Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:437

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-02-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:437, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201802741/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:437:DOC

201802741/1/A1.Datum uitspraak: 13 februari 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1.    [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en anderen, allen wonend te Rotterdam,2.    het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 februari 2018 in zaak nr. 17/3609 in het geding tussen:
[appellant sub 1A] en anderen
en
het college.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 8 juli 2016 heeft het college de kosten van toegepaste bestuursdwang inzake herstelwerkzaamheden aan het flatgebouw [locatie]e 119 tot en met 131 te Rotterdam verhaald op de Vereniging van Eigenaars van het flatgebouw, per adres van de appartementseigenaren.
Bij besluit van 3 mei 2017 heeft het college het door [appellant sub 1A] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 februari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1A] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 mei 2017 vernietigd, het besluit van 8 juli 2016 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit betekent dat het college de kosten zoals vastgesteld door de rechtbank op [appellant sub 1A] en anderen kan verhalen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1A] en anderen en het college hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 1A] en anderen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2018, waar [appellant sub 1A] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.L.G. Otto, advocaat te Breda, [gemachtigde A], [gemachtigde B], en [appellant sub 1B], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Rolle, zijn verschenen.
    Overwegingen
Inleiding
1.    Bij brief van 19 december 2007 is aan de Vereniging van Eigenaars van [locatie] (oneven nummers) (hierna: de VvE) per adres van diverse appartementseigenaren kenbaar gemaakt dat het pand niet goed was onderhouden. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Charlois (hierna: het dagelijks bestuur) de VvE drie maanden de gelegenheid gegeven de noodzakelijke maatregelen te treffen. Indien daaraan niet zou worden voldaan dan overwoog het dagelijks bestuur een last onder bestuursdwang op te leggen. Op 17 juli 2008 stuurde het dagelijks bestuur aan de VvE per adres van de appartementseigenaren een voornemen tot handhavend optreden.
    Bij besluit van 8 december 2008 heeft het dagelijks bestuur aan de VvE per adres van de diverse appartementseigenaren een last onder bestuursdwang opgelegd, omdat niet alle maatregelen waren getroffen. De staat van het gebouw is volgens het besluit van 8 december 2008 in strijd met de bepalingen uit het Bouwbesluit 2003 en de Bouwverordening Rotterdam 1993, hetgeen volgens het dagelijks bestuur is verboden op grond van de artikelen 1b, tweede lid en 7b, tweede lid, van de Woningwet. Bij besluit van 7 oktober 2009 is het besluit van 8 december 2008 ingetrokken, omdat dit besluit niet langer juist zou zijn. Bij ditzelfde besluit heeft het dagelijks bestuur aan de VvE per adres van Pitlo Vastgoed Beheer nogmaals een last onder bestuursdwang opgelegd voor dezelfde overtreding. In dit besluit is tevens vermeld dat de kosten op de VvE zullen worden verhaald. Van het besluit van 7 oktober 2009 is een afschrift verstuurd naar de afzonderlijke eigenaren van de appartementen.
    Bij brief van 12 april 2010 heeft het dagelijks bestuur de VvE medegedeeld dat geen gehoor is gegeven aan het besluit van 7 oktober 2009 en dat het college opdracht zal geven aan een aannemer om herstelwerkzaamheden te treffen.
2.    Bij besluit van 30 september 2010 heeft het dagelijks bestuur de VvE per adres van de diverse appartementseigenaren opnieuw een last onder bestuursdwang opgelegd. Het dagelijks bestuur heeft hieraan ten grondslag gelegd dat aan de panden nog werkzaamheden dienen te worden verricht. Zo is na een inspectie aan de gevels geconstateerd dat in het houtwerk van de kozijnen een houtzwam of schimmel zit en dat zich op een aantal plaatsen een houtworm heeft genesteld. Het dagelijks bestuur heeft aan het besluit een lijst met uit te voeren (herstel)werkzaamheden gehecht. Bij brief van 28 oktober 2010 heeft het dagelijks bestuur medegedeeld dat niet is voldaan aan de opgelegde last en dat een aannemer zal worden opgedragen de herstelwerkzaamheden te treffen.
