Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:418

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-02-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:418, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201805037/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:418:DOC

201805037/1/A2.Datum uitspraak: 13 februari 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 8 mei 2018 in zaken nrs. 17/168, 17/173 en 17/176 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Belastingdienst/Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 2 september 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de huurtoeslag van [appellante] over 2015 definitief berekend en de zorgtoeslag vastgesteld op € 663,00, het kindgebonden budget vastgesteld op € 463,00 en de huurtoeslag vastgesteld op nihil.
Bij afzonderlijke besluiten van 5 december 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 mei 2018 heeft de rechtbank de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2018, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, is verschenen.
Overwegingen
    Wettelijk kader
1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
2.    [appellante] woonde in 2015 samen met haar drie kinderen op hetzelfde adres te Roermond. De oudste zoon, geboren in 1986, is gehandicapt en wordt verzorgd door [appellante]. De andere kinderen zijn geboren in 1996 en 2004. [appellante] heeft in 2015 voorschotten zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag ontvangen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de toeslagen bij besluit van 2 september 2016 definitief berekend. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de zorgtoeslag vastgesteld op een bedrag van € 663,00, het kindgebonden budget vastgesteld op een bedrag van € 463,00 en de huurtoeslag vastgesteld op nihil en het bedrag aan teveel betaalde voorschotten van [appellante] teruggevorderd.
Besluitvorming
3.    Aan het besluit van 5 december 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat de dienst voor het berekenen van het maandelijkse voorschot van de toeslagen het opgegeven geschatte inkomen gebruikt. [appellante] heeft het gezamenlijke toetsingsinkomen voor 2015 geschat op € 16.395,00. Na afloop van het berekeningsjaar wordt de hoogte van de toeslagen definitief berekend aan de hand van het gezamenlijke toetsingsinkomen uit de Basisregistratie Inkomen (hierna: de BRI). Volgens de BRI bedroeg het gezamenlijke toetsingsinkomen van [appellante] en [kind 1], haar oudste zoon, voor de bepaling van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget in 2015 € 27.886,00. Het gezamenlijk toetsingsinkomen van [appellante], [kind 1], [kind 2] en [kind 3] voor de bepaling van de huurtoeslag bedroeg in 2015 € 31.514,00. Doordat er een verschil is tussen het geschatte inkomen en het gezamenlijke toetsingsinkomen uit de BRI, heeft [appellante] een te hoog (maandelijks) bedrag aan voorschotten ontvangen. Daarom moet zij nu een deel van de voorschotten terugbetalen, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.
Aangevallen uitspraak
4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen [kind 1] terecht als toeslagpartner van [appellante] heeft aangemerkt. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) niet kan worden geconcludeerd dat de Belastingdienst/Toeslagen [kind 1] ten onrechte als de toeslagpartner van [appellante] heeft aangemerkt, nu uit de beschikbare gegevens blijkt dat [kind 1] gedurende het hele jaar 2015 op hetzelfde woonadres als [appellante] in de Basisregistratie personen (hierna: de Brp) ingeschreven stond, hetgeen niet is betwist. De in beroep aangevoerde reden dat [kind 1] op hetzelfde adres als [appellante] woont omdat hij ernstig gehandicapt is en dagelijks veel verzorging nodig heeft, maar over een eigen woonruimte in haar woning beschikt, maakt dit niet anders. Het standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen dat [kind 1] (ook) op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder g, van de Awir als toeslagpartner van [appellante] moet worden aangemerkt is in beroep niet bestreden. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien dit standpunt voor onjuist te houden.
    Over de hoogte van het toetsingsinkomen heeft de rechtbank geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht is uitgegaan van de (authentieke) inkomensgegevens van 2015 zoals die zijn opgenomen in de BRI. [appellante] heeft niet bestreden dat het gezamenlijke toetsingsinkomen zoals dat voor het jaar 2015 uit de BRI blijkt, hoger is dan het maximale inkomen dat voor dat jaar recht geeft op huurtoeslag. Nu de dienst niet beschikt over de bevoegdheid af te wijken van het in de BRI vastgelegde inkomensgegeven kan de stelling van [appellante] dat sprake is van een dubbeltelling - wat daar verder ook van zij - reeds hierom niet leiden tot gegrondverklaring van de beroepen, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen [kind 1] terecht als haar partner heeft aangemerkt en de dienst zijn uitkering terecht heeft meegeteld voor de bepaling van (de hoogte van) haar recht op toeslagen. Zij voert hiertoe aan dat [kind 1] in 2015 bij haar op hetzelfde adres heeft gewoond, omdat hij zwaar gehandicapt is en door haar wordt verzorgd. De uitkering van [kind 1] mag er niet toe leiden dat haar toeslagen worden gekort. Uit artikel 2a van het Besluit op de huurtoeslag (hierna: het Bht) volgt dat zijn inkomen niet moet worden meegeteld, in verband met de verzorgingsbehoefte, aldus [appellante].
5.1.    Ingevolge artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) wordt als partner van een belanghebbende aangemerkt degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende en die evenals de belanghebbende meerderjarig is, waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belanghebbende door middel van een schriftelijke huurovereenkomst doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander.
