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad de toevoegingen voor rechtsbijstand terecht heeft ingetrokken, omdat het rechtsbelang waarop de aanvraag zag voortvloeit uit bedrijfsmatig handelen.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Loddervoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 13 maart 201917-882.