    Tegen de besluiten van 7 oktober 2009 en 30 september 2010 zijn geen rechtsmiddelen ingesteld.
    Een deel van de werkzaamheden is verricht door [bedrijf A]. Bij vonnis van 19 april 2011 is [bedrijf A] in staat van faillissement verklaard terwijl, naar tussen partijen niet in geschil is, niet alle werkzaamheden waren verricht. De activiteiten van [bedrijf A] zijn in opdracht van het college voortgezet door [bedrijf B].
3.    Bij besluit van 8 juli 2016 gericht aan de VvE per adres van de afzonderlijke eigenaren heeft het college de hoogte vastgesteld van de kosten die ingevolge de opgelegde last onder bestuursdwang van 7 oktober 2009 verschuldigd waren. Volgens het besluit zijn de maatregelen getroffen door de aannemer en zijn meer werkzaamheden uitgevoerd dan is vermeld op de bij de last gevoegde maatregelenlijst. Het meerwerk betreft asbestsanering van panelen, door zwam aangetast houtwerk van de gevelkozijnen en tegelwerk in het trappenhuis. Volgens het besluit zijn deze maatregelen getroffen aan het gebouw waarvoor de VvE verantwoordelijk is en zijn deze kosten om die reden voor haar rekening.
    Daarnaast heeft het college bij besluit van 8 juli 2016 gericht aan de VvE per adres van de afzonderlijke eigenaren de hoogte vastgesteld van de kosten die ingevolge de opgelegde last onder bestuursdwang van 30 september 2010 verschuldigd waren. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat vanwege de omstandigheid dat de VvE niet actief is, de rekening niet naar een vertegenwoordiger van de VvE kan worden gestuurd, maar dat iedere appartementseigenaar een aparte rekening krijgt voor een deel van het totale bedrag. De verdeling van het te verhalen bedrag is gebaseerd op de splitsingsakte van het gebouw.
4.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Bevoegdheid
5.    [appellant sub 1A] en anderen betogen onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ6826, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de burgerlijke rechter bevoegd is kennis te nemen van een geschil omtrent de invordering van de kosten van bestuursdwang voor zover deze voortvloeien uit het besluit van 7 oktober 2009. Daartoe voeren zij aan dat de last onder bestuursdwang is opgelegd vanwege een voortdurende overtreding, te weten achterstallig onderhoud, en de vooraanschrijving dateert van voor de datum van inwerkingtreding van de Vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). [appellant sub 1A] en anderen betogen voorts dat op grond van artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek de kosten van bestuursdwang verjaren binnen 5 jaar nadat het college bekend was met de kosten en de overtreder.
5.1.    Ingevolge artikel IV van de Vierde tranche van de Awb blijft, indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht van toepassing zoals dat gold voor dat tijdstip.
5.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9506) valt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 165) af te leiden dat het in artikel IV van de Vierde tranche neergelegde overgangsrecht ten doel heeft eerbiedigende werking toe te kennen aan het recht zoals dit gold tot 1 juli 2009, indien op die datum sprake was van een lopend handhavingsproces. Om het recht zoals dit gold tot 1 juli 2009 van toepassing te laten blijven, dient, gelet op deze uitspraak, in een geval als dit, waarbij het college handhavend optreedt wegens overtredingen die hebben plaatsgevonden zowel vóór als na 1 juli 2009, een duidelijke aanwijzing aanwezig te zijn dat vóór 1 juli 2009 sprake was van een lopend handhavingsproces. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ6826), dient de burgerlijke rechter, indien het voor de inwerkingtreding van de Vierde tranche geldende recht van toepassing is, te oordelen over een geschil omtrent de invordering van verbeurde dwangsommen. Nu het schriftelijke voornemen tot handhaving bij brief van 17 juli 2008 aan de VvE per adres van [appellant sub 1A] en anderen is verzonden, waarbij zij in de gelegenheid zijn gesteld zienswijzen als bedoeld in artikel 4:8, eerste lid, van de Awb, naar voren te brengen, is het recht zoals dat gold tot 1 juli 2009 op het geschil van toepassing. Anders dan het college ter zitting van de Afdeling heeft aangevoerd, maakt de omstandigheid dat het handhavingstraject is ingezet en beëindigd niet dat op de invorderingsbesluiten voor dat handhavingstraject het recht zoals dat luidde na 1 juli 2009 van toepassing is. De burgerlijke rechter is bevoegd kennis te nemen van een geschil omtrent de hoogte van de gemaakte kosten ten gevolge van het besluit van 7 oktober 2009. Het college had het bezwaarschrift voor zover gericht tegen de kostenverhaalbeschikking van 8 juli 2016 die betrekking heeft op de last onder bestuursdwang van 7 oktober 2009 om die reden niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
    Het betoog slaagt.
