Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:422

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-02-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:422, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201706797/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:422:DOC

201706797/1/A2.Datum uitspraak: 13 februari 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te Maarssen,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 juli 2017 in zaak nr. 16/5207 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar.
Procesverloop
Bij besluit van 15 januari 2016 heeft het college een aanvraag van [appellante] om vergoeding van schade opnieuw afgewezen.
Bij besluit van 10 oktober 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 juli 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2019, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.C. van der Vegte, mr. V.H. Affourtit, advocaten te Amsterdam, en M. Blom, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.    [appellante] heeft eind 2005 het perceel [locatie] te Alkmaar (hierna: het perceel) met de daarop staande bebouwing gekocht. Het perceel ligt in een gebied dat is aangewezen als beschermd stadsgezicht. [appellante] heeft bij brief van 18 juni 2008 bij het college een aanvraag vergunning 1e fase ingediend. Bij besluit van 20 april 2009 heeft het college een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en een vergunning 1e fase aan [appellante] verleend. Bij besluit van 29 oktober 2009 heeft het college de verleende vergunning 1e fase ingetrokken.
    Bij brief van 13 september 2013 heeft [appellante] bij het college een aanvraag om vergoeding van schade wegens onrechtmatig handelen van de gemeente ingediend. Volgens de aanvraag had het college de vergunning 1e fase niet mogen verlenen, maar had het de aanvraag op grond van de Woningwet moeten aanhouden. Het college had [appellante] ook beter moeten informeren en al in 2006 moeten meedelen dat een bouwaanvraag kansloos was, aldus de aanvraag.
    Bij besluit van 31 oktober 2013 heeft het college de aanvraag om schadevergoeding afgewezen. Bij besluit van 5 november 2014 heeft het college het daartegen gerichte bezwaar van [appellante] ongegrond verklaard en het besluit van 31 oktober 2013 gehandhaafd.
2.    De rechtbank heeft bij uitspraak van 17 juni 2015 in zaak nr. 5127 het besluit van het college van 5 november 2014 vernietigd en het besluit van het college van 31 oktober 2013 herroepen. De rechtbank heeft bij die uitspraak verder bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en dat het college een nieuw besluit moet nemen op het verzoek om schadevergoeding met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
    De rechtbank heeft in die uitspraak onder 5 overwogen dat het college op de zitting heeft verklaard dat het college het beleid voerde om aanvragen die in strijd waren met het toenmalige artikel 51 van de Woningwet niet op die grond af te wijzen, maar dat een in strijd met artikel 51 van de Woningwet verleende vergunning wel op die grond, indien bezwaar werd gemaakt, werd herroepen. Het college heeft op de zitting erkend dat de aanvraag van [appellante] op grond van artikel 51 van de Woningwet had moeten worden aangehouden en dat de aan [appellante] verleende vergunning 1e fase had moeten worden herroepen wegens onrechtmatigheid. Op grond hiervan heeft de rechtbank geoordeeld dat het college jegens [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld.
    De rechtbank heeft in die uitspraak onder 7 geoordeeld dat [appellante] "in de gelegenheid [moet] worden gesteld de schade, de hoogte van de schade en het causaal verband tussen de schade en het onrechtmatig handelen, zoals in overweging 5 vastgesteld, nader te onderbouwen." Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat uit de stukken die [appellante] tot dan toe heeft ingediend niet eenduidig kan worden afgeleid welke schade zij heeft geleden en tot welk bedrag en of de gestelde schade het rechtstreeks gevolg is van het hiervoor vastgestelde onrechtmatig handelen van het college.
3.    Het college heeft ter voldoening aan deze uitspraak van de rechtbank het besluit van 15 januari 2016 genomen. Volgens dat besluit heeft het college [appellante] bij brief van 29 juni 2015 de gelegenheid geboden om zijn verzoek om schadevergoeding aan te vullen. Bij brief van 9 juli 2015 heeft het college [appellante], desgevraagd, de eerder door [appellante] aan de aansprakelijkheidsverzekeraar van de gemeente gezonden stukken toegezonden. Daarbij heeft het college vermeld dat uit deze stukken niet kan worden afgeleid of en zo ja in welke omvang [appellante] schade heeft geleden als gevolg van de in 2009 ten onrechte verleende vergunning. Bij e-mail van 15 oktober 2015 zond [appellante] het college "een debiteurenoverzicht van Stater, naar wij aannemen uw hypothecaire dienstverlener, over de periode 1-11-2011 t/m 1-10-2015." Bij e-mail van 9 november 2015 zond [appellante] het college "een nauwelijks nader toegelichte opsomming van bedragen, zonder onderbouwende bewijsstukken". Bij e-mail van 10 november 2015 zond [appellante] het college "een summiere ‘jaaropgave rente en restant (hoofd)sommen per 31-12-2008’ en een nota van Rood Staalbouw gedateerd 5 februari 2008." Volgens het besluit kon het college uit de ontvangen stukken niet afleiden dat [appellante] schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. Zo is het college niet duidelijk welk schadebedrag [appellante] in totaal stelt te hebben geleden. Volgens het besluit betreft het debiteurenoverzicht van Stater een periode die ver na de relevante periode in 2009 ligt en wordt daarin niet toegelicht waarop de vermelde bedragen betrekking hebben. Verder betreft dit overzicht niet [appellante], maar [gemachtigde]. Ook uit de overige overgelegde stukken valt niet af te leiden of en zo ja in welke omvang [appellante] schade heeft geleden als gevolg van de in 2009 ten onrechte verleende vergunning. Daarbij merkt het college op dat een groot deel van de in die stukken vermelde posten betrekking heeft op kosten die [appellante] ook zou hebben gemaakt indien de vergunningaanvraag was aangehouden. De aanvraag voldoet daarmee volgens het besluit niet aan de vereisten van artikel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het college heeft de aanvraag om schadevergoeding van [appellante] daarom opnieuw afgewezen.
4.    In het besluit van 10 oktober 2016 is het volgende vermeld. [appellante] heeft in bezwaar aangevoerd dat zij met de overgelegde stukken haar aanvraag om schadevergoeding toereikend heeft onderbouwd, dat [appellante] aan correspondentie met een ambtenaar voorafgaande aan de vergunningverlening van 20 april 2009 het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat een ingesteld bezwaar en beroep tegen de vergunning van 20 april 2009 niet tot vernietiging van die vergunning zou leiden en dat de gemeente door het verstrekken van onvolledige of onjuiste informatie [appellante] op het verkeerde been heeft gezet.
    Het college heeft zich in dat besluit op het standpunt gesteld dat alleen schade ten gevolge van de onrechtmatig verleende vergunning 1e fase van 20 april 2009 voor vergoeding in aanmerking kan komen. Voor zover [appellante] met juistheid stelt dat een ambtenaar van de gemeente bij haar gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt en dat de gemeente haar onvolledige of onjuiste informatie heeft verstrekt, gaat dit het oorspronkelijke verzoek om schadevergoeding, waarop het college op grond van de uitspraak van de rechtbank van 17 juni 2015 opnieuw moet beslissen, te buiten. Bovendien betreft dit gestelde handelen feitelijk handelen, dat niet gelijkgesteld kan worden met een appellabel besluit, zodat het college ten aanzien van dat handelen geen voor bezwaar of beroep vatbaar besluit kan nemen. Volgens het college is bovendien het causaal verband tussen de gestelde schade en het gestelde handelen onvoldoende aangetoond en onderbouwd. Voor zover het door [appellante] gemaakte bezwaar betrekking heeft op dit gestelde feitelijk handelen heeft het college het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk verklaard.
