Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:4063

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-12-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 04-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:4063, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201900901/1/R1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:4063:DOC

201900901/1/R1.Datum uitspraak: 4 december 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:1.    [appellant sub 1], wonend te Amsterdam,2.    [appellant sub 2], wonend te Amstelveen,ende raad van de gemeente Amstelveen,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 12 december 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Wester Amstel 2018" vastgesteld.Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.De raad heeft een verweerschrift ingediend.[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2019, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigden], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. A.P. van Delden, advocaat te Alphen aan den Rijn en de raad, vertegenwoordigd door ing. R. Luijendijk, zijn verschenen.Buiten bezwaren van partijen is ter zitting nog een stuk in het geding gebracht.Overwegingen1.    Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologische kader voor het plangebied Wester Amstel, gelegen in het noordoostelijke deel van de gemeente Amstelveen. Het plan is hoofdzakelijk conserverend van aard.     [appellant sub 1] is eigenaar van het perceel [locatie 1]. Hij kan zich niet verenigen met het plan voor zover aan zijn perceel de bestemming "Bedrijf" is toegekend.    [appellant sub 2] is eigenaar van het perceel [locatie 2]. Hij kan zich niet verenigen met het plan voor zover aan zijn perceel de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" is toegekend.Toetsingskader2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.Ontvankelijkheid3.    Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] voert de raad aan dat [appellant sub 1] geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht en dat zijn beroep om die reden niet-ontvankelijk is. Volgens de raad kan de door Van den Brink ingediende zienswijze niet worden geacht namens [appellant sub 1] te zijn ingediend.3.1.    Uit de ingediende zienswijzen blijkt dat Van den Brink deze namens [appellant sub 1] heeft ingediend, aangezien in de zienswijzen wordt gesproken van zijn "cliënt". Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt met zich dat, indien bij het naar voren brengen van een zienswijze een machtiging ontbreekt, de raad de indiener in de gelegenheid moet stellen om een machtiging over te leggen teneinde het geconstateerde verzuim te herstