Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:4087

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-12-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 04-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:4087, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201902621/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:4087:DOC

201902621/1/A1.Datum uitspraak: 4 december 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:[appellant], wonend in Arnhem,appellant,enhet college van burgemeester en wethouders van Arnhem,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 27 december 2018 heeft het college zijn beslissing om op 11 december 2018 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 140,00) voor rekening van [appellant] komt.Bij besluit van 25 februari 2019 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.Het college heeft een verweerschrift ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2019, waar het college, vertegenwoordigd door P.T.F.A. de Boer, is verschenen.Overwegingen1.    Op 11 december 2018 heeft het college spoedeisende bestuursdwang toegepast door een vuilniszak te verwijderen die naast een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC) op de kruising van de Zevenbladstraat met de Brunelsingel in Arnhem is aangetroffen. Het aanbieden van afval naast een ORAC is in strijd met artikel 4.2.2.8 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem (hierna: de APV) in samenhang met artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit artikel 4.2.3.5, derde lid, Apv betreffende het stellen van regels ten aanzien van de wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen moet worden aangeboden (hierna: het Uitvoeringsbesluit). Omdat in de vuilniszak een bonnetje met daarop de naam en het adres van [appellant] is aangetroffen, stelt het college zich op het standpunt dat hij degene is die de vuilniszak naast de afvalcontainer heeft geplaatst en dat hij daarom een gedeelte van de kosten van het verwijderen van de vuilniszak moet betalen.2.    Artikel 4.2.2.8, eerste lid, van de APV luidt:"Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door burgemeester en wethouder te stellen regels over het gebruik van:a. inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel;b. inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel."Artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit luidt:"Afvalstoffen dienen in een goed gesloten zak in een verzamelcontainer te worden gedeponeerd."3.    [appellant] betoogt dat hij niet als overtreder kan worden aangemerkt. De aangetroffen vuilniszak is weliswaar van hem, maar hij was niet degene die de vuilniszak naast de ORAC heeft geplaatst, aldus [appellant]. Hij voert aan dat hij de vuilniszak ’s avonds in zijn tuin heeft gezet en dat deze de volgende dag bleek te zijn weggehaald.3.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Daarbij is onderkend dat het voor de betrokkene lastig of zelfs onmogelijk kan zijn om het bewijsvermoeden te weerleggen. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.3.2.    Niet in geschil is dat de aangetroffen vuilniszak van [appellant] is. De enkele stelling dat hij de vuilniszak niet naast de ORAC maar in zijn tuin heeft geplaatst, is niet voldoende om aannemelijk te maken dat hij niet de overtreder is, omdat deze stelling niet met bewijsstukken is onderbouwd of anderszins aannemelijk is gemaakt.Het betoog faalt.4.    [appellant] betoogt dat het college niet een bedrag van € 140,00 voor het toepassen van spoedeisende bestuursdwang op hem mocht verhalen. Hij voert aan dat er op de foto’s die bij het primaire besluit van 27 december 2018 zijn gevoegd te zien is dat er meerdere vuilniszakken naast de ORAC stonden, waarvan er maar eentje van hem was.4.1.    Anders dan [appellant] kennelijk meent, verhaalt het college op hem alleen een gedeelte van de kosten die gemaakt zijn voor het opruimen en onderzoeken van zijn vuilniszak. Dit kost volgens het college namelijk € 255,00 per vuilniszak, waarvan het college € 140,00 per vuilniszak op de overtreder verhaalt. Dat er op de foto’s meerdere vuilniszakken te zien zijn, is alleen maar om de situatie ter plaatse duidelijk te maken en betekent niet dat het college de kosten van het opruimen en onderzoeken van al deze vuilniszakken op [appellant] heeft verhaald.Het betoog faalt.5.    Het beroep is ongegrond.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:verklaart het beroep ongegrond.Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V.H.Y. Huijts, griffier.w.g. Drop    w.g. Huijtslid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 4 december 2019811