Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:4102

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-12-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 04-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:4102, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201901962/1/V6


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:4102:DOC

201901962/1/V6.Datum uitspraak: 4 december 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 januari 2019 in zaak nr. 18/2150 in het geding tussen:[appellant]ende staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.ProcesverloopBij besluit van 30 oktober 2017 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellant] een boete opgelegd van € 8.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).Bij besluit van 26 februari 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 29 januari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.[appellant] heeft een nader stuk ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2019, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. P. Blok, is verschenen.Overwegingen1.    Het door een arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 7 augustus 2017 houdt in dat arbeidsinspecteurs en een politie-eenheid van de regio Midden Nederland op 1 augustus 2016 een controle hebben verricht op het adres [locatie 1] te Nieuwegein in het kader van de Wav. Hieruit en uit vervolgonderzoek is gebleken dat [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], vreemdelingen met de Oekraïense nationaliteit, in de periode 1 augustus 2016 tot en met 8 augustus 2016 voor [appellant] werkzaamheden hebben verricht aan de woningen op de adressen [locatie 2] en [locatie 1], zonder dat het UWV Werkbedrijf daarvoor tewerkstellingsvergunningen heeft afgegeven. Ook beschikten de vreemdelingen niet over gecombineerde vergunningen voor verblijf en arbeid.2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat vast is komen te staan dat hij een eigen bedrijf voert en hij op de dag van de controle feitelijk arbeid heeft laten verrichten door de vreemdelingen. [appellant] voert aan dat hij op die dag slechts enkele personen met zijn busje ter plaatse heeft gebracht en verder geen regie heeft gevoerd. De folders met zijn bedrijfsnaam die hij bij zich had betroffen toekomstplannen en de facturen heeft hij op verzoek van een derde partij op zijn naam gesteld. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris terecht zijn eerste twee verklaringen van 1 en 8 augustus 2016, die hij als getuige heeft afgelegd, aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. [appellant] voert aan dat hij de eerste twee verklaringen zonder tolk in de Duitse taal heeft afgelegd, er sprake was van miscommunicatie tussen hem en de arbeidsinspecteur en hij wat is opgeschreven niet of onvoldoende op juistheid heeft kunnen beoordelen.2.1.    Wat [appellant] aldus aanvoert, is een herhaling van de gronden die hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft op de beroepsgronden beslist en deze gemotiveerd weerlegd, waarbij zij terecht tot het oordeel is gekomen dat de staatssecretaris [appellant] terecht als werkgever in de zin van de Wav heeft aangemerkt. De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat de staatssecretaris de verklaringen van [appellant], zoals afgelegd op 1 en 8 augustus 2016, terecht aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. [appellant] heeft in hoger beroep niet uiteengezet waarom de overwegingen van de rechtbank geen stand kunnen houden.    Het betoog faalt.3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om de boete te matigen wegens het ontbreken van verwijtbaarheid of verminderde verwijtbaarheid. Volgens [appellant] kan hem geen enkel verwijt worden gemaakt, omdat hij zich er niet bewust van was dat hij volgens de Nederlandse wetgeving een tewerkstellingsvergunning moest hebben. De rechtbank heeft volgens [appellant] ook niet onderkend dat hij met een boekhoudersverklaring heeft aangetoond dat hij jaarlijks een minimaal inkomen verdient in Duitsland, hij ontheven is van de verplichting om belastingaangifte te doen en hij onevenredig wordt getroffen door de opgelegde boete.3.1.    Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van de staatssecretaris. De staatssecretaris moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.    Ingevolge de verplichting hem opgelegd in artikel 19d, zesde lid, van de Wav, heeft de staatssecretaris beleidsregels vastgesteld waarin de boetebedragen voor de overtredingen zijn vastgesteld. Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de staatssecretaris in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, moet de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig worden vastgesteld dat deze evenredig is.    De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van de staatssecretaris met betrekking tot de boete voldoet aan de eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van uitspraak van 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9509) bestaat reden tot matiging van de opgelegde boete indien op basis van de door de beboete werkgever overgelegde financiële gegevens moet worden geoordeeld dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen.3.2.    Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij al wat redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen of dat sprake is van een verminderde mate van verwijtbaarheid. De Afdeling heeft eerder overwogen (onder meer de uitspraak van 3 oktober 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB4694) dat het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever is om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of aan de voorschriften van de Wav wordt voldaan. Niet is gebleken dat [appellant] dit heeft gedaan. Gelet op die eigen verantwoordelijkheid, komen de gevolgen van onbekendheid met de verplichtingen van de Wav voor zijn rekening. [appellant] heeft verder niet met stukken onderbouwd dat hij een minimaal inkomen verdient en hij ontheven is van de verplichting om belastingaangifte te doen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat [appellant] wegens zijn financiële omstandigheden onevenredig wordt getroffen door de opgelegde boete.    Het betoog faalt.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.w.g. Van Eck    w.g. Groenendijklid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 4 december 2019164-899.