Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:4093

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-12-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 04-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:4093, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201705424/4/R3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:4093:DOC

201705424/4/R3.Datum uitspraak: 4 december 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:[appellant], wonend te Oegstgeest,ende raad van de gemeente Oegstgeest,verweerder.ProcesverloopBij tussenuitspraak van 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2017:2507, (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de uitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 20 april 2017 te herstellen. De tussenuitspraak is aangehecht.Bij besluit van 22 november 2018 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Poelgeest" gewijzigd vastgesteld.[appellant] is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. [appellant] heeft een zienswijze naar voren gebracht.De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 1 juli 2019, waar [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door mr. K.V.L. Troost, [gemachtigde], en mr. D.S.P. Roelands-Fransen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.Tijdens de zitting heeft de Afdeling de raad verzocht nadere inlichtingen te verstrekken. De raad heeft een reactie gegeven. [appellant] heeft nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 20 augustus 2019, waar [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door mr. K.V.L. Troost, [gemachtigde], en mr. J. Zweers, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.OverwegingenDe tussenuitspraak1.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 6 overwogen dat het besluit van 20 april 2017 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat niet is komen vast te staan dat bij de vaststelling van het plan onderzoeken zijn betrokken over de aanleg van de brug over de Haarlemmertrekvaart.2.    Gelet op hetgeen onder 6 van de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 20 april 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Poelgeest" gegrond. Dat besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.3.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om het onder 6 genoemde gebrek in het besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen.Het besluit van 22 november 20184.    Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 22 november 2018 het bestemmingsplan "Poelgeest" gewijzigd vastgesteld. Daarbij is het volgende gewijzigd:- de plantoelichting en bijlagen bij de plantoelichting zijn aangevuld met de motivering over het brugtracé;- in de planregels is voor de bestemmingen "Verkeer" (artikel 14, lid 14.1, aanhef en onder, e, van de planregels) en "Groen" (artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder d, van de planregels) toegevoegd dat lichtwerende voorzieningen kunnen worden gerealiseerd;- op de verbeelding is de verkeersbestemming op de grens met het plangebied van het bestemmingsplan "Brug Poelgeest" (verkeersbestemming in het verlengde van de Hugo de Vrieslaan) versmald.5.    Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."6.    Het besluit van 22 november 2018 is gezien artikel 6:19 van de Awb, mede onderwerp van het geding.Toelaten belanghebbenden als partij7.    Ten aanzien van het verzoek van [partij A] en anderen en [partij B] en anderen om als partij te worden toegelaten, overweegt de Afdeling dat artikel 8:26, eerste lid, van de Awb er niet toe strekt dat een belanghebbende als partij kan worden toegelaten die zich niet eerder in de procedure heeft gemengd. [partij A] en anderen en [partij B] en anderen hebben tegen de besluiten van 20 april 2017 en 22 november 2018 geen beroep ingesteld. Verder hebben zij geen aan [appellant] tegengesteld belang gesteld. Hun verzoeken om als partij te worden toegelaten worden daarom afgewezen.8.    Voor zover [partij A] en anderen zich op het standpunt stellen dat hun stuk van 9 januari 2019, waarin zij verzoeken om als partij te worden toegelaten, moet worden aangemerkt als een beroepschrift, overweegt de Afdeling dat uit dit stuk niet blijkt dat het als zodanig moet worden aangemerkt. De omstandigheid dat de administratie het stuk als beroepschrift heeft aangemerkt en griffierecht heeft geheven, laat onverlet dat het stuk niet als beroepschrift kan worden aangemerkt.De zienswijze van [appellant]9.    [appellant] brengt in zijn zienswijze diverse betogen naar voren. Deze gaan over het nut en de noodzaak van de verkeersverbinding tussen de wijk Poelgeest in de gemeente Oegstgeest en het Trekvaartplein in de gemeente Leiden via een brug over de Haarlemmertrekvaart naar de Oegstgeesterweg. Verder gaan deze over mogelijke alternatieven, de vrees voor het ontstaan van sluipverkeer, onveilige situaties, lichthinder en onaanvaardbare verkeerskundige gevolgen.9.1.    De betogen die [appellant] in deze procedure naar voren brengt, zijn gelijkluidend aan de betogen die hij naar voren heeft gebracht tegen de besluiten van 23 november 2017 en 30 november 2017 waarbij de raden van de gemeenten Oegstgeest en Leiden het bestemmingsplan "Brug Poelgeest 2017" hebben vastgesteld. De Afdeling heeft hierover bij uitspraak van vandaag, zaak nr. ECLI:NL:RVS:2019:4039, geoordeeld. Gelet op hetgeen in die uitspraak is overwogen, falen de betogen die [appellant] in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht tegen het voorliggende bestemmingsplan.Conclusie10.    Gelet op hetgeen onder 6 van de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 20 april 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Poelgeest" gegrond. Dat besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Het beroep van [appellant] tegen het herstelbesluit van 22 november 2018 is ongegrond.Proceskosten11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van de raad van de gemeente Oegstgeest van 20 april 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Poelgeest" gegrond;II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Oegstgeest van 20 april 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Poelgeest";III.    verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van de raad van de gemeente Oegstgeest van 22 november 2018 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Poelgeest" ongegrond;IV.    gelast dat de raad van de gemeente Oegstgeest aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt.Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, griffier.w.g. Michiels    w.g. Priemvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 4 december 2019646.