Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:4100

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-12-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 04-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:4100, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201900733/1/V6


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:4100:DOC

201900733/1/V6.Datum uitspraak: 4 december 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellante], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 december 2018 in zaak nr. 18/2656 in het geding tussen:[appellante]ende staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.ProcesverloopBij besluit van 24 oktober 2017 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.Bij besluit van 27 februari 2018 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 13 december 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2019, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door drs. J.M. Sidler, is verschenen.Overwegingen1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.2.    De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellante] onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek geen vijf jaar aaneengesloten toelating heeft gehad in het Koninkrijk. Gebleken is dat er een zogenoemd verblijfsgat bestaat van 22 april 2015 tot 8 juni 2015, zodat [appellante] niet aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) voldoet, aldus de staatssecretaris. Het is de staatssecretaris voorts niet gebleken dat zich bijzondere feiten of omstandigheden voordoen, op grond waarvan artikel 10 van de RWN moet worden toegepast.3.    Aan [appellante] is bij besluit van 10 juni 2015 met ingang van 8 juni 2015 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "humanitair; niet tijdelijk" verleend, met een geldigheidsduur tot 8 juni 2020. Dit besluit is onherroepelijk.4.    De rechtbank heeft volgens [appellante] ten onrechte overwogen dat 8 juni 2015 als ingangsdatum van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "humanitair; niet tijdelijk" als juist moet worden aangemerkt omdat deze vergunning onherroepelijk is. [appellante] voert aan dat het onherroepelijk zijn van een besluit niet betekent dat de staatssecretaris achteraf niet meer naar de feiten kan kijken als blijkt dat de zaken anders liggen. Volgens [appellante] heeft de staatssecretaris de ingangsdatum verkeerd vastgesteld, omdat zij op 13 februari 2015 dan wel 22 april 2015 al heeft voldaan aan de vereisten voor de gevraagde verblijfsvergunning.4.1.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, zijn de naturalisatieprocedure en de verblijfsrechtelijke procedure op de voet van de Vw 2000 gescheiden procedures. Vragen over toelating horen in beginsel thuis in een procedure op de voet van de Vw 2000. Het had dan ook op de weg van [appellante] gelegen om, indien zij het niet eens was met de ingangsdatum van de aan haar verleende verblijfsvergunning, een rechtsmiddel aan te wenden tegen het besluit van 10 juni 2015. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1749. Omdat zij dit niet heeft gedaan, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vaststaat op 8 juni 2015.    Het betoog faalt.5.    [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij voldoet aan het in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN neergelegde vereiste van ten minste vijf jaren toelating. Ook heeft de staatssecretaris volgens [appellante] haar belangen niet voldoende afgewogen en zijn de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek onevenredig in verhouding tot het met het besluit te dienen doel. [appellante] betoogt dat zij voldoet aan het inburgeringsvereiste en dat het doel van naturalisatie is dat zij verder integreert.5.1.    Wat [appellante] aldus aanvoert, is een nagenoeg letterlijke herhaling van de gronden die zij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft op de beroepsgronden beslist en deze gemotiveerd weerlegd, waarbij zij tot het oordeel is gekomen dat [appellante] ten tijde van het verzoek niet voldeed aan het in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN neergelegde vereiste van ten minste vijf jaren toelating in het Koninkrijk onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek om verlening van het Nederlanderschap en dat de staatssecretaris terecht geen toepassing heeft gegeven aan artikel 10 van de RWN. [appellante] heeft in hoger beroep niet uiteengezet waarom de overwegingen van de rechtbank geen stand kunnen houden. Alleen al hierom kan het aangevoerde niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.w.g. Van Eck    w.g. Groenendijklid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 4 december 2019164-899. BIJLAGE Rijkswet op het NederlanderschapArtikel 81. Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker[…];c. die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft;[…].Artikel 10Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, en de termijn genoemd in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid.