Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:427

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-02-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:427, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201602954/3/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:427:DOC

201602954/3/A2.Datum uitspraak: 13 februari 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Nadere uitspraak inzake vergoeding van de door een partij geleden schade (artikel 8:73, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Krommenie, gemeente Zaanstad,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 mei 2015 in zaak nr. 14/2180 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.
Procesverloop
Bij uitspraak van 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1332, heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek om schadevergoeding.
Desgevraagd heeft [appellant] het verzoek schriftelijk nader toegelicht.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Het college heeft een nader stuk overgelegd.
De Afdeling heeft de behandeling ter zitting voortgezet op 3 oktober 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. Hartog, advocaat te Alkmaar, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. W.J. Bosma en mr. N. Bouayad, beiden advocaat te Den Haag, en mr. F. Brouwer, zijn verschenen. Voorts is [persoon], werkzaam bij Lengkeek, Laarman & De Hosson (hierna: Lengkeek), aan de zijde van het college verschenen.
Bij tussenuitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3488, heeft de Afdeling de behandeling van het verzoek om schadevergoeding geschorst in afwachting van de reactie van [appellant] op de in de overwegingen 20 en 21 van deze tussenuitspraak gegeven bewijsopdracht en de in de overwegingen 21 en 23 vermelde standpunten van het college. [appellant] heeft hiervoor de gelegenheid gekregen tot zes weken na deze tussenuitspraak. Deze tussenuitspraak is aangehecht.
Bij beschikking van 2 februari 2018 heeft de Afdeling de termijn verlengd tot 28 februari 2018.
Bij brief van 28 februari 2018 heeft [appellant], gevolg gevend aan de tussenuitspraak, een reactie gegeven.
Bij brief van 26 maart 2018 heeft [appellant] nadere stukken ingediend.
Bij brief van 26 april 2018 heeft het college een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Met toestemming van partijen is een hernieuwde behandeling van de zaak ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    In de overwegingen van de tussenuitspraak van 20 december 2017 heeft de Afdeling de voorgeschiedenis van de zaak geschetst en heeft zij samenvattingen gegeven van het verzoek om schadevergoeding en het standpunt van het college. Na het weergeven van het toepasselijke wettelijke kader, heeft De Afdeling het verzoek van het college om terug te komen van de in het procesverloop vermelde uitspraak van 18 mei 2016 beoordeeld en heeft zij getoetst aan de vereisten voor het toekennen van schadevergoeding, alvorens aan [appellant] een opdracht te verstrekken.
2.    [appellant] is eigenaar van een buxuskwekerij aan de Vaartdijk te Assendelft. Hij heeft de Afdeling verzocht het college te veroordelen tot een vergoeding van € 1.019.944,07 voor de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van onrechtmatige besluiten.
3.    Bij brief van Stam & Stevens Consultancy van 5 april 2005, gelezen in samenhang met een daarbij gevoegde situatieschets, heeft [appellant] het college gevraagd toestemming te verlenen voor het uitbreiden van zijn buxuskwekerij aan de Vaartdijk te Assendelft met containerteelt door middel van het plaatsen van planten in potten op een doek op de grond van het perceel, kadastraal bekend gemeente Assendelft, sectie N, nr. 1039 (hierna: perceel 1039). Volgens de situatietekening wordt het aangrenzend perceel, kadastraal bekend gemeente Assendelft, sectie N, nr. 1040 (hierna: perceel 1040), door [appellant] voor teelt in volle grond gebruikt. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan Saendelft (hierna: het bestemmingsplan) rust op de locatie een bestemming voor Agrarische doeleinden met landschappelijke waarden. In artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de bij het bestemmingsplan behorende regels (hierna: de planregels) zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijfsvoering met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en terreinen. In artikel 1 van de planregels is bepaald dat onder grondgebonden agrarische bedrijven wordt verstaan: agrarische bedrijven waarvan de exploitatie geheel of grotendeels gebonden is aan ter plaatse of in de nabijheid aanwezige open gronden.
4.    Ten tijde van de ontvangst van het verzoek van 5 april 2005 was [appellant] niet slechts eigenaar van perceel 1039 en perceel 1040, maar was hij ook pachter van het perceel, kadastraal bekend gemeente Assendelft, sectie N, nr. 199 (hierna: perceel 199). Naderhand heeft hij ook het perceel, kadastraal bekend gemeente Assendelft, sectie N, nr. 979 (hierna: perceel 979), in eigendom verkregen.
