Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:4092

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-12-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 04-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:4092, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201901261/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:4092:DOC

201901261/1/A1.Datum uitspraak: 4 december 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op de hoger beroepen van:1.    [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te [woonplaats],2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 februari 2019 in zaken nrs. 18/846 en 18/868 in het geding tussen:gemachtigden van de buurtbewoners,[appellant sub 2]enhet college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college).ProcesverloopBij besluit van 7 september 2015 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor bouwen van twee schoorstenen, het gebruik van de locatie voor het sorteren van afvalstoffen en het veranderen van de inrichting op de percelen [locatie 1]-[locatie 2] en [locatie 3] te Haaksbergen. Bij dat besluit is ook vergunning verleend als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998).Naar aanleiding van een rechtbankuitspraak van 30 mei 2016 heeft het college op 20 maart 2018 nogmaals de door [vergunninghoudster] gevraagde omgevingsvergunning verleend.Bij uitspraak van 5 februari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor zover dat is ingesteld door [belanghebbende] en [appellant sub 2] ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.[appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2019, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [appellant sub 2] en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Puttenstein, mr. J.H. de Lange en H.M. Heukels, zijn verschenen. Verder zijn [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Twello, en [gemachtigde B] en [gemachtigde C] en de gemeenteraad van Haaksbergen, vertegenwoordigd door M.J.G. Rack en H.M. Heukels, ter zitting gehoord.OverwegingenInleiding1.    [vergunninghoudster] exploiteert een afvalverwerkingsbedrijf. De inrichting is gevestigd op het perceel [locatie 1]-[locatie 2] en het perceel [locatie 3] te Haaksbergen. Beide percelen zijn gelegen op het bedrijventerrein Industrie-West (ook wel genoemd: ’t Varck). De percelen zijn in het vigerende bestemmingsplan "Industrie-West 2003" bestemd voor "Bedrijfsdoeleinden" met de nadere aanduiding "zone C".De rechtbank heeft bij uitspraak van 30 mei 2016 het beroep gericht tegen het besluit van 7 september 2015, voor zover ingediend door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], niet ontvankelijk verklaard en het beroep, voor zover ingediend door [appellant sub 2] en [belanghebbende], gegrond verklaard en het besluit van 7 september 2015 vernietigd voor zover daarbij een omgevingsvergunning tweede fase is verleend voor het gebruiken van het perceel [locatie 1] (inclusief hal 8 en hal 9) in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft het college opgedragen om ten aanzien van het vernietigde deel een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Dit betekent dat het onderhavige geschil niet meer ziet op de besluitonderdelen die bij de rechtbank stand hebben gehouden.2.    Naar aanleiding van de rechtbankuitspraak heeft het college op 3 augustus 2017 een ontwerpbeschikking bekendgemaakt en deze met ingang van 21 augustus 2017 tot en met 2 oktober 2017 ter inzage gelegd. Tegen deze ontwerpbeschikking hebben [appellant sub 2], [belanghebbende] en [vergunninghoudster] een zienswijze ingediend.Hoger beroep3.    [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte alleen de beroepen van [belanghebbende] en [appellant sub 2] ontvankelijk heeft geacht. Volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] zijn de beroepen van de andere buurtbewoners ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.3.1.    Zoals ter zitting van de Afdeling besproken heeft de rechtbank terecht alleen [belanghebbende] en [appellant sub 2] ontvangen in beroep omdat zij een zienswijze gericht tegen het ontwerp-herstelbesluit hebben ingediend. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de overige buurtbewoners redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij hebben nagelaten een zienswijze in te dienen, nu het ter inzage gelegde ontwerpbesluit om omgevingsvergunning voorzag in de voor hen bezwaarlijke buitenopslag op het perceel. Voor zover [vergunninghoudster] stelt dat [appellant sub 2] en [belanghebbende] niet aangemerkt kunnen worden als belanghebbenden bij het besluit van 20 maart 2018 ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij geen belanghebbende zijn bij het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning.De rechtbank heeft gelet hierop terecht overwogen dat alleen [appellant sub 2] en [belanghebbende] een ontvankelijk beroep hebben ingesteld en in het vervolg van de uitspraak zal alleen [belanghebbende] en [appellant sub 2] worden aangehaald.Het betoog faalt.Ruimtelijke onderbouwing4.    [belanghebbende] en [appellant sub 2] betogen dat de gemeente ten onrechte niet de ontwerpverklaring van geen bedenkingen heeft gepubliceerd. Zij verwijzen daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2734.Daarnaast is volgens [belanghebbende] en [appellant sub 2] in de definitieve verklaring van geen bedenkingen, anders dan in de ontwerpverklaring van geen bedenkingen geen verbod meer opgenomen voor het opslaan van afvalstoffen op het buitenterrein. De rechtbank heeft volgens [belanghebbende] en [appellant sub 2] ten onrechte alleen beoordeeld of een verklaring van geen bedenkingen is afgegeven. [belanghebbende] en [appellant sub 2] voeren aan dat de voormelde wijziging in de definitieve verklaring van geen bedenkingen op geen enkele wijze is onderbouwd en dat daarmee niet duidelijk is of geen onaanvaardbare gevolgen zullen ontstaan voor de woon- en leefomgeving van omwonenden. In dit kader voeren zij voorts aan dat aan het besluit het niet vastgestelde bestemmingsplan " Industrie-West, partiële herziening [vergunninghoudster]" ten grondslag is gelegd terwijl dit bestemmingsplan niet is vastgesteld omdat daarin onvoldoende waarborgen voor de woon- en leefomgeving van omwonenden waren opgenomen. De rechtbank heeft volgens [belanghebbende] en [appellant sub 2] niet onderkend dat in het besluit niet wordt toegelicht waarom volstaan kan worden met een verwijzing naar dit bestemmingsplan voor de ruimtelijke onderbouwing. Daarnaast voeren [belanghebbende] en [appellant sub 2] aan dat niet is onderkend dat de omgevingsvergunning betrekking heeft op het hele gebruik dat van locatie [locatie 1] wordt gemaakt terwijl de verklaring van geen bedenkingen ziet op hal 8 en 9 en de buitenopslag met beperkingen en voorwaarden.4.1.    Het college heeft gelijktijdig met de ontwerp-omgevingsvergunning een ontwerpverklaring van geen bedenkingen van de raad ter inzage gelegd. Naar aanleiding daarvan zijn door [vergunninghoudster], [belanghebbende] en [appellant sub 2] zienswijzen ingediend. In het besluit van de raad tot definitieve afgifte van de verklaring van geen bedenkingen is gereageerd op deze zienswijzen. De Afdeling ziet in hetgeen door [belanghebbende] en [appellant sub 2] is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de ontwerpverklaring van geen bedenkingen op onjuiste wijze ter inzage heeft gelegen.De rechtbank heeft in hetgeen door [belanghebbende] en [appellant sub 2] is aangevoerd terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de verklaring van geen bedenkingen heeft kunnen verlenen en dat gedeputeerde staten niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. De rechtbank heeft daarbij terecht van belang geacht dat aan de omgevingsvergunning voorschriften zijn verbonden ter bescherming van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Aan de omgevingsvergunning is als voorwaarde verbonden dat de opslag slechts zeven dagen mag duren, de opslag dient plaats te vinden in afgesloten dan wel afgedekte containers, het oppervlak aan buitenopslag beperkt moet blijven tot 200 m2 en een gewicht van 400 ton en het uitsluitend mag gaan om uitgesorteerde en overgeslagen monostromen ten behoeve van transport van ferro en non-ferromaterialen, kunststoffen, papier en karton of natuurlijke en synthetische textiel. Met de omgevingsvergunning wordt, zoals ter zitting bevestigd door het college en [vergunninghoudster], het niet mogelijk gemaakt buiten de hal afvalstoffen te sorteren of verwerken. Deze activiteiten zullen in de hallen blijven plaatsvinden. Dat is verwezen naar een toelichting van een ontwerpbestemmingsplan dat uiteindelijk niet is vastgesteld betekent niet dat de daarin gegeven ruimtelijke onderbouwing reeds daarom voor onjuist gehouden dient te worden. Bovendien is aan het besluit een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag gelegd waarin een groot deel van de gevolgen van hetgeen door [vergunninghoudster] is aangevraagd wordt besproken. Daarnaast hebben [belanghebbende] en [appellant sub 2] niet aangetoond dat zij ten gevolge van de te realiseren buitenopslag dusdanige gevolgen zullen ondervinden dat hun woon- en leefklimaat op onaanvaardbare wijze zal worden aangetast.Het betoog faalt.5.    [belanghebbende] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank in haar uitspraak diverse malen ten onrechte heeft vermeld dat zij uitspraak heeft gedaan over de vergunning van 9 maart 2018. Volgens hen is dit onjuist omdat dat besluit is vervangen door een nieuw besluit van 20 maart 2018.5.1.    Bij brief van 20 maart 2018 heeft gedeputeerde staten medegedeeld dat de eerder verleende vergunning van 9 maart 2018 vanwege een onjuiste ondertekening niet juist is. Om die reden heeft het bij besluit van 20 maart 2018 deze ondertekening hersteld. Weliswaar heeft de rechtbank ten onrechte het besluit van 9 maart 2018 aangehaald in haar uitspraak, maar nu het besluit van 20 maart 2018 identiek is aan het besluit van 9 maart 2018 ziet de Afdeling daarin geen grond voor het oordeel dat de rechtbank de beroepen van [belanghebbende] en [appellant sub 2] gegrond had dienen te verklaren.Slot en conclusie6.    De hoger beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.w.g. Drop    w.g. Vermeulenlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 4 december 2019700.