5.3.    Anders dan [appellant sub 1A] en anderen wensen, is de Afdeling niet bevoegd te beoordelen of de vordering voor zover het de in te vorderen kosten met betrekking tot het bestuursdwangbesluit van 7 oktober 2009 betreft, gelet op artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek is verjaard. De burgerlijke rechter is immers bevoegd kennis te nemen van een geschil omtrent de hoogte van de gemaakte kosten ten gevolge van het besluit van 7 oktober 2009.
    Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen, is de Afdeling uitsluitend bevoegd het besluit van 8 juli 2016 te beoordelen voor zover dat betrekking heeft op de te verhalen kosten van € 21.461,80, voortvloeiende uit de toepassing van bestuursdwang ter uitvoering van het besluit van 30 september 2010, nu de vooraanschrijving van dit besluit dateert van 10 september 2010.
Verjaring van de bevoegdheid tot het nemen van de kostenverhaalbeschikking
6.    [appellant sub 1A] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in dit geval het college door tijdsverloop niet meer bevoegd was een kostenbeschikking te nemen. Daartoe voeren zij aan dat de verjaringstermijn opgenomen in artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing is omdat het een omissie is van de wetgever dat geen termijn in de Awb is opgenomen waarbinnen een kostenbeschikking dient te worden genomen. Volgens [appellant sub 1A] en anderen start de verjaringstermijn voor de invordering van de kosten van bestuursdwang op grond van artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek op het moment dat het college bekend is met de kosten en bij het college bekend is op wie de kosten kunnen worden verhaald. Voorts wijzen [appellant sub 1A] en anderen op artikel 17.17 van de Wet milieubeheer waarin is geregeld dat de bevoegdheid tot kostenverhaal vervalt met betrekking tot de uit hoofde van deze titel genomen maatregelen vijf jaren na de dag waarop die maatregelen geheel zijn voltooid of na de dag waarop degene die de milieuschade of de onmiddellijke dreiging daarvan veroorzaakt is geïdentificeerd, indien deze dag later valt.
6.1.    De verjaring van een rechtsvordering start gelet op artikel 4:104 van de Awb op het moment waarop de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken. De omstandigheid dat het college facturen heeft ontvangen van aannemers brengt niet met zich dat de betalingstermijn voor [appellant sub 1A] en anderen is gestart bij de ontvangst daarvan door het college. Gelet op artikel 4:86 en artikel 4:87 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 5:25, zesde lid, van die wet, start de verjaringstermijn eerst zes weken nadat het college de hoogte van de verschuldigde kosten heeft vastgesteld en het college in dat besluit een betalingstermijn heeft gesteld. Dit betekent dat zes weken na 8 juli 2016 de verjaringstermijn is gestart en dat de rechtsvordering, anders dan [appellant sub 1A] en anderen stellen, niet is verjaard.
    Het betoog faalt.
7.    Voorts voeren [appellant sub 1A] en anderen aan dat de rechtbank heeft miskend dat het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is dat het college vijf jaar nadat het college bekend is geworden met de facturen voor de uitgevoerde werkzaamheden is overgegaan tot het nemen van een kostenverhaalbeschikking.
7.1.    Voor de uitvoering van de werkzaamheden die betrekking hebben op de last onder bestuursdwang van 30 september 2010 heeft de aannemer volgens de aangevallen uitspraak een bedrag van € 21.200,00 in rekening gebracht. Dit heeft het college vermeerderd met een bedrag van € 261,80 voor beheerskosten. Niet in geschil is dat het college de door [bedrijf A] voor de verrichte werkzaamheden opgestelde factuur heeft ontvangen op 11 februari 2011.
    Het kostenverhaal is aangezegd in de opgelegde last onder bestuursdwang. Weliswaar heeft het college na ontvangst van de factuur van 11 februari 2011 lang gewacht met het nemen van de kostenverhaalbeschikking, maar de Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de rechtbank gelet op dit tijdsverloop ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het verhalen van de gemaakte kosten. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat niet is gebleken van signalen vanuit de gemeente dat kostenverhaal achterwege zou blijven en dat het hier gaat om de besteding van algemene middelen die de overtreder door uitvoering van de opgelegde last onder bestuursdwang had kunnen voorkomen.
    Het betoog faalt.
8.     Daarnaast betogen [appellant sub 1A] en anderen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot kostenverhaal, omdat de werkzaamheden niet deugdelijk zijn uitgevoerd. Ter staving van dit betoog verwijzen [appellant sub 1A] en anderen naar een in haar opdracht door Nebest B.V. uitgevoerd onderzoek naar de bouwkundige staat van 8 december 2016 en het faillissementsverslag van [bedrijf A], waaruit blijkt dat het faillissement is veroorzaakt doordat een aantal vastgoedprojecten zijn vertraagd of met onvoldoende resultaat zijn afgerond. Verder blijkt, anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgens [appellant sub 1A] en anderen uit het opleverrapport van [bedrijf B] niet dat [bedrijf B] alle werkzaamheden, inclusief de werkzaamheden die zijn verricht door [bedrijf A], heeft opgeleverd. [appellant sub 1A] en anderen voeren verder aan dat het college door het tijdsverloop een argument ontleent aan de stelling dat de staat van de appartementen niet te wijten is aan het ondeugdelijk verrichten van de werkzaamheden, maar aan het ontbreken van planmatig onderhoud gedurende de periode nadat de werkzaamheden zijn verricht.
8.1.    De rechtbank heeft in hetgeen door [appellant sub 1A] en anderen is aangevoerd over de wijze waarop de herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de kostenverhaalbeschikking heeft kunnen nemen. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat het op de weg van [appellant sub 1A] en anderen had gelegen om na uitvoering van de werkzaamheden contact op te nemen met het college over de wijze waarop de werkzaamheden zijn uitgevoerd. [appellant sub 1A] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij na uitvoering van de werkzaamheden contact hebben opgenomen met het college. De omstandigheid dat in het faillissementsverslag van [bedrijf A] staat dat een aantal vastgoedprojecten met onvoldoende resultaat is afgerond, betekent niet dat de in dit geval door [bedrijf A] aan de woningen van [appellant sub 1A] en anderen uitgevoerde werkzaamheden met onvoldoende resultaat zijn afgerond. De werkzaamheden ter uitvoering van het besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang van 30 september 2010 zijn uitsluitend uitgevoerd door [bedrijf A] zodat, anders dan [appellant sub 1A] en anderen betogen, niet van belang is of [bedrijf B] deze werkzaamheden heeft opgeleverd.
    Het betoog faalt.
Hoger beroep college
9.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte het besluit van 8 juli 2016 voor zover het betreft de kosten van het besluit van 30 september 2010 heeft herroepen.
9.1.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitsluitend een berekening gemaakt voor mogelijk dubbel in rekening gebrachte kosten in het kader van het bestuursdwangbesluit van 7 oktober 2009. De rechtbank heeft bij de door haar gemaakte berekening geen rekening gehouden met het besluit van 8 juli 2016 over de te verhalen kosten behorende bij het bestuursdwangbesluit van 30 september 2010. Het betoog van het college slaagt reeds om die reden.
