Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:431

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-02-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:431, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201803660/1/R2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:431:DOC

201803660/1/R2.Datum uitspraak: 13 februari 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend te Dongen,
en
de raad van de gemeente Dongen,verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 8 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Heuvel 15" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
[appellante], de raad en [initiatiefnemer] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. C.R. Jansen, rechtsbijstandverlener te Apeldoorn, en de raad, vertegenwoordigd door J.H. Rijken-de Haan enM.C. Gorissen, zijn verschenen.Voorts is [initiatiefnemer], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. H.A. Pasveer, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, ter zitting gehoord.
Overwegingen
    Inleiding
1.    Het bestemmingsplan "Heuvel 15" voorziet in de herontwikkeling tot woningbouw van de gronden waarop een voormalige leerlooierij gevestigd is, gelegen aan de Heuvel 15 te Dongen. De gronden liggen in het centrum van Dongen en zijn volledig omsloten door andere woningen en groen. Het plan voorziet in maximaal 23 woningen. Het gehele complex heeft de status rijksmonument. Het gedeelte van de huidige bebouwing met een hoge of positieve waarde, wordt behouden. De overige bebouwing wordt gesloopt en vervangen door nieuwe woningen. Ook voorziet het plan in twee parkeerterreinen; één aan de noordzijde en één aan de zuidzijde van de voorziene woningen.
    [appellante] woont aan de [locatie], op een afstand van ongeveer 10 m ten westen van het plangebied. [appellante] is van mening dat het plan ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
Toetsingskader
2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
Beroep
Cultuurhistorie
3.    [appellante] betoogt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daartoe voert zij aan dat niet aan de Verordening ruimte Noord-Brabant (hierna: de verordening) wordt voldaan, omdat het plan niet bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit. Het plan doet volgens [appellante] afbreuk aan het historische karakter door de massa van de voorziene woningen, het onnodig behoud van bestaande bebouwing en het ontbreken van vrij zicht op de rivier de Donge.
Voorts stelt [appellante] dat het plan in strijd is met de Structuurvisie Dongen 2020, omdat het de cultuurhistorische waarde en kenmerken van het bebouwingslint aantast. Gelet op de aanwezige cultuurhistorische waarden is het plan ook niet passend in de omgeving, aldus [appellante].
3.1    De raad stelt dat de locatie midden in het stedelijk gebied ligt en wijziging van de bestemming van "Bedrijf" naar "Wonen" geen afbreuk doet aan de omliggende functies en waarden. Gelet op het monumentale karakter van het complex, de verslechterde kwaliteit van het monument, de wens om een verpauperd complex nieuw leven in te blazen en de kwaliteit van het stedenbouwkundig ontwerp, vindt de raad een woonbestemming aangewezen. Bij de voorbereiding van het plan zijn in overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed bebouwingscontouren vastgesteld die in de voorziene mogelijkheden in het plan zijn verwerkt. Het uitgangspunt van de bebouwingscontouren is dat de industriële contouren in beeld blijven waardoor het verleden beleefbaar blijft. De cultuurhistorische betekenis van het Heuvelplein wordt volgens de raad niet aangetast door verkeersbewegingen. Het plan zorgt er juist voor dat de huidige bedrijfsbestemming met de benodigde (vracht)verkeersbewegingen vervalt, hetgeen positief is voor de cultuurhistorische waarde. De verkeersgeneratie is dusdanig gering dat dit naar verwachting niet zal leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling, aldus de raad.
3.2    Artikel 3 van de verordening, voor zover relevant, luidt:
"Artikel 3 Bevordering ruimtelijke kwaliteit
3.1 Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit
1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat
a. het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid;
(…)
3. Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid een verantwoording waaruit blijkt dat:
a. in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden.
(…)"
3.3    Wat betreft de gestelde strijd met artikel 3, eerste lid, van de verordening, stelt de Afdeling het volgende vast.