5.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2397) heeft de wetgever bij de vormgeving van het wettelijk partnerbegrip gekozen voor een regeling waarbij - uit oogpunt van een eenduidige uitvoering van de inkomensafhankelijke regelingen - op grond van objectiveerbare gegevens door de Belastingdienst/Toeslagen kan worden vastgesteld of een belanghebbende een partner heeft. Bij de verwerking van aanvragen om toeslagen betrekt de Belastingdienst/Toeslagen automatisch de beschikbare informatie uit de Brp.
5.3.    Niet in geschil is dat de [kind 1] het hele jaar 2015 in de Brp op hetzelfde woonadres als [appellante] en haar minderjarige kind ingeschreven heeft gestaan. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen [kind 1] over 2015 terecht als partner van [appellante] heeft aangemerkt.
5.4.    De Awir, de Wet op de zorgtoeslag en de Wet op het kindgebonden budget laten de Belastingdienst/Toeslagen geen ruimte om rekening te houden met de door [appellante] naar voren gebrachte omstandigheid dat haar zoon bij haar woont, omdat hij zwaar gehandicapt is en door haar wordt verzorgd. Dit betekent dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de berekening van de hoogte van het recht op zorgtoeslag en kindgebonden budget, ingevolge artikel 7 en artikel 8 van de Awir, terecht is uitgegaan van het gezamenlijke toetsingsinkomen van [appellante] en [kind 1], zoals dat in de BRI is geregistreerd.
5.5.    Voor de huurtoeslag is in artikel 2a van het Bht de mogelijkheid opgenomen om een partner of medebewoner buiten beschouwing te laten, indien sprake is van een verzorgingsbehoefte. Het inkomen van de partner wordt alleen dan niet tot het toetsingsinkomen gerekend als er een verzorgingsbehoefte is, die blijkt uit een verklaring van het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: het CIZ) als bedoeld in artikel 2a van het Bht.
    Nu een door het CIZ overgelegde verklaring ontbreekt, heeft de Belastingdienst/Toeslagen het inkomen van [kind 1] terecht in aanmerking genomen bij de berekening van de huurtoeslag van [appellante]. De rechtbank is terecht tot dezelfde slotsom gekomen.
5.6.    Voor zover [appellante] beoogt te betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het optellen van de beide inkomens leidt tot dubbeltelling, omdat [appellante] voor de verzorging van [kind 1] wordt betaald vanuit zijn persoonsgebonden budget, waardoor er feitelijk slechts een interne verschuiving van inkomen plaatsvindt, mist dit betoog feitelijke grondslag. Het in de BRI geregistreerde inkomen van [kind 1] bestaat slechts uit zijn Wajong uitkering en betreft niet tevens zijn persoonsgebonden budget. Reeds hierom is geen sprake van dubbeltelling van inkomen uit het persoonsgebonden budget.
5.7.    Het betoog faalt.
Conclusie
6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. R.J. Koopman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.
w.g. Lubberdink    w.g. Loddervoorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019
17-856. BIJLAGE - wettelijk kader
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Artikel 3:
1. Partner van de belanghebbende is degene die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als partner wordt aangemerkt. Artikel 2, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.
2. In aanvulling op het eerste lid wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende en:
[…]
e. die evenals de belanghebbende meerderjarig is, waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belanghebbende door middel van een schriftelijke huurovereenkomst, waaraan bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld, doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander;
[…]
g. die in het aan het berekeningsjaar voorafgaande kalenderjaar reeds partner van de belanghebbende was.
[…]
3. Degene die ingevolge het tweede lid voor een deel van het berekeningsjaar als partner wordt aangemerkt, wordt ook als partner aangemerkt in de andere perioden van het berekeningsjaar, voor zover hij in die perioden als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende.
4. Een belanghebbende kan op enig moment slechts één partner hebben. Indien de belanghebbende op grond van het tweede lid op dat moment meer dan één partner zou hebben, geldt als partner van de belanghebbende degene die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op dat moment als partner wordt aangemerkt; mocht op grond van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op dat moment geen persoon als partner zijn aangemerkt, geldt als partner degene die op grond van de in het tweede lid eerstgenoemde categorie als partner wordt aangemerkt.
5. In afwijking van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het tweede lid wordt niet als partner aangemerkt, een bloedverwant in de eerste graad van de belanghebbende, tenzij beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt.
[…].
Artikel 7, eerste lid:
Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.
Artikel 8, eerste lid:
Toetsingsinkomen is: het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.
Wet op de huurtoeslag
Artikel 7, eerste lid:
"Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners."
Besluit op de huurtoeslag
Artikel 2a:
1. Op verzoek blijft voor de toepassing van artikel 2 van de wet, van artikel 7 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en de op die artikelen berustende bepalingen voor zover het betreft het toekennen van een huurtoeslag, een partner of medebewoner buiten beschouwing indien sprake is van een verzorgingsbehoefte bij de huurder, diens partner of een medebewoner.
2. Het eerste lid geldt uitsluitend ten aanzien van de partner of medebewoner die met het oog op de verzorgingsbehoefte van de huurder of van hemzelf als ingezetene op hetzelfde woonadres als de huurder staat ingeschreven in de basisregistratie personen en is van toepassing indien:
a. de verzorgingsbehoefte blijkt uit een indicatiebesluit van het CIZ, genoemd in artikel 7.1.1 van de Wet langdurige zorg;
[…].