Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:5

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-01-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 02-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:5, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201708958/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:5:DOC

201708958/1/A1.Datum uitspraak: 2 januari 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Heerlen,appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 september 2017 in zaak nr. 17/1732 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen.
Procesverloop
Bij besluit van 13 februari 2017 heeft het college een verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen een bouwconstructie in de voortuin van het perceel aan de [locatie 1] te Heerlen afgewezen.
Bij besluit van 10 mei 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 september 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S. Ikiz, is verschenen.
Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek heropend om nadere informatie van partijen te verkrijgen.
Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.
Partijen hebben de Afdeling schriftelijk meegedeeld dat zij ermee instemmen dat in deze zaak uitspraak wordt gedaan zonder dat nadere behandeling ter zitting plaatsvindt.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    [appellant] is woonachtig aan de [locatie 2] te Heerlen. Bij brief van 18 september 2016 heeft hij het college verzocht handhavend op te treden tegen een bouwconstructie op het perceel aan de [locatie 1] te Heerlen. Die bouwconstructie bestaat uit een paal die hoger is dan twee meter met aan de top een rond object waaraan een aantal kerstballen en een krans zijn bevestigd. Om een deel van de paal is een lichtslang aangebracht. De paal is met een tweetal beugels aan de erfafscheiding tussen het perceel aan de [locatie 1] en het perceel van [appellant] bevestigd.
    Procesbelang
2.    Bij brief van 24 augustus 2018 heeft het college medegedeeld dat bij een eerdere controle van het perceel aan de [locatie 1] door een bouwinspecteur is gebleken dat de paal inmiddels is verwijderd en dat voorts uit de Basisregistratie Personen is gebleken dat de bewoners van dat perceel reeds op 7 januari 2018 zijn uitgeschreven op dat adres. Bij brief van 21 oktober 2018 heeft [appellant] dit bevestigd.
    Nu [appellant] echter in hoger beroep tevens heeft verzocht om vergoeding van de kosten die hij in bezwaar en beroep heeft moeten maken vanwege het in zijn ogen onjuiste besluit van het college, heeft hij nog een belang bij de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
    Beoordeling van het hoger beroep
3.    Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), luidt: "het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.
    Artikel 2 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) luidt: "een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:
    […]
    12. een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
    […]
        b. niet hoger dan 2 m;
    […]
    14. een vlaggenmast op een erf.
4.    In hoger beroep betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de paal geen bouwwerk behelst waartegen het college handhavend kon optreden. Daartoe stelt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de paal geen onderdeel uitmaakte van de erfafscheiding tussen genoemde percelen, nu deze met beugels daaraan was bevestigd. Voorts stelt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de paal kon worden aangemerkt als vlaggenmast. De paal is in het verleden nooit als vlaggenmast gebruikt, zo stelt [appellant]. Bovendien is duidelijk dat deze ten tijde van belang in ieder geval niet meer als vlaggenmast in gebruik was.
4.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de paal geen onderdeel uitmaakte van de erfafscheiding tussen de percelen van [appellant] en zijn buurman. De paal was aan de erfafscheiding bevestigd met beugels, waaruit deze al schuivend kon worden verwijderd, en is niet ter versteviging in de grond aangebracht. De paal draagt niet bij aan de constructie van de erfafscheiding en kan niet worden gezien als onderdeel daarvan dat zou maken dat, gelet op artikel 2.1 van de Wabo en artikel 2, twaalfde lid, aanhef en onder b, van bijlage II van het Bor, voor het geheel een omgevingsvergunning vereist was.
    Uit het dossier kan worden afgeleid dat de paal op enig moment in gebruik is geweest als vlaggenmast. De Afdeling is echter van oordeel dat het beoogd gebruik van de paal ten tijde van belang zodanig was veranderd, dat deze niet langer kon worden aangemerkt als een vlaggenmast. De paal werd immers niet meer gebruikt om een vlag aan te bevestigen, maar diende, met de daaraan aangebrachte objecten, slechts als een vorm van versiering. De bestaande situatie is daarmee op relevante wijze gewijzigd, nu door het gewijzigd gebruik niet langer sprake was van een bouwwerk waarvoor, gelet op artikel 2.1 van de Wabo en artikel 2, veertiende lid, van bijlage II van het Bor, geen omgevingsvergunning is vereist. De omstandigheid dat de paal op enig moment weer in gebruik zou kunnen worden genomen als vlaggenmast maakt dit niet anders, nu gebruik als vlaggenmast ten tijde van belang niet was beoogd. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de paal geen bouwwerk behelsde waartegen het college handhavend kon, en derhalve in beginsel diende, op te treden.
    Het betoog slaagt.
5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank behoorde te doen zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 10 mei 2017 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen, en tevens het besluit van 13 februari 2017 herroepen.
6.    Het college dient op navolgende wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 september 2017 in zaak nr. 17/1732;
III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heerlen van 10 mei 2017, kenmerk 31003/20170009-A/JD;
V.    herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heerlen van 13 februari 2017, kenmerk 915;
VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Heerlen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.560,00 (zegge: tweeduizendvijfhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Heerlen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Slump    w.g. Verbeeklid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2019
574.