Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:4104

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-12-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 04-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:4104, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201901782/1/V6


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:4104:DOC

201901782/1/V6.Datum uitspraak: 4 december 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te Rotterdam,tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 januari 2019 in zaak nr. 18/1678 in het geding tussen:[appellant]ende burgemeester van Rotterdam.ProcesverloopBij besluit van 21 augustus 2017 heeft de burgemeester geweigerd de verklaring van [appellant] dat hij het Nederlanderschap wil verkrijgen te bevestigen.Bij besluit van 6 februari 2018 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 18 januari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2019, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. A.T. Kasiemkhan, is verschenen.Overwegingen1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.2.    De burgemeester heeft de bevestiging van de verklaring van [appellant] geweigerd, omdat hij niet voldoet aan de vereisten in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) om in aanmerking te komen voor het Nederlanderschap door optie. Hiertoe heeft de burgemeester redengevend geacht dat [appellant] niet gedurende een jaar of langer toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland heeft. Ook heeft [appellant] volgens de burgemeester zijn nationaliteit en identiteit niet aangetoond en hij heeft geen bewijs van Oud-Nederlanderschap, voorzien van een apostille, overgelegd.3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij voldoet aan het vereiste van meer dan 1 jaar legaal verblijf, omdat hij van 6 december 2013 tot en met 10 mei 2015 rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. [appellant] voert aan dat de burgemeester met de weigering het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden.3.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] niet voldoet aan het vereiste in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de RWN om in aanmerking te komen voor het Nederlanderschap door optie. Vaststaat dat [appellant] niet aan het vereiste voldoet dat hij op het beoogde moment van bevestiging van de verkrijging gedurende een jaar of langer toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland had, omdat hij nooit in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Hij beschikte ten tijde van het besluit van 21 augustus 2017 niet over een geldige verblijfsvergunning. De burgemeester heeft [appellant] al bij brief van 24 januari 2017 over dit vereiste geïnformeerd, waardoor niet valt in te zien dat de burgemeester het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden. Alleen al gelet op dit vereiste heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester terecht heeft geweigerd de verklaring van [appellant] dat hij het Nederlanderschap wil verkrijgen te bevestigen.    Het betoog faalt.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.w.g. Troostwijk    w.g. Oeilid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 4 december 2019670-876. BIJLAGE Rijkswet op het NederlanderschapArtikel 61. Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap:[…]f. de meerderjarige vreemdeling die te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten en in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba tenminste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft tenzij hij het Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, eerste lid, onder d of e; […]Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap6-1-f. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder fParagraaf 1Een vreemdeling die een optieverklaring aflegt verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN, als cumulatief:•    […];•    hij op enig moment in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander;•    hij op het moment van de bevestiging van de verkrijging gedurende een jaar of langer toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland heeft. Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ houdt in dat de optant in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht met een niet-tijdelijk karakter. Voor een nadere uitleg van dit begrip en de wijze waarop kan worden beoordeeld of aan dit vereiste wordt voldaan, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN én artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. De optant moet zijn rechtmatige verblijf aan de hand van een verblijfsdocument aan tonen. Zie voor een uitleg van het begrip ‘hoofdverblijf’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN. De periode van een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf moet ‘onafgebroken’ zijn. In deze periode mogen daarom geen zogenaamde ‘verblijfsgaten’ voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de termijn. Na de onderbreking begint een nieuwe termijn van een jaar te lopen. Of wordt voldaan aan het vereiste van een jaar onafgebroken toelating, zal de burgemeester in veel gevallen kunnen afleiden uit het verblijfsdocument en de gegevens in de BRP. In andere gevallen zal de duur van de onafgebroken toelating alleen kunnen worden beoordeeld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de hand van gegevens uit de vreemdelingenadministratie (zo nodig in combinatie met het verblijfsdocument). In deze situatie zal de burgemeester de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeken om aan hem een bericht omtrent toelating af te geven. Het is overigens de bedoeling dat een bericht omtrent toelating alleen wordt gevraagd als de burgemeester niet of in onvoldoende mate beschikt over de benodigde gegevens. Ook in gevallen waarbij de gegevens in de BRP en het overgelegde verblijfsdocument elkaar tegenspreken of er anderszins omstandigheden zijn waardoor gerede twijfel bestaat over de juiste verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling, moet een bericht omtrent toelating worden gevraagd. Voor de gevallen waarin en de wijze waarop een bericht omtrent toelating moet worden gevraagd, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN;•    […].