5.    Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft het college het verzoek van 5 april 2005 opgevat als verzoek om vrijstelling van het toepasselijke bestemmingsplan en geweigerd die vrijstelling te verlenen. Aan dat besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat containerkweek geen grondgebonden agrarische activiteit in de zin van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de planregels is.
6.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het college terecht heeft betoogd dat in de periode voorafgaand aan de brief van 8 september 2008 geleden schade niet aan het besluit van 13 oktober 2005 kan worden toegerekend, maar wegens eigen schuld voor rekening van [appellant] komt, omdat [appellant] eerst in die brief duidelijkheid heeft verschaft over de omvang van zijn bedrijf. Hetzelfde geldt voor het besluit op bezwaar van 3 juli 2006 en het na vernietiging van dat besluit genomen besluit op bezwaar van 29 november 2007. Slechts het na vernietiging van dat besluit genomen besluit op bezwaar van 11 september 2009 en het na vernietiging van dat besluit genomen besluit op bezwaar van 18 april 2014 kunnen tot het toekennen van schadevergoeding leiden. Dit betekent dat de schadeperiode op 11 september 2009 aanvangt, aldus de tussenuitspraak.
    verzoek om terug te komen op de tussenuitspraak
7.    In zijn reactie van 28 februari 2018 heeft [appellant] de Afdeling verzocht om terug te komen van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel dat de schadeperiode op 11 september 2009 aanvangt.
7.1.    De Afdeling kan slechts in een zeer uitzonderlijk geval terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een dusdanig geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel dient te worden uitgegaan.
    schade in de vorm van inkomstensderving
8.    In de tussenuitspraak is overwogen dat het door [appellant] overgelegde schaderapport van Arvalis, gelet op het commentaar in het rapport van Lengkeek van 22 augustus 2017, niet bruikbaar is voor de begroting van de door [appellant] gestelde schade in de vorm van inkomstenderving. In het rapport van Lengkeek is onder meer het volgende uiteengezet.
    Arvalis heeft voor de berekening van de schade geen gebruik gemaakt van een ondernemingsplan en teeltplan uit het jaar 2005, maar van een ondernemingsplan en conceptversie van een teeltplan uit het jaar 2010, waarvan de geplande activiteiten lijken af te wijken van de ten tijde van de aanvraag geplande activiteiten. Voorts is de berekening van de oppervlakte van de kwekerij onjuist, omdat perceel 199 met een oppervlakte van 8.500 m² in de berekening is betrokken, terwijl de pacht van dat perceel na het jaar 2009 is beëindigd. Verder is bij de berekening van de inkomstenderving geen aftrek toegepast voor de feitelijke resultaten van de kwekerij en de voor de mogelijke resultaten die behaald hadden kunnen worden op delen van de kwekerij die in de schadeperiode niet geëxploiteerd zijn. Tot de beëindiging van de pacht van perceel 199 beschikte [appellant] immers over een pottenveld. Daarna had voorzien kunnen worden in een alternatief daarvoor.
    In het rapport van 22 augustus 2017 heeft Lengkeek heeft de door [appellant] geleden inkomstenderving in de periode 2008-2014 begroot op maximaal € 18.182,40.
9.    [appellant] is in de gelegenheid gesteld op het rapport van Lengkeek te reageren door te concretiseren en aan te tonen dat zijn schade groter is dan door Lengkeek is begroot. Volgens de tussenuitspraak dient [appellant] inzichtelijk te maken welk teeltplan hij aan het begin van de schadeperiode had, dient hij aan te tonen wanneer de pacht van perceel 199 is beëindigd en dient hij aannemelijk te maken dat hij als gevolg van het besluit van 11 september 2009 dat teeltplan niet of niet geheel heeft kunnen verwezenlijken en genoodzaakt was de pacht van perceel 199 te beëindigen. [appellant] dient voorts inzichtelijk te maken welke inkomsten hij in de schadeperiode uit de kwekerij had kunnen behalen, indien het college bij besluit van 11 september 2009, anders dan het in werkelijkheid heeft gedaan, de aanvraag alsnog had ingewilligd. Voor de opbrengst in die hypothetische situatie dient onderscheid te worden gemaakt tussen een kwekerij met perceel 199 en een kwekerij zonder perceel 199. [appellant] dient verder aan te tonen, bijvoorbeeld door middel van het overleggen van belastingaangiftes, welke inkomsten hij in de schadeperiode feitelijk heeft behaald. Voor het verschil tussen de inkomsten in de hypothetische situatie en de feitelijke inkomsten kan schadevergoeding worden toegekend, tenzij het college - daartoe in de gelegenheid gesteld - aannemelijk maakt dat [appellant], bijvoorbeeld door geen gebruik te maken van de mogelijkheden om de gronden van de kwekerij voor andere doeleinden te gebruiken, niet of niet geheel aan de schadebeperkingsplicht heeft voldaan, aldus de tussenuitspraak.
