Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:4103

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-12-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 04-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:4103, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201901785/1/V6


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:4103:DOC

201901785/1/V6.Datum uitspraak: 4 december 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellante], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2019 in zaak nr. 17/5265 in het geding tussen:[appellante]ende staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.ProcesverloopBij besluit van 9 december 2016 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellante] om naturalisatie (hierna: het verzoek) afgewezen.Bij besluit van 11 juli 2017 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 17 januari 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. A. Orhan, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door S.Q. Sandifort MSc, zijn verschenen.Overwegingen1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.2.    De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen omdat met de door [appellante] overgelegde documenten haar identiteit niet is komen vast te staan. Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (thans: Team Onderzoek en Expertise Documenten, hierna: TOED) heeft op verzoek van de staatssecretaris onderzoek verricht naar de door [appellante] overgelegde documenten. TOED heeft in de verklaring van onderzoek van 15 april 2016 geconcludeerd dat de geboorteakte met documentnummer 002666 met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is en niet door een daartoe bevoegde instantie is opgemaakt en afgegeven. Als reactie hierop heeft [appellante] een tweede geboorteakte met documentnummer 4786 overgelegd. TOED heeft in de verklaring van onderzoek van 1 november 2016 geconcludeerd dat deze met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is en niet door een daartoe bevoegde instantie afgegeven. [appellante] heeft meerdere verklaringen van de Iraakse ambassade te Den Haag overgelegd. Hierin staat dat de legalisatie door het Iraakse Ministery of Foreign Affairs (hierna: het MFA) van de geboorteakte met het documentnummer 4786, correct is. De verklaringen van de Iraakse ambassade leiden volgens TOED niet tot een andere conclusie, omdat de Iraakse ambassade zich alleen heeft uitgesproken over de legalisatie door het MFA en niet over de echtheid van de geboorteakte met documentnummer 4786 zelf en de overige op de geboorteakte aangebrachte inktstempels. Verder heeft TOED toegelicht dat [appellante] zich tot het Iraakse Ministry of Health (hierna: het MFH) moet wenden om een correcte geboorteakte te verkrijgen.3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij haar identiteit niet heeft aangetoond. [appellante] voert aan dat de Iraakse ambassade niet alleen de handtekeningen heeft gelegaliseerd, maar ook de stempels. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de ambassade geen verklaringen kan afgeven over de echtheid van documenten. [appellante] betoogt verder dat er geen mogelijkheid is tot het indienen van een contra-expertise, waardoor het niet mogelijk is het deskundigenadvies van TOED te weerleggen. De rechtbank heeft niet onderkend dat zij er alles aan heeft gedaan om een correcte geboorteakte te verkrijgen, aldus [appellante].3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:501) volgt uit de Rijkswet op het Nederlanderschap en de Handleiding RWN dat het aan de desbetreffende verzoeker is om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en dat het aan de staatssecretaris is om te beoordelen of de identiteit en nationaliteit van de desbetreffende verzoeker met de door hem overgelegde stukken zijn komen vast te staan. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6673) is de verlening van het Nederlanderschap, wegens de daaraan verbonden gevolgen, een zaak van groot gewicht en is de staatssecretaris dan ook bevoegd om op de daartoe geëigende wijze bewijs van de gestelde identiteit en nationaliteit van de desbetreffende verzoeker te verlangen.3.2.    De rechtbank heeft gemotiveerd uiteengezet dat en waarom de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] haar identiteit niet heeft aangetoond met de door haar overgelegde geboorteakten. De legalisatie van het MFA biedt, anders dan [appellante] kennelijk beoogt te betogen, geen uitsluitsel over de juistheid van de inhoud van de geboorteakte met documentnummer 4786. Immers, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2207) ziet legalisatie op de bevestiging van de echtheid van de in het document voorkomende handtekening en van de bevoegdheid van de functionaris die het document heeft ondertekend. Legalisatie biedt geen uitsluitsel over de inhoudelijke juistheid van het document.    Verder strookt het betoog van [appellante] dat er in dit geval geen mogelijkheid is tot het indienen van een contra-expertise niet met haar verklaring ten tijde van de hoorzitting op 15 mei 2017 dat zij geen geld heeft voor een contra-expertise en dat zij niet verwacht dat een contra-expertise tot het gewenste resultaat zal leiden. [appellante] heeft overigens niet onderbouwd dat het niet mogelijk is om een contra-expertise te laten uitvoeren. Tot slot slaagt het betoog van [appellante] niet dat zij er alles aan heeft gedaan om een correcte geboorteakte te verkrijgen, alleen al omdat zij niet heeft gestaafd dat zij zich daartoe tot het MFH heeft gewend, zoals TOED heeft gesuggereerd.    Het betoog faalt.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.w.g. Troostwijk    w.g. Oeilid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 4 december 2019670-876. BIJLAGE Rijkswet op het NederlanderschapArtikel 71. Met inachtneming van de bepalingen van dit Hoofdstuk verlenen Wij op voordracht van Onze Minister het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken.[…]Artikel 231. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van deze Rijkswet.[…]Besluit verkrijging en verlies NederlanderschapArtikel 311. Bij de indiening van een naturalisatieverzoek verstrekt de verzoeker betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot:a. geslachtsnaam en voornaam of voornamen, onderscheidenlijk naam of namen;b. geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland;[…]e. nationaliteit of nationaliteiten;[…]5. De autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook Onze Minister, kan verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten. […]Handleiding Rijkswet op het NederlanderschapToelichting bij artikel 7Paragraaf 3.5. Over te leggen documentenHet verzoek om naturalisatie moet zoveel mogelijk worden ondersteund door (bewijs)stukken. […]Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die door naturalisatie het Nederlanderschap wil verkrijgen, overlegt de vreemdeling nationaliteit en -identiteit vaststellende documenten (zie onder meer artikel 31 BvvN en paragraaf 3.5.1 en 3.5.3 bij artikel 7 RWN). […]Paragraaf 3.5.1. Buitenlands reisdocument/aantonen bezit vreemde nationaliteitAlgemeenDe verzoeker moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument overleggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit niet alleen in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand.[…]Paragraaf 3.5.2. Buitenlandse akten van de burgerlijke standDe verzoeker moet in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) overleggen […]- geboorteakte van hemzelf […]Het belang van de buitenlandse geboorteakte in de naturalisatieprocedure is onder meer dat aan de hand daarvan de namen van de verzoeker om naturalisatie blijken naar diens eigen recht, en dat daarmee kan worden bepaald of betrokkene (al) een geslachtsnaam heeft of niet. […]