    Het college heeft zich in dat besluit verder op het standpunt gesteld dat de gestelde schade voorafgaand aan het besluit van 20 april 2009 geen gevolg is van dat besluit. Het betreft kosten die [appellante] ook had moeten maken indien het college de aanvraag om een vergunning 1e fase had aangehouden. In het besluit heeft het college op de gestelde schadeposten in de door [appellante] overgelegde stukken gereageerd. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd en dat daarom niet kan worden beoordeeld of de gestelde schade moet worden toegerekend aan de onrechtmatig verleende vergunning van 20 april 2009. In zoverre heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
    Voor zover [appellante] tevens heeft verzocht om vergoeding van schade ten gevolge van een tweede vergunningaanvraag in 2012, heeft het college dit verzoek op grond van artikel 4:6 van de Awb afgewezen.
De uitspraak van de rechtbank van 13 juli 2017
5.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van 13 juli 2017 overwogen dat de rechtbank in de uitspraak van 17 juni 2015 onder 5 heeft geoordeeld dat het college, door in strijd met artikel 51 van de Woningwet de aanvraag van [appellante] om een vergunning 1e fase niet aan te houden en de gevraagde vergunning te verlenen, jegens [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank heeft verder over die eerdere uitspraak overwogen: "De rechtbank heeft verder onder 7. geoordeeld dat het bij het vervolg van de procedure alleen nog gaat om de schade, de hoogte van de schade en het causaal verband tussen de schade en het onrechtmatig handelen zoals in de uitspraak van 17 juni 2015 onder 5. vastgesteld." De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld: "Omdat deze uitspraak van 17 juni 2015 thans onherroepelijk is, gaat de rechtbank hiervan bij de verdere beoordeling van de voorliggende zaak uit." De rechtbank heeft ook overwogen dat zij aan de eerdere uitspraak is gebonden, omdat [appellante] daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld. De rechtbank heeft daarom over het betoog van [appellante], dat het college jegens haar ook onrechtmatig heeft gehandeld in de aanloop naar het in behandeling nemen van de aanvraag van 18 juni 2008 omdat een ambtenaar ten onrechte bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat niets de verlening van de gewenste vergunning in de weg stond, geoordeeld dat, wat van de uitlatingen van die ambtenaar ook zij, zij nu geen tweede onrechtmatige handeling kan vaststellen.
    De rechtbank heeft vervolgens de door [appellante] gestelde schadeposten beoordeeld. Op grond hiervan is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het college terecht heeft geweigerd om een schadevergoeding aan [appellante] toe te kennen.
Behandeling van het hoger beroep
6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar betoog dat zij ook schade heeft geleden als gevolg van het beleid van het college om in strijd met artikel 51 van de Woningwet vergunningen te verlenen.
    [appellante] betoogt tevens dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar betoog dat zij ook schade heeft geleden doordat het college, voorafgaande aan de aanvraag van 18 juni 2008, informatie voor haar heeft achtergehouden, haar onjuiste informatie heeft gegeven en bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij een vergunning voor het oprichten van een appartementengebouw met 8 appartementen op perceel [locatie] zou kunnen krijgen.
6.1.    Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Ingevolge artikel IV, eerste lid, van deze wet, blijft op schade, veroorzaakt door een besluit dat werd bekendgemaakt of een handeling die werd verricht voor het tijdstip waarop deze wet in werking is getreden, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. In deze zaak is dat laatste dus aan de orde.
6.2.    Hoewel [appellante] met juistheid betoogt dat de rechtbank op de hiervoor onder 6 vermelde betogen niet is ingegaan, kan haar dit niet baten. De reden daarvoor is niet dat de rechtbank deze betogen in de uitspraak van 17 juni 2015 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen, zoals het college in de schriftelijke uiteenzetting en ter zitting ten onrechte heeft gesteld. De reden is dat tegen het bedoelde beleid en het gestelde feitelijk handelen van het college geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld en dat daarom ook geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld tegen een besluit op een aanvraag om vergoeding van schade ten gevolge van dat beleid en dat handelen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 1997, no H01.96.0578/Q01 (AB 1997, 229).
    Voor zover [appellante] betoogt dat het gestelde feitelijk handelen ter voorbereiding was van een onrechtmatig besluit, is van belang dat dit handelen heeft plaatsgevonden vóór 1 juli 2013. Gelet op het hiervoor onder 6.1 weergeven overgangsrecht is Titel 8.4 van de Awb hierop niet van toepassing, zodat het gestelde feitelijk handelen, wat hiervan ook zij, niet in deze procedure aan de orde kan komen.
    De rechtbank was dus niet bevoegd om over deze betogen te oordelen. Zoals ter zitting aan de orde is geweest, is uitsluitend de burgerlijke rechter bevoegd om over deze betogen te oordelen.
7.    Het beroep van [appellante] op het gelijkheidsbeginsel, inhoudende dat het college in 2006 een principe-aanvraag om een vergunning waarschijnlijk heeft aangehouden, terwijl het college de aanvraag om vergunning in 2008 ten onrechte niet heeft aangehouden, faalt. Degene die een beroep wil doen op het gelijkheidsbeginsel moet concrete gelijke gevallen aanwijzen waarin het bestuursorgaan een ander besluit heeft genomen dan in zijn geval. [appellante] heeft dergelijke gelijke gevallen niet aangewezen. De aanvraag uit 2006 betrof niet een ander geval, alleen al omdat die aanvraag namens [appellante] werd ingediend. Bovendien is niet komen vast te staan dat het college die aanvraag heeft aangehouden.
8.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de kosten voor het aanvragen van de vergunning 1e fase niet voor vergoeding in aanmerking komen. [appellante] voert aan dat zij voor het indienen van de aanvraag kosten heeft moeten maken voor een architect en een constructeur.
8.1.    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat [appellante] deze kosten ook had moeten maken indien het college de aanvraag om vergunning 1e fase had aangehouden of had afgewezen. Deze kosten zijn dus niet het gevolg van het ten onrechte verlenen van de vergunning. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.
9.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de hypothecaire lening voor de financiering van het bouwplan is afgesloten met [gemachtigde] en niet met [appellante] en dat reeds daarom de rentekosten van deze lening niet voor vergoeding in aanmerking komen. [appellante] voert aan dat zij de hypotheekgever is en dat zij ook de schuldenaar is in de geldleningovereenkomst.
9.1.    Volgens een door [appellante] overgelegde brief van Fortis ASR Hypotheekbedrijf N.V. van 6 april 2006 heeft [gemachtigde] bij deze hypotheekinstelling per 31 maart 2006 een hypothecaire lening afgesloten. Deze brief is, blijkens de daarop vermelde geadresseerde en de aanhef, gericht aan [gemachtigde]. Daarin is na de aanhef als eerste zin vermeld: "Op 31-03-2006 is uw lening bij Fortis ASR Hypotheekbedrijf N.V. ingegaan." Een brief van Fortis van 3 juli 2007 over verlenging van die hypothecaire lening is eveneens aan [gemachtigde] gericht. [appellante] heeft geen stukken overgelegd over een hypothecaire lening die zij op haar naam heeft afgesloten.
    Gezien het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de gestelde renteschade niet voor vergoeding in aanmerking kan komen, alleen al omdat de hypothecaire lening met [gemachtigde] is afgesloten en niet met [appellante]. De rechtbank heeft tevens met juistheid overwogen dat het afsluiten van de geldlening en de als gevolg daarvan verplichte renteaflossingen geen rechtstreeks gevolg zijn van de in 2009 onrechtmatig verleende vergunning 1e fase, omdat de hypothecaire lening voorafgaande aan die verlening is afgesloten.
    Het betoog faalt.
10.    [appellante] betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de leges die zij heeft betaald voor de behandeling van haar vergunningaanvraag niet voor vergoeding in aanmerking komen.
10.1.    [appellante] heeft de leges betaald voor het in behandeling nemen van haar aanvraag om een vergunning 1e fase. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de kosten van de betaalde leges niet het gevolg zijn van de onrechtmatige verlening van de vergunning 1e fase.
    Het betoog faalt.
11.     Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.
w.g. Polak    w.g. Oranjevoorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019
507.