Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:419

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-02-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:419, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201803056/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:419:DOC

201803056/1/A2.Datum uitspraak: 13 februari 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Belastingdienst/Toeslagen,appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 maart 2018 in zaak nr. 17/4944 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
de Belastingdienst/Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juni 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget van [wederpartij] over 2017 herzien en op € 1.600,00 gesteld.
Bij besluit van 21 juli 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget van [wederpartij] over 2017 herzien en op € 3.138,00 gesteld.
Bij besluit van 26 juli 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 maart 2018 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 juli 2017 vernietigd en de Belastingdienst/Toeslagen opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2018, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, is verschenen.
Overwegingen
Wettelijk kader
1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
    Inleiding
1.    [wederpartij] woont met haar twee minderjarige kinderen in Ermelo. Zij heeft over 2017 kindgebonden budget in de vorm van voorschotten ontvangen. Van 16 maart 2017 tot 25 juni 2017 stond [toeslagpartner], een meerderjarige uitwisselingsstudente uit Finland, op hetzelfde adres als [wederpartij] en haar kinderen in de Basisregistratie Personen (hierna: de Brp) ingeschreven. De Belastingdienst/Toeslagen heeft [toeslagpartner] daarom over de periode van april tot en met juni 2017 als toeslagpartner van [wederpartij] aangemerkt. Dit heeft tot gevolg dat het kindgebonden budget van [wederpartij] over deze periode niet meer word verhoogd met de tegemoetkoming voor alleenstaande ouders, de zogenoemde alleenstaande ouderkop.
Besluitvorming
2.    Bij besluit van 21 juni 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget over 2017 herzien en op een bedrag van € 1.600,00 gesteld. Gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft het hiertegen gemaakte bezwaar van [wederpartij] van rechtswege mede betrekking op het besluit van 21 juli 2017, waarbij de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget over 2017 opnieuw heeft berekend en op een bedrag van € 3.138,00 heeft gesteld.
3.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft het bezwaar bij het besluit van 26 juli 2017 ongegrond verklaard. Hieraan heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [toeslagpartner] de toeslagpartner is van [wederpartij], omdat [wederpartij] op hetzelfde adres staat ingeschreven en er ook een kind jonger dan 18 jaar oud op hetzelfde adres staat ingeschreven. Er is, anders dan [wederpartij] in bezwaar heeft gesteld, geen sprake van een stiefkind. Dat is namelijk uitsluitend het geval als het gaat om een kind van de echtgeno(o)t(e)/geregistreerd partner uit een eerdere relatie. Er is geen sprake van aanverwantschap, aldus de dienst.
Aangevallen uitspraak
4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de uitwisselingsstudente ten onrechte als toeslagpartner heeft aangemerkt bij de berekening van het kindgebonden budget voor de periode van april tot en met juni 2017. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat in artikel 3, vijfde lid van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), gelezen in samenhang met artikel 4, eerste lid, van de Awir staat dat een pleegkind niet als toeslagpartner moet worden aangemerkt. In de toelichting op artikel 4 van de Awir (Kamerstukken II 2004/05, 29 764, 3, p. 37) staat dat de wetgever een kind dat wordt opgevoed en onderhouden als een eigen kind, niet als toeslagpartner heeft willen aanmerken. [wederpartij] heeft [toeslagpartner] voor een schooljaar in huis genomen en haar als een eigen kind onderhouden. In de bevestiging van de directeur van het uitwisselingsprogramma staat dat [wederpartij] het ouderlijk gezag krijgt, geen vergoeding ontvangt en de uitwisselingsstudente als een eigen kind opneemt in het gezin. De uitwisselingsstudente ontvangt kost en inwoning van [wederpartij]. De dienst had in dit geval de situatie gelijk moeten stellen met de situatie van een pleegkind, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
5.    De Belastingdienst/Toeslagen betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [toeslagpartner], de uitwisselingsstudent, gelijkgesteld moet worden met een pleegkind als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Awir en dat zij ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Awir niet als toeslagpartner van [wederpartij] dient te worden aangemerkt. [toeslagpartner] had immers op het moment dat zij als uitwisselingsstudent tijdelijk bij [wederpartij] introk de achttienjarige leeftijd al bereikt, waardoor geen sprake kan zijn van opvoeding als een eigen kind. Een pleegkind heeft, zoals volgt uit de definities van jeugdige en pleegouder in artikel 1.1. van de Jeugdwet, de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt. De Jeugdwet maakt het weliswaar mogelijk dat de pleegzorg langer, tot maximaal de drieëntwintigjarige leeftijd, doorloopt, maar deze mogelijkheid bestaat alleen als de pleegzorg vóór de achttienjarige leeftijd is aangevangen of vóór dat moment is bepaald dat pleegzorg noodzakelijk is. [toeslagpartner] kan daarom niet als vergelijkbaar met een pleegkind worden beschouwd. De rechtbank is bovendien geheel voorbijgegaan aan het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 1998 (ECLI:NL:HR:1998:AA2467), waarnaar de dienst in beroep heeft verwezen. In dat arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat van een pleegkind geen sprake is in gevallen waarin van tevoren vaststaat dat het kind voor een bepaalde betrekkelijk korte tijd in het gastgezin zal verblijven en dat het kind na afloop van het uitwisselingsprogramma zal terugkeren naar de eigen ouders, met wie de band in stand blijft en die bevoegd blijven in de opvoeding in te grijpen, onder meer door het kind vervroegd te laten terugkeren. Dat in de brief van Youth for Understanding Nederland (hierna: YFU) van 16 juni 2017 is vermeld dat [wederpartij] de wettelijke en ouderlijke verantwoordelijkheid voor [toeslagpartner] op zich neemt, maakt het bovenstaande niet anders. [toeslagpartner] was meerderjarig op het moment dat zij bij [wederpartij] kwam inwonen. Uit artikel 1:233 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat het ouderlijk gezag loopt totdat de minderjarige de achttienjarige leeftijd bereikt. De brief van YFU lijkt slechts algemene formuleringen te bevatten, waaraan niet de waarde kan worden gehecht die de rechtbank daaraan hecht, aldus de dienst.
5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2397) heeft de wetgever bij de vormgeving van het wettelijk partnerbegrip gekozen voor een regeling waarbij - uit oogpunt van een eenduidige uitvoering van de inkomensafhankelijke regelingen - op grond van objectiveerbare gegevens door de Belastingdienst/Toeslagen kan worden vastgesteld of een belanghebbende een partner heeft. Bij de verwerking van aanvragen om toeslagen betrekt de Belastingdienst/Toeslagen automatisch de beschikbare informatie uit de BRP.
5.2.    Niet in geschil is dat [toeslagpartner] van 16 maart 2017 tot en met 25 juni 2017 in de Brp op hetzelfde woonadres als [wederpartij] en haar dochters ingeschreven heeft gestaan. Dit leidt ertoe dat [wederpartij] en [toeslagpartner], gelet op artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir gelezen in samenhang met artikel 5 van de Awir, over de periode van april tot en met juni 2017 in beginsel als partners worden aangemerkt. Dat [toeslagpartner] een gedeelte van de woning van [wederpartij] op zakelijke gronden huurde is gesteld noch gebleken. In geschil is of de situatie van [toeslagpartner] met die van een pleegkind moet worden gelijk gesteld. Als dat het geval is, zou [toeslagpartner] geen partner van [wederpartij] zijn, op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Awir gelezen in samenhang van artikel 4, eerste lid, tweede volzin, van de Awir.
5.3.    Het begrip ‘pleegkind’ is in de Awir niet nader omschreven. In de wetsgeschiedenis is met betrekking tot artikel 4 van de Awir opgemerkt dat onder ‘pleegkind’ zowel naar burgerlijk recht als naar socialezekerheidsrecht wordt verstaan een kind dat wordt opgevoed en onderhouden als een eigen kind en dat deze definitie ook in de fiscale jurisprudentie ingang heeft gevonden. Volgens de wetgever heeft deze jurisprudentie daarmee dus ook betekenis voor de toepassing van inkomensafhankelijke regelingen (Kamerstukken II 2004/05, 29 764, 3, p. 37).
5.4.    Vaststaat dat [toeslagpartner] op 16 maart 2017 de leeftijd van 18 jaar al had bereikt en meerderjarig was. Daarmee was zij naar algemeen spraakgebruik geen kind meer. Zij kon voorts op grond van de definities van de begrippen ‘jeugdige’ en ‘pleegouder’ in artikel 1.1 van de Jeugdwet in beginsel geen pleegkind meer worden. Gesteld noch gebleken is dat in haar geval zich een bijzondere situatie voordeed waardoor voortzetting van pleeghulp of (pleeg)ouderlijk gezag aan de orde was. Onder die omstandigheden kan zij niet worden aangemerkt als, of gelijkgesteld aan, een pleegkind in de zin van artikel 4, eerste lid, tweede volzin, van de Awir. De rechtbank is ten onrechte tot een ander oordeel gekomen.
5.5.    Het betoog slaagt.
Conclusie
6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 26 juli 2017 van de Belastingdienst/Toeslagen alsnog ongegrond verklaren.
7.    Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 maart 2018 in zaak nr. 17/4944;
III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. R.J. Koopman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.
w.g. Lubberdink    w.g. Loddervoorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019
17-856. BIJLAGE - wettelijk kader
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Artikel 3:
1. Partner van de belanghebbende is degene die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als partner wordt aangemerkt. Artikel 2, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.
2. In aanvulling op het eerste lid wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende en:
[…]
e. die evenals de belanghebbende meerderjarig is, waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belanghebbende door middel van een schriftelijke huurovereenkomst, waaraan bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld, doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander;
[…]
5. In afwijking van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het tweede lid wordt niet als partner aangemerkt, een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de belanghebbende, tenzij beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt.
[…].
Artikel 4, eerste lid:
Kind is de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van de belanghebbende of zijn partner, die in belangrijke mate wordt onderhouden door de belanghebbende of zijn partner en als ingezetene op hetzelfde woonadres als de belanghebbende is ingeschreven in de basisregistratie personen. Met een bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn wordt gelijkgesteld een pleegkind.
Artikel 5:
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen alsmede voor de toepassing van inkomensafhankelijke regelingen, wordt een wijziging in de omstandigheden en van de leeftijd van de belanghebbende, de partner of een medebewoner die zich voordoet na de eerste dag van de maand, in aanmerking genomen vanaf de eerste dag van de daaropvolgende maand.
Jeugdwet
Artikel 1.1:
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
-  jeugdige: persoon die:
1°. de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt,
2°. de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of
3°. de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van deze wet:
- is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, noodzakelijk is;
- vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of
- is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is;
[…]
- pleegouder: persoon die een jeugdige die niet zijn kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin verzorgt en daartoe een pleegcontract als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, heeft gesloten met een pleegzorgaanbieder;
[…].