Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:755

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-03-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 11-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:755, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201810206/1/V2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:755:DOC

201810206/1/V2.Datum uitspraak: 11 maart 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind,appellante,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 23 november 2018 in zaak nr. NL18.6487 in het geding tussen:de vreemdelingende staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.ProcesverloopBij besluit van 7 maart 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.Bij uitspraak van 23 november 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.H. Hekman, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.Vervolgens is het onderzoek gesloten.Overwegingen1.    De vreemdeling heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij bij terugkeer naar Rusland vreest te worden vermoord door haar rijke en gewelddadige ex-partner. Hij heeft haar in april 2017 verkracht en bedreigd, en nadien achtervolgd, waarna de vreemdeling in mei 2017 naar Nederland is gevlucht. De staatssecretaris heeft de verkrachting geloofwaardig geacht, maar niet dat de vreemdeling daarna werd achtervolgd. Hij gaat ervan uit dat de verkrachting een eenmalig incident was, waartegen de vreemdeling bescherming kan vragen van de Russische autoriteiten. De rechtbank is hem hierin gevolgd.2.    De vreemdeling bestrijdt in haar grieven niet inhoudelijk het oordeel van de rechtbank over de ongeloofwaardigheid van de door haar gestelde achtervolging. Wat zij in de grieven aanvoert over de vrees om bij terugkeer vermoord te worden wegens de geloofwaardig geachte onderdelen van haar asielrelaas en over de mogelijkheid om aangifte te doen bij de Russische autoriteiten wegens de verkrachting, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.3.    De vreemdeling voert ook aan dat de rechtbank en de staatssecretaris onvoldoende rekening hebben gehouden met de specifieke en niet uitdrukkelijk ongeloofwaardig geachte omstandigheden in haar zaak, namelijk dat haar ex-partner, tevens vader van haar kind, zijn partner en andere kind heeft vermoord, na die moord als verdachte is gedetineerd maar wegens zijn positie al snel weer is vrijgelaten en nadien de vreemdeling heeft verkracht en bedreigd om niet met anderen over hem te praten. Zij wijst daarbij op haar beroepsgrond dat het doen van aangifte haar situatie alleen maar erger zou maken en daarmee gevaarlijk is, zodat bescherming inroepen juist geen optie is.3.1.    Dit betoog slaagt. De rechtbank heeft over deze omstandigheden immers niets overwogen. De rechtbank heeft daardoor niet onderkend dat de staatssecretaris deze omstandigheden onvoldoende bij zijn standpunt heeft betrokken. De staatssecretaris heeft de verklaringen van de vreemdeling over de verkrachting geloofwaardig geacht en zich niet ondubbelzinnig uitgelaten over de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling over de overige in overweging 3 genoemde omstandigheden, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de staatssecretaris van die omstandigheden is uitgegaan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6660). Door slechts, zonder enige toelichting, tegen te werpen dat de vreemdeling louter veronderstelt en niet heeft onderbouwd dat het doen van aangifte voor haar gevaarlijk is, heeft de staatssecretaris onvoldoende acht geslagen op deze omstandigheden en dus niet daadwerkelijk beoordeeld of de vreemdeling na het doen van aangifte heeft te vrezen voor wraak van haar - kennelijk ook in de optiek van de staatssecretaris machtige en misdadige - ex-partner en of de vreemdeling óók in dat geval bescherming zou kunnen krijgen. Dit moet hij alsnog onderzoeken en beoordelen.4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 7 maart 2018 alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.5.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 23 november 2018 in zaak nr. NL18.6487;III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;IV.    vernietigt het besluit van 7 maart 2018, V-nummers: […] en […];V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.w.g. Sevenster    w.g. Van de Sluisvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 11 maart 2019802.