Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:4072

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-12-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 04-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:4072, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201900647/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:4072:DOC

201900647/1/A2.Datum uitspraak: 4 december 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 december 2018 in zaak nr. 18/2287 in het geding tussen:[appellant A] en [appellant B] (hierna ook tezamen en in enkelvoud: [appellant])enhet college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college).ProcesverloopBij besluit van 3 november 2017 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.Bij besluit van 20 maart 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 13 december 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2019, waar [appellant A], bijgestaan door mr. D. Pool, rechtsbijstandverlener te Apeldoorn en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.E. Ross, ir. P.J. van Eijndthoven en mr. M.C. ter Steeg, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    [appellant] is sinds 19 augustus 1992 eigenaar van het perceel [locatie] te Voorthuizen. Op grond van het Provinciaal inpassingsplan ‘Rondweg Voorthuizen N303’ (hierna: het inpassingsplan), dat op 20 februari 2015 in werking is getreden, wordt de aanleg van de rondweg rond Voorthuizen mogelijk gemaakt.Bij brief van 19 december 2016 heeft [appellant] het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade in de vorm van waardedaling van zijn perceel, die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de vaststelling van het inpassingsplan.2.    Aan het besluit van 3 november 2017, als gehandhaafd bij besluit van 20 maart 2018, heeft het college een advies van de adviseur tegemoetkoming in planschade van de Provincie Gelderland van 25 oktober 2017 (hierna: het advies) ten grondslag gelegd.In het advies staat dat op grond van de vergelijking van de oude en de nieuwe planologische situatie sprake is van een licht planologisch nadeliger situatie die leidt tot een objectief waarneembare waardedaling van de woning van [appellant] op peildatum 20 februari 2015. De waardevermindering bedraagt € 5.000,00, terwijl de waarde van het object op de peildatum is getaxeerd op € 405.000,00. Er is geen sprake van voorzienbaarheid en/of actieve risicoaanvaarding. Omdat deze schade het normaal maatschappelijk risico van 2 % niet overstijgt, wordt geadviseerd het verzoek om tegemoetkoming in planschade af te wijzen, aldus het advies.De regelgeving3.    De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.De uitspraak van de rechtbank4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het advies aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de adviseur, anders dan [appellant] betoogt, de aanwezigheid van faunapassages, ecoducten, tunnels en viaducten heeft betrokken in de planologische vergelijking. Dat de adviseur dit niet heeft geëxpliciteerd, is onvoldoende voor de conclusie dat het advies ondeugdelijk is, dat de adviseur de nadelen voor wat betreft de schadefactor ‘uitzicht’ niet als beperkt heeft kunnen aanmerken en dat het college dat advies daarom niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen.De adviseur heeft, gezien de bebouwing die mogelijk is op het sportcomplex en op de gronden met een maatschappelijke bestemming, mede gelet op de afstand tot de rondweg en ook tot de zijtak, in redelijkheid kunnen concluderen tot ‘enige beperking’ van het uitzicht.Naar het oordeel van de rechtbank zijn er onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de adviseur de situeringswaarde niet juist heeft bepaald. De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat de adviseur naast de faunapassages, ecoducten, tunnels en viaducten, ook de aanwezigheid van de zijtak op korte afstand van de woning in de planologische vergelijking heeft betrokken. Uitgaande van de maximale bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2012’ biedt, wordt het uitzicht vanuit de woning van [appellant] op de rondweg aanzienlijk beperkt door de tussenliggende bestemming ‘Sport’, aldus de rechtbank.Het hoger beroep5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het advies aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat de faunapassages, ecoducten, tunnels en viaducten niet zijn betrokken bij de planologische vergelijking van het advies.Verder voert [appellant] aan dat het verlies van het uitzicht in het advies ten onrechte wordt aangemerkt als beperkt.Daarnaast heeft de rechtbank miskend dat het uitzicht vanuit de woning niet aanzienlijk werd of wordt beperkt door de tussenliggende bestemming ‘Sport’, nu voor de Sportbestemming maximaal 5% van de toegestane bebouwing buiten het bouwvlak mag worden opgericht, aldus [appellant].5.1.    Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden (vergelijk de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, onder 2.1, ECLI:NL:RVS:2016:2582).5.2.    Bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade als gevolg van planologische ontwikkelingen op gronden van derden, moet worden uitgegaan van de voor de aanvrager meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van die gronden. Dat kan voor de ene schadefactor, bijvoorbeeld voor de aantasting van privacy, een andere invulling zijn dan voor een andere schadefactor, bijvoorbeeld aantasting van het uitzicht (vergelijk de evengenoemde overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, onder 2.2).5.3.    Ter zitting is gebleken dat het geschil zich toespitst op het uitzicht vanuit de woning van [appellant] in noordoostelijke richting. Partijen verschillen daarbij van mening over de maximale bebouwingsmogelijkheden - en daarmee de mate van een mogelijk verlies van uitzicht - op het sportcomplex dat tegenover het perceel van [appellant] ligt. Voor dat sportcomplex gold op grond van het Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2012’ (hierna: het Bestemmingsplan) reeds vóór invoering van het Inpassingsplan de bestemming 'Sport'.Ingevolge artikel 17.2.1 van het Bestemmingsplan mogen gebouwen op het sportcomplex uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak. Artikel 17.2.2, aanhef en onder d, geeft daarnaast de mogelijkheid om in afwijking van het bepaalde in artikel 17.2.1 maximaal vijf procent van de toegestane bebouwing buiten het bouwvlak op te richten. De artikelen 17.2.1 en 17.2.2, aanhef en onder d zijn, anders dan [appellant] betoogt, niet van toepassing op het bouwen van tribunes. Uit artikel 17.2.5 van het Bestemmingsplan volgt immers dat tribunes niet kunnen worden aangemerkt als gebouwen. Op grond van artikel 17.2.5, aanhef en onder e, van het Bestemmingsplan telt de oppervlakte van onder meer tribunes wel mee bij de berekening van de voor het sportcomplex geldende totale maximale bebouwde oppervlakte van 426 m². Uitgaande van hetgeen op grond van het Bestemmingsplan maximaal kon worden gerealiseerd, stelt het college zich terecht op het standpunt dat het mogelijk was een aanzienlijke tribune recht tegenover het perceel van [appellant] op te richten, met bijvoorbeeld een hoogte van 8 meter en een breedte van 20 meter. In hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht is voorts geen grond gelegen om aan te nemen dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de bouw van een tribune met een hiervoor geschetste omvang niet met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten. Ter zitting is gebleken dat partijen het eens zijn dat het uitzicht in de noordoostelijke richting bij een zodanige bebouwing aanzienlijk zou zijn beperkt.In het licht van het voorgaande is in hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht dan ook geen grond te vinden voor het oordeel dat het advies onjuist is en dat het college niet onder verwijzing naar het advies mocht oordelen dat het verlies aan uitzicht - gezien de bouwmogelijkheden bij het sportcomplex, de afstand van het perceel tot de rondweg, de mogelijke achterliggende bebouwing ter hoogte van een deel van de zijtak van de rondweg en de voorheen reeds bestaande bestemming ‘verkeer’ ter hoogte van het viaduct Overhorsterweg - beperkt is.Het betoog faalt.Slotsom6.    De slotsom is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college het advies aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.w.g. Van Ravels    w.g. Van Dokkumlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 4 december 2019480-902. BIJLAGE Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2012’Artikel 17 Sport[…]17.2 Bouwregels17.2.1 GebouwenVoor het bouwen van gebouwen geldt dat deze uitsluitend mogen worden gebouwd binnen een bouwvlak.17.2.2 BedrijfsgebouwenVoor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:[…]c. de totale bebouwde oppervlakte van gebouwen voor een sportvoorziening mag niet meer bedragen dan de in onderstaande lijst aangegeven oppervlakte:[…]Straat of aanduiding Huisnummer Oppervlakte (m²)[…]Overhorsterweg     10         426[…]d. in afwijking van het bepaalde in artikel 17.2.1 mag maximaal 5% van de in het voorgaande lid toegestane bebouwing buiten het bouwvlak worden opgericht;[…]17.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijndeVoor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:a. de bouwhoogte van palen, masten en ballenvangers mag niet meer dan 10 m bedragen;b. de bouwhoogte van tribunes mag niet meer dan 8 m bedragen;c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3,5 m;e. de oppervlakte van overkappingen en tribunes telt mee bij de berekening van de totale bebouwde oppervlakte als bedoeld in artikel 17.2.2 onder c.