10.    In zijn reactie van 28 februari 2018 heeft [appellant] uiteengezet dat kweken dynamisch is, dat in eerste instantie is volstaan met een ruwe schets van de globale activiteiten die hij voornemens was uit te voeren, dat er destijds geen noodzaak voor een meer gedetailleerd plan was, dat het teeltplan voor de periode 2009-2010 in wezen ook het plan voor de periode 2005-2009 was en dat dit teeltplan als uitgangspunt voor het bepalen van de omvang van de schade kan dienen. De pacht van perceel 199 is op 1 januari 2011, na de looptijd van de pachtovereenkomst, beëindigd. Dit perceel was in de exploitatie betrokken. De besluitvorming van het college heeft die exploitatie onmogelijk gemaakt. Omdat hij slechts kosten aan perceel 199 had, maar daaruit geen inkomsten kon verkrijgen, is het logisch dat hij aan deze situatie een einde heeft gemaakt door de pachtovereenkomst niet te verlengen. In het schaderapport van Arvalis is een overzicht gegeven van de uit de kwekerij te behalen inkomsten. Daarin is ook het door de Afdeling gevraagde onderscheid gemaakt tussen een kwekerij met perceel 199 en een kwekerij zonder dat perceel. [appellant] heeft verder uiteengezet dat hij zijn reguliere werkzaamheden naast zijn activiteiten voor de kwekerij zou kunnen blijven uitvoeren en dat de in de schadeperiode behaalde inkomsten uit die reguliere werkzaamheden daarom niet relevant zijn.
10.1.    [appellant] heeft geen teeltplan of investeringsplan overgelegd ter onderbouwing van het gestelde voornemen tot uitbreiding van de buxuskwekerij en de haalbaarheid en financiering daarvan. Hij heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het college, door eerst het besluit van 11 september 2009 te nemen en vervolgens - na de vernietiging van dat besluit - het besluit van 18 april 2014, de exploitatie van de buxuskwekerij onmogelijk heeft gemaakt. In een door het college overgelegde notitie van Lengkeek van 23 april 2018 is uiteengezet dat het onthouden van toestemming voor containerteelt op de gronden van perceel 1039 geen belemmering voor een winstgevende exploitatie van de buxuskwekerij was. [appellant] heeft deze conclusie niet bestreden. Derhalve dient het ervoor te worden gehouden dat hij de gronden van perceel 1039 in de schadeperiode voor teelt in de volle grond had kunnen benutten. Voor tijdelijke opslag van planten ten behoeve van de verkoop kon hij van het pottenveld op perceel 199 gebruik maken.
    Het door [appellant] overgelegde rapport van Arvalis van 26 maart 2018 is, gelet op de inhoud van de notitie van Lengkeek van 23 april 2018, niet bruikbaar voor de begroting van de gestelde schade in de vorm van inkomstenderving. De Afdeling volgt Lengkeek waar deze stelt dat uit de overgelegde informatie geen inzicht wordt verkregen in het samenstel van kosten, de posten waarover wordt afgeschreven en de hoogte van de investeringen. Lengkeer heeft de schade, met inachtneming van de in de tussenuitspraak vastgestelde schadeperiode 2009-2014, nader begroot op € 12.843,16.
10.2.    Uit het vorenstaande volgt dat [appellant] geen bewijs heeft aangedragen dat de schade hoger is dan € 12.843,16, zoals door Lengkeek nader is begroot. De Afdeling zal de schadevergoeding daarom op dat bedrag vaststellen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van het verzoek om schadevergoeding tot de dag van uitbetaling.
    vermogensschade
11.    In de tussenuitspraak is [appellant] voorts in de gelegenheid gesteld om de gestelde vermogensschade te onderbouwen. In dit verband heeft de Afdeling het volgende overwogen.
    Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] desgevraagd verklaard dat hij perceel 199 in 2013 van zijn vader heeft geërfd en dat dit perceel niet in de schadeberekening is betrokken.
    Indien [appellant] zich op het standpunt stelt dat hij vermogensschade, bestaande uit waardevermindering van perceel 199 heeft geleden, dient hij aan te tonen wanneer en tegen welke prijs hij dat perceel heeft verkocht. [appellant] dient tevens te reageren op het standpunt van het college dat hij geen vermogensschade, bestaande uit waardevermindering van perceel 979, heeft geleden als gevolg van de besluitvorming van het college. In dit verband is van belang dat [appellant] te kennen heeft gegeven dat de schadeperiode op 31 december 2014 is geëindigd en dat perceel 979 op 17 maart 2016 is verkocht.
12.    In zijn reactie van 28 februari 2018 heeft [appellant] gesteld dat hij perceel 199 op 4 oktober 2013 onder de marktprijs heeft verkocht. Indien hij zijn ondernemingsplan had kunnen realiseren, was ook de waarde van dat perceel gestegen, maar die hogere waarde is nooit bereikt als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming van het college. Verder heeft hij in de loop der jaren een zeer aanzienlijk schade geleden, terwijl zijn kosten deels doorliepen, hetgeen zijn liquiditeits- en vermogenspositie heeft verzwakt. Hij was hierdoor genoodzaakt om ook perceel 979 van de hand te doen. Het was niet meer mogelijk de voor het opstarten van een kwekerij benodigde investeringen in plantgoed, machines, onderhoudsmiddelen, potten en overige bedrijfsmiddelen te doen. Uiteindelijk is perceel 979, mede onder druk van de bank, op 17 maart 2016 verkocht, aldus [appellant].
12.1.    Uit de door [appellant] verstrekte gegevens en bescheiden valt niet af te leiden dat hij, in verband met zijn financiële situatie of anderszins, geen andere keuze had dan de percelen van de hand te doen, dat hij de percelen onder de marktprijs heeft verkocht en dat dit een gevolg van de onrechtmatige besluitvorming van het college was. [appellant] heeft geen rapport van een onafhankelijke taxateur overgelegd ter onderbouwing van zijn stellingen.
    conclusie
13.    Het verzoek om schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van € 12.843,16, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van het verzoek om schadevergoeding tot de dag van uitbetaling.
    vergoeding van kosten van advieswerkzaamheden en rechtsbijstand
14.    In de tussenuitspraak is overwogen dat over de voorafgaand aan de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2016 opgekomen proceskosten al is beslist en dat het al dan niet vergoeden van die kosten niet meer ter discussie kan worden gesteld. Indien het verzoek om schadevergoeding zou worden toegewezen, kan een vergoeding voor de na 19 mei 2016 opgekomen proceskosten worden toegekend, aldus de tussenuitspraak.
14.1.    Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen, wordt het verzoek om vergoeding van de na 19 mei 2016 opgekomen proceskosten, bestaande uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en kosten van een deskundige, eveneens toegewezen.
    Over het verzoek om vergoeding van de kosten van een deskundige overweegt de Afdeling dat het in dit geval redelijk is dat [appellant] advies heeft gevraagd aan Arvalis.
    De Afdeling stelt vast dat [appellant] geen factuur of urenspecificatie met betrekking tot het eerste schaderapport van Arvalis heeft overgelegd. Naar het oordeel van de Afdeling zou een tijdsbesteding van 16 uur niet onredelijk zijn geweest. Zij gaat daarbij uit van een forfaitair uurtarief van € 121,95. De te vergoeden kosten van het eerste rapport komen daardoor neer op € 1.951,20.
    Volgens de door [appellant] overgelegde declaratie van 26 maart 2018 heeft Arvalis voor het tweede schaderapport € 863,94, inclusief BTW, in rekening gebracht. Dit bedrag is niet onredelijk.
    De te vergoeden kosten van een deskundige komen daarmee in totaal neer op een bedrag van € 2.815,14.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad om aan [appellant] te betalen een vergoeding van € 12.843,16, (zegge: twaalfduizend achthonderddrieënveertig euro en zestien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van het verzoek om schadevergoeding tot de dag van uitbetaling;
II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.095,14 (zegge: vierduizend vijfennegentig euro en veertien cent), waarvan € 1.280,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 2.815,14 aan bijstand van een deskundige.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. G. Snijders, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019
452.