Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:4091

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-12-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 04-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:4091, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201809137/1/A3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:4091:DOC

201809137/1/A3.Datum uitspraak: 4 december 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellante], wonend te Tilburg,tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 september 2018 in zaak nr. 18/1602 in het geding tussen:[appellante]enhet college van burgemeester en wethouders van Tilburg.ProcesverloopBij besluit van 26 september 2017 heeft het college geweigerd in de basisregistratie personen (hierna: de brp) een aantal [appellante] betreffende gegevens en brondocumenten te registreren.Bij besluit van 30 januari 2018 heeft het college het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 25 september 2018 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.W. van de Wege, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.P.A. Schutter, zijn verschenen. Na de zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.Het college en [appellante] hebben ieder een nader stuk ingediend.Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft gesloten.Overwegingen1.    Op 30 mei 2017 heeft het college van [appellante], van Guineese nationaliteit, een aantal documenten ontvangen met het verzoek op grond hiervan haar betreffende gegevens in de brp te registreren en de documenten in de brp als brondocument als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet basisregistratie personen (hierna: de Wet brp) te registreren. Het gaat onder meer om een Guineese rechterlijke uitspraak betreffende de geboortegegevens van [appellante], jugement supplétif genoemd, van 18 april 2017 en een bewijs van inschrijving van de jugement supplétif in het Guineese register van de burgerlijke stand. Het college heeft deze stukken laten onderzoeken door Bureau Documenten (hierna: BD) van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Op 7 augustus 2017 heeft BD een verklaring van onderzoek opgemaakt, waarin is geconcludeerd dat de jugement supplétif en het inschrijvingsbewijs niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Onder verwijzing hiernaar heeft het college bij het besluit van 26 september 2017 geweigerd het verzoek van [appellante] in te willigen. Dit besluit heeft het college bij het besluit van 30 januari 2018 gehandhaafd.2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college mocht uitgaan van de conclusie in de verklaring van onderzoek dat de jugement supplétif en het inschrijvingsbewijs niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Zij voert aan dat de constatering in die verklaring dat de documenten zijn voorzien van een aantal inktstempelafdrukken en handtekeningen ter autorisatie niet kan bijdragen aan de conclusie dat de documenten niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Voorts voert zij aan dat de constatering dat zij twee keer eerder een jugement supplétif met inschrijvingsbewijs heeft overgelegd en het in de Guineese wetgeving slechts is toegestaan een geboorte één keer op deze wijze te registreren die conclusie niet kan dragen. Volgens haar is BD niet deskundig op het gebied van het Guinees recht en heeft het zijn interpretatie ervan niet onderbouwd. Verder wijst zij erop dat BD ten aanzien van de eerder door haar overgelegde jugements supplétifs van 29 maart 2007 en 3 mei 2016 met inschrijvingsbewijzen heeft geconcludeerd dat deze niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Volgens haar kunnen de jugement supplétif en het inschrijvingsbewijs die thans voorliggen de eerste zijn die bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Dat haar in 2009 een Guinees paspoort is afgegeven, doet hieraan niet af, omdat niet is uitgesloten dat het paspoort zonder bewijs van geboorte dan wel op grond van de jugement supplétif van 29 maart 2007 met inschrijvingsbewijs is afgegeven, aldus [appellante].2.1.    Artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp luidt: "De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend."2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:233, moet vooropgesteld worden dat de gegevens in de brp betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor de gegevens omtrent de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, heeft de wetgever een rangorde aangegeven in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. Aan een "lager" document mogen gegevens worden ontleend wanneer op het tijdstip van inschrijving in redelijkheid geen "hoger" document kan worden overgelegd. Dit doet evenwel niet af aan de plicht van de burger om eventueel ook na de inschrijving alsnog zo sterk mogelijke documenten te leveren (Kamerstukken II 2011-2012, 33 219, nr. 3, blz. 126).Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2488, is een door BD opgestelde verklaring van onderzoek een deskundigenadvies waarvan een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan. Indien en voor zover een bestuursorgaan een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, strekt de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende belanghebbende geen eigen deskundigenadvies overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een aangevoerde beroepsgrond beoordeelt of het bestuursorgaan zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat het deskundigenadvies, naar wijze van totstandkoming, zorgvuldig en, naar inhoud, inzichtelijk en concludent is.2.3.    BD heeft aan de conclusie in de verklaring van onderzoek dat de jugement supplétif van 18 april 2017 en het inschrijvingsbewijs niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven ten grondslag gelegd dat het in de Guineese wetgeving slechts is toegestaan een geboorte één keer op deze wijze te registreren en dat het hier om de derde registratie gaat. Volgens een ter toelichting aan de rechtbank overgelegd e-mailbericht van 10 augustus 2018 van BD was de rechter die de jugement supplétif van 18 april 2017 heeft uitgesproken niet bevoegd voor de derde keer uitspraak over dezelfde geboorte te doen en was de bij de inschrijving betrokken ambtenaar van de burgerlijke stand niet bevoegd om voor de derde keer dezelfde geboorte in te schrijven. In het door het college ingediende nader stuk heeft BD gewezen op de ten tijde van belang geldende artikelen 192 en 193 van de Guineese Code Civil. Artikel 193 gaat over registratie van geboortegegevens op grond van een rechterlijke uitspraak, jugement supplétif. Volgens BD kan registratie op grond van artikel 193 slechts één keer plaatsvinden. Naar het oordeel van de Afdeling is de aldus toegelichte verklaring van onderzoek inzichtelijk en concludent. Het bij de beoordeling van documenten betrekken van kennis over relevante regelgeving uit het land waaruit de desbetreffende documenten afkomstig zijn, behoort tot de deskundigheid van BD. Niet is gebleken dat BD in dit geval is uitgegaan van een onjuiste uitleg van het Guineese recht. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat BD in het door het college overgelegde nader stuk heeft toegelicht, dat het hier gaat om informatie over de Guineese regelgeving die is verkregen bij een factfindingsmissie naar Guinee in 2011 en door communicatie met de voor Guinee verantwoordelijke Nederlandse ambassade te Dakar (Senegal). Dat BD ten aanzien van de eerder door [appellante] overgelegde jugements supplétifs van 29 maart 2007 en 3 mei 2016 met inschrijvingsbewijzen eveneens heeft geconcludeerd dat deze niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven, betekent niet dat registratie van de daarin vermelde geboortegegevens niet heeft plaatsgevonden, zoals [appellante] kennelijk veronderstelt. Het door [appellante] in bezwaar overgelegde document van een Guineese jurist van 5 april 2014, waarnaar zij in haar nader stuk heeft verwezen, doet aan het voorgaande niet af. Dat document bevat geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de uitleg van het Guineese recht die BD heeft gebruikt bij zijn oordeelsvorming. Reeds gelet op het voorgaande heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht geoordeeld dat het college mocht uitgaan van de conclusie in de verklaring van onderzoek dat de jugement supplétif van 18 april 2017 en het inschrijvingsbewijs niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. De Afdeling merkt op dat BD in het nader stuk heeft gewezen op  een mogelijkheid voor [appellante] om te bereiken wat zij met het verzoek in deze zaak heeft beoogd, te weten inschrijving van haar Guineese geboorteregistratie in de brp.Het betoog faalt.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.w.g. Daalder    w.g. Hartsuikerlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 4 december 2019620.