Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:756

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-03-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 11-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:756, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201806675/1/V3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:756:DOC

201806675/1/V3.Datum uitspraak: 11 maart 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,2.    [de vreemdeling],appellanten,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 augustus 2018 in zaken nrs. NL18.13623 en NL18.13407 in het geding tussen:de vreemdelingende staatssecretaris.ProcesverloopBij besluiten van 17 juli 2018 en 21 juli 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.Bij uitspraak van 8 augustus 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de maatregel van 17 juli 2018, ongegrond verklaard en, voor zover gericht tegen het besluit van 21 juli 2018, gegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding toegewezen.Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.J. Meijering, advocaat te Assen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.Vervolgens is het onderzoek gesloten.Overwegingen    Incidenteel hoger beroep van de vreemdeling1.    De vreemdeling heeft met de schriftelijke uiteenzetting tevens beoogd incidenteel hoger beroep in te stellen. Gelet op artikel 83c, vierde lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is echter geen incidenteel hoger beroep mogelijk in een bewaringszaak. Het incidenteel hoger beroep is derhalve niet-ontvankelijk.Hoger beroep staatssecretaris2.    De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de maatregel van bewaring van 21 juli 2018 op de onjuiste grondslag berust van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.2.1.    De staatssecretaris heeft bij besluit van 17 juli 2018 de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Op 21 juli 2018 heeft de vreemdeling een asielaanvraag ingediend. Om die reden heeft de staatssecretaris op 21 juli 2018 de bij besluit van 17 juli 2018 opgelegde maatregel van bewaring opgeheven en de vreemdeling diezelfde dag krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de maatregel van bewaring van 21 juli 2018 op de onjuiste grondslag van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 berust.    De grief slaagt.Conclusie3.    Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de maatregel van bewaring van 21 juli 2018. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 21 juli 2018 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.Beroepsgronden4.    De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de eerste maatregel van bewaring van 17 juli 2018 onrechtmatig is en dat daarom de tweede maatregel van bewaring van 21 juli 2018 ook onrechtmatig is. De "schottentheorie" is in deze zaak in strijd is met artikel 5 in samenhang met artikel 13 van het EVRM, aldus de vreemdeling. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2083 betoogt de vreemdeling dat doorbreking van die theorie in dit geval gerechtvaardigd is, omdat de zaken gelijktijdig bij de rechtbank voorlagen, de gemachtigde tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel tot inbewaringstelling van 21 juli 2018 uitdrukkelijk een beroep heeft gedaan op de onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring van 17 juli 2018 en er voorts geen deugdelijke nieuwe belangenafweging is gemaakt.4.1.    Uitgangspunt is dat een aan de eerste maatregel van bewaring klevend gebrek de daarop volgende maatregel niet alleen al daarom van aanvang af onrechtmatig maakt (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2005). Op dit uitgangspunt is in de hiervoor genoemde uitspraak van Afdeling van 12 juni 2018 een uitzondering gemaakt vanwege een ernstige schending door de rechtbank van het fundamenteel rechtsbeginsel van een daadwerkelijk rechtsmiddel, als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het EVRM. Uit de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden onder punt 4 volgt niet dat er sprake is van een dusdanige schending, dat een uitzondering op het hiervoor genoemde uitgangspunt is gerechtvaardigd.    De beroepsgrond faalt reeds hierom.5.    De vreemdeling heeft voorts in beroep aangevoerd dat de gronden van bewaring, bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c van de Vw 2000, in zijn geval niet van toepassing zijn. De vreemdeling betoogt dat zijn nationaliteit al vaststond, hij zich nooit eerder aan het toezicht van de Nederlandse autoriteiten heeft onttrokken, nu hij heeft verbleven in het AZC tijdens de eerste asielprocedure en dat het terugkeerbesluit was geschorst door indiening van hoger beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de eerste asielprocedure en dat zijn herhaalde asielaanvraag geen frustratie is van de uitzetting, omdat deze niet eerder kon worden ingediend nu hij voor juni 2018 nog niet was bekeerd.5.1.     De vreemdeling heeft de vier zware gronden en de drie lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, niet betwist. De staatssecretaris heeft daarom in beginsel terecht aangenomen dat het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. De enkele omstandigheid dat de vreemdeling tijdens de eerste asielprocedure in het AZC heeft verbleven, geeft geen aanleiding om van voormeld uitgangspunt af te wijken. Gelet hierop en op de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2852 heeft de staatssecretaris terecht de vreemdeling krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.    De beroepsgrond faalt.6.    De vreemdeling heeft verder in beroep aangevoerd dat de staatssecretaris geen deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt bij de beoordeling of met een lichter middel had kunnen worden volstaan. De vreemdeling wijst erop dat er al een belangenafweging was gemaakt nog voordat hij was gehoord. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft de vreemdeling onder meer gewezen op zijn medische problemen. De gehoorambtenaar heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) daarvan niet op de hoogte gesteld, zodat deze ten onrechte niet in de belangenafweging zijn betrokken, aldus de vreemdeling. Voorts betoogt de vreemdeling dat de toelichting in de maatregel van bewaring dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij, feitelijk onjuist is.6.1.    De staatssecretaris heeft ter zitting toegelicht dat de gehoorambtenaar en de IND voor het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling telefonisch contact hebben gehad, omdat het gehoor vlak voor de geplande uitzetting van 25 juli 2018 plaatsvond. Dat op grond van dat contact is besloten dat de bewaring kon worden voortgezet, maakt nog niet dat die beslissing vaststond. De staatssecretaris heeft zich immers terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling zijn reactie op de voorgenomen inbewaringstelling en persoonlijke omstandigheden naar voren heeft kunnen brengen, die nadien kenbaar bij de belangenafweging in de maatregel zijn meegewogen.   6.2.    Over de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling door alleen te wijzen op de omstandigheid dat de afspraak bij de specialist in het ziekenhuis is afgezegd en geen nieuwe afspraak is gemaakt niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in detentie beschikbare medische zorg in zijn geval niet toereikend is, dat hij niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan of dat zijn medische omstandigheden in detentie door een gebrek aan medische zorg zullen verslechteren. Gelet hierop voldoet de toelichting van de staatssecretaris in de maatregel van bewaring dat in het detentiecentrum een medische dienst aanwezig is, dat deze dienst zal beoordelen in hoeverre de medische zorg nodig heeft en dat, indien de benodigde zorg niet voldoende kan worden gegeven, de vreemdeling kan worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling.    De beroepsgrond faalt.7.    De vreemdeling heeft ten slotte in beroep aangevoerd dat de maatregel van bewaring vanaf 29 juli 2018 onrechtmatig is. Vanaf die dag was het duidelijk dat de vreemdeling in vrijheid zou worden gesteld, maar dit kon in het weekend niet administratief worden geregeld, terwijl in het weekend wel gewerkt kan worden aan een asielzaak, aldus de vreemdeling.7.1.    De staatssecretaris heeft ter zitting betoogd dat er een dag nodig is geweest om de zaken op orde te brengen, omdat de vreemdeling meermaals is verplaatst naar een ander detentiecentrum. Reeds omdat de vreemdeling niet heeft toegelicht waarom de staatssecretaris in zijn geval geen dag moest worden gegund om de zaken op orde te brengen in het kader van de opheffing van de maatregel, faalt de beroepsgrond.8.    Het beroep is ongegrond.9.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk;II.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid gegrond;III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 augustus 2018 in zaak nr. NL18.13623;IV.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, griffier.w.g. Troostwijk    w.g. Nienhuisvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 11 maart 2019466-874.