    In paragraaf 4.5 van de plantoelichting is uitgebreid bezien wat er aan archeologie en cultuurhistorie aanwezig is binnen het plangebied. Hieruit blijkt ook dat er verschillende onderzoeken zijn gedaan naar de bouwhistorie, cultuurhistorie en archeologie in het plangebied, waarvan de rapporten als bijlagen bij de plantoelichting zijn gevoegd. [appellante] heeft de juistheid en volledigheid van de plantoelichting op dit punt en de daaraan ten grondslag gelegde onderzoeken niet bestreden.
Voorts is in de plantoelichting vermeld op welke wijze het plan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit waarbij met de archeologie en cultuurhistorie rekening gehouden is. Zo is in paragraaf 2.2 van de plantoelichting vermeld dat de voormalige leerlooierij, door de stedenbouwkundige en historische waarde daarvan zoals ook blijkt uit de status van rijksmonument, van groot belang is voor de omgeving. De beoogde woningbouwontwikkeling zorgt er voor dat het monumentale gebouw midden in de kern van Dongen behouden blijft én dat dit gebouw een nieuwe invulling krijgt die minder belastend is voor de omgeving, omdat de bedrijfsbestemming wordt gewijzigd naar een woonbestemming. Uit de plantoelichting blijkt voorts dat er nadrukkelijk rekening is gehouden met de bestaande opbouw, afmeting en bebouwingscontouren van de monumentale leerlooierij. Zo zijn de nieuwe bouwvolumes hierop afgestemd doordat nieuwe bebouwing enkel binnen de bestaande bebouwingscontouren mag worden opgericht en lager zal zijn, zo’n 3 m, dan de maximale bouwhoogte van de monumentale bebouwing. De maximale bouwhoogte van de nieuwe bebouwing is, met zijn 10 m, afgestemd op de omliggende bebouwing. De raad heeft zich op grond hiervan op het standpunt gesteld dat het plan bijdraagt aan behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit niet heeft kunnen doen. Dat [appellante] van mening is dat een andere inrichting waarbij meer bebouwing wordt gesloopt en er meer zicht is op de Donge beter is, betekent niet dat de beoogde ontwikkeling in ruimtelijk opzicht geen verbetering is. Gezien de huidige toestand van het plangebied en de ruimtelijke ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, waaronder de wijze waarop daarbij met de monumentale en cultuurhistorische aspecten wordt omgegaan, is de Afdeling van oordeel dat de raad voldoende heeft gemotiveerd dat aan artikel 3, eerste lid, van de verordening is voldaan.
    Dit betoog faalt.
3.4    Voor zover [appellante] stelt dat het plan in strijd is met de Structuurvisie Dongen 2020 omdat het bebouwingslint wordt aangetast, overweegt de Afdeling het volgende.
    In paragraaf 3.3 van de plantoelichting is vermeld dat het plangebied en de omgeving vallen binnen de zone Cultuurhistorie zoals aangegeven in de gemeentelijke structuurvisie. Voor het plangebied is specifiek aangegeven dat bebouwingslinten, die cultuurhistorisch een zeer hoge waardering hebben, moeten worden behouden en versterkt. Voor de kwaliteit van de linten is onder meer het kenmerkende gedifferentieerde bebouwingspatroon met karakteristieke (historische) bebouwing bepalend. Over de voormalige leerlooierij is aangegeven dat dit een beeldbepalend, markant element is binnen het bebouwingslint. Omdat het meest waardevolle gedeelte van het voormalige leerlooierijcomplex blijft bestaan, daarvoor de huidige bouwhoogte als maximum is opgenomen, de overige bebouwing binnen de bestaande bebouwingscontouren wordt gebouwd en hieraan een lagere maximale bouwhoogte is toegekend zodat deze ondergeschikt is aan de bestaande bebouwing, wordt het beeldbepalende, markante element en daarmee het bebouwingslint niet aangetast.
    In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op grond hiervan niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan aan de Structuurvisie Dongen 2020 voldoet. De enkele stelling van [appellante] dat het bebouwingslint wordt aangetast, is daartoe onvoldoende.