Hoogte van de te verhalen kosten
10.    [appellant sub 1A] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de kosten niet konden worden verhaald, omdat de werkzaamheden door het college onvoldoende zijn gespecificeerd. Het besluit van 8 juli 2016 komt volgens [appellant sub 1A] en anderen wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Het college volstaat volgens [appellant sub 1A] en anderen ten onrechte met een vooraf opgestelde begroting voor de werkzaamheden en een achteraf opgestelde factuur waardoor niet duidelijk is welke werkzaamheden daadwerkelijk in rekening zijn gebracht. Daarnaast is onduidelijk of de door het college overgelegde facturen zijn betaald, omdat geen betalingsbewijzen zijn overgelegd.
10.1.    Tussen partijen is niet in geschil dat aan de hier aan de orde zijnde kostenverhaalbeschikking met een bedrag van € 21.461,80 slechts één factuur van [bedrijf A] ten grondslag is gelegd. Om die reden kan dan ook geen sprake zijn van mogelijke dubbelbetalingen die het college zou verhalen op [appellant sub 1A] en anderen. Voorts is niet gebleken dat het college de door [bedrijf A] ingediende factuur niet heeft betaald. In dit verband is van belang dat een medewerker die betrokken is geweest bij de afhandeling van het faillissement van [bedrijf A] in een mail aan [appellant sub 1A] en anderen te kennen heeft gegeven dat het er op lijkt dat de factuur met het voormelde nummer is voldaan, omdat deze op de voor hem beschikbare lijst met openstaande posten niet voorkomt.
    Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college meer kosten heeft verhaald dan de kosten die het college daadwerkelijk heeft gemaakt. Bovendien heeft het college ter zitting gesteld, door [appellant sub 1A] en anderen onweersproken, dat niet alle daadwerkelijk betaalde facturen in rekening zijn gebracht en hebben [appellant sub 1A] en anderen erkend dat het ingevorderde bedrag voor zover dat betrekking heeft op de last onder bestuursdwang van 30 september 2010 representatief lijkt te zijn voor de uitgevoerde werkzaamheden. De bezwaren van [appellant sub 1A] en anderen zijn gericht tegen de hoogte van de in deze procedure niet aan de orde zijnde last onder bestuursdwang van 7 oktober 2009.
11.    Verder betogen [appellant sub 1A] en anderen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot invordering van de door het college gemaakte kosten. Daartoe voeren zij aan dat de gemaakte kosten disproportioneel hoog zijn, zij niet de financiële middelen voorhanden hadden om te voldoen aan de opgelegde last onder bestuursdwang en dat zij in financiële problemen komen door de kostenverhaalbeschikkingen.
11.1.     Ten aanzien van het kostenverhaal geldt dat de toepassing van bestuursdwang ingevolge artikel 5:25 van de Awb geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. Bestuursdwang en kostenverhaal op de overtreder gaan als regel samen.
    De rechtbank heeft in de enkele verwijzing van [appellant sub 1A] en anderen naar een offerte van 12 februari 2008 met betrekking tot werkzaamheden voortvloeiende uit de last onder bestuursdwang van 7 oktober 2009 terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de gemaakte kosten voor uitvoering van de last onder bestuursdwang van 30 september 2010 disproportioneel hoog zijn.
    De Afdeling acht in dit geval geen bijzondere omstandigheden aanwezig die aanleiding geven voor het oordeel dat geheel of gedeeltelijk van kostenverhaal moest worden afgezien. Het bestuursorgaan hoeft bij een besluit omtrent kostenverhaal in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen en indien hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding, indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de te verhalen kosten van bestuursdwang (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verhaalde kosten zou hebben. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:333.
    De niet nader geconcretiseerde stelling van [appellant sub 1A] en anderen dat zij niet de financiële middelen hebben om het verschuldigde bedrag te kunnen betalen, leidt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot kostenverhaal zou kunnen overgaan. Overigens heeft het college ter zitting nogmaals aangegeven dat, om [appellant sub 1A] en anderen tegemoet te komen, de mogelijkheid bestaat om een betalingsregeling te treffen indien de daarvoor vereiste formulieren worden overgelegd.
    Het betoog faalt.
Proceskostenveroordeling
12.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte het college heeft veroordeeld tot vergoeding van de door [appellant sub 1A] en anderen gemaakte proceskosten voor het inroepen van een niet-juridisch deskundige. Daartoe voert het college aan dat de beroepsgrond waarvoor deze deskundige is ingeroepen door de rechtbank ongegrond is verklaard en om die reden een veroordeling in de door [appellant sub 1A] en anderen ingediende kosten niet redelijk is.
12.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380) komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Hieruit vloeit voort dat niet is vereist dat een deskundigenrapport over een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag uiteindelijk heeft bijgedragen aan de rechterlijke beslissing.
    Tussen partijen is in geschil dat de werkzaamheden op juiste wijze zijn uitgevoerd en opgeleverd en om die reden heeft de rechtbank terecht overwogen dat de kosten die [appellant sub 1A] en anderen hebben gemaakt voor het opstellen van het rapport van Nebest voor vergoeding in aanmerking komen.
    Het betoog faalt.
Slot en conclusie
13.    De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 3 mei 2017 van het college gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover daarbij de bezwaren gericht tegen de ten gevolge van het besluit van 7 oktober 2009 te verhalen kosten ongegrond zijn verklaard. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien en het door [appellant sub 1A] en anderen tegen het besluit van 8 juli 2016 gemaakte bezwaar, voor zover dit is gericht tegen de ten gevolge van het besluit van 7 oktober 2009 verhaalde kosten alsnog niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
    Het voorgaande betekent dat het college bij besluit van 3 mei 2017 de bezwaren gericht tegen de kostenverhaalbeschikking van 8 juli 2016 met een totaal te verhalen bedrag van € 21.461,80 terecht ongegrond heeft verklaard.
14.    Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1A] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart de hoger beroepen gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 februari 2018 in zaak nr. 17/3609;
III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 3 mei 2017, kenmerk A.B. 2016. 2.11534/11535/SK voor zover daarbij de bezwaren gericht tegen de ten gevolge van het besluit van 7 oktober 2009 te verhalen kosten ongegrond zijn verklaard;
V.    verklaart het door [appellant sub 1A] en anderen tegen de brief van 8 juli 2016 over de te verhalen kosten ten gevolge van het besluit van 7 oktober 2009 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk;
VI.    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en anderen in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.923,50 (zegge: vijfduizend negenhonderddrieëntwintig euro en vijftig cent), waarvan € 3.028,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;
VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan [appellant sub 1A] en anderen het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 586,00 (zegge: vijfhonderdzesentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.
w.g. Borman    w.g. Vermeulenvoorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019
700. BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:86
"1. De verplichting tot betaling van een geldsom wordt bij beschikking vastgesteld.
2. De beschikking vermeldt in ieder geval:
a. de te betalen geldsom;
b. de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden."
Artikel 4:87
"1. De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.
2. Bij of krachtens wettelijk voorschrift kan een andere termijn voor de betaling worden vastgesteld."
Artikel 4:104
"1. De rechtsvordering tot betaling van een geldsom verjaart vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken.
2. Na voltooiing van de verjaring kan het bestuursorgaan zijn bevoegdheden tot aanmaning en verrekening en tot uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een dwangbevel niet meer uitoefenen."
Artikel 5:25
"1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen."
2. De last vermeldt in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht.
3. Tot de kosten van bestuursdwang behoren de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze zijn gemaakt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de last had moeten worden uitgevoerd.
4. De kosten van voorbereiding van bestuursdwang zijn ook verschuldigd, voor zover als gevolg van het alsnog uitvoeren van de last geen bestuursdwang is toegepast.
5. Tot de kosten van bestuursdwang behoren tevens de kosten van vergoeding van schade ingevolge artikel 5:27, zesde lid.
6. Het bestuursorgaan stelt de hoogte van de verschuldigde kosten vast."