    Het betoog faalt.
3.5    De Afdeling ziet gelet op het bovenstaande voorts geen aanleiding om [appellante] in haar stelling te volgen dat gelet op de cultuurhistorische waarden, het plan niet passend is in de omgeving.
    Ook dit betoog faalt.
Verkeer en ontsluiting parkeerplaatsen
4.    [appellante] vreest voor een onevenredige toename van verkeersdruk bij haar woning, waardoor infrastructurele en veiligheidsproblemen en verkeersoverlast zullen ontstaan. Deze toename en de gevolgen daarvan leiden tevens tot een onaanvaardbare aantasting van de woon- en leefomgeving en het woongenot, aldus [appellante]. Zij wijst daartoe op de in het plan voorziene locaties en ontsluiting van de parkeervoorzieningen.
4.1.    De Afdeling stelt vast dat in het plan twee parkeerterreinen zijn voorzien; één aan de noordzijde en één aan de zuidzijde van het plangebied. In het plan zijn geen ontsluitingen voor deze parkeerplaatsen vastgelegd, maar is de mogelijkheid opgenomen om ontsluitingen aan te leggen. Uit paragraaf 4.1 van de toelichting, waarin wordt verwezen naar het rapport "Verkeerskundig advies project Donkade", uit 2016, opgesteld door adviesbureau Akertech, blijkt dat er vier varianten zijn om de parkeerplaatsen te ontsluiten. In al deze varianten wordt zowel via de noordelijke als de zuidelijke zijde van het plangebied apart ontsloten, onder meer via de eenrichtingsweg Heuvel. In de plantoelichting, en het daaraan ten grondslag gelegde rapport, is voor deze vier varianten bezien of deze aanvaardbaar zijn. Geconcludeerd is dat een goede ontsluiting mogelijk is omdat de straten waarop kan worden ontsloten een verkeerstoename van gemiddeld 153 motorvoertuigen per etmaal, de totale toename ten gevolge van het plan, aan kunnen. Daarbij leidt de totale verkeerstoename niet tot onaanvaardbare overlast of knelpunten in de verkeersafwikkeling. Dit is te meer het geval als, zoals beoogd, het verkeer wordt verdeeld over de noordelijke en zuidelijke zijde van het plangebied.
    [appellante] heeft het bovenstaande niet onderbouwd aangevochten. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van het verkeer en negatieve gevolgen daarvan voor onder meer het woon- en leefklimaat van [appellante].
    Het betoog faalt.
Belangenafweging
5.    [appellante] is van mening dat ten onrechte meer gewicht wordt toegekend aan de belangen van de ontwikkelaar bij het plan, dan aan haar belangen. Daartoe wijst zij er onder meer op dat het toestaan van minder woningen ter plaatse onvoldoende is bezien terwijl dit volgens haar beter inpasbaar zou zijn en minder effect zou hebben op de omgeving.
5.1    De Afdeling stelt voorop dat in het kader van het plan de raad alle betrokken belangen dient af te wegen, waarbij moet worden bezien of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zoals blijkt uit de plantoelichting, de nadere stukken van de raad en hetgeen de Afdeling hiervoor heeft overwogen, heeft de raad de belangen van [appellante] bij de gemaakte ruimtelijke afweging betrokken. Niet is gebleken dat de raad in die ruimtelijke afweging enkel de belangen van de ontwikkelaar  heeft betrokken.
    In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad de belangen van [appellante] bij het behouden van de huidige situatie of een andere invulling van het plan zwaarder had moeten laten wegen dan het belang dat is gediend met het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling. Daartoe verwijst de Afdeling naar hetgeen eerder in deze uitspraak is overwogen.
    Het betoog faalt.
Conclusie
6.    Het beroep is ongegrond.
7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, griffier.
w.g. Pans    w.g. Vogel-Carprieauxlid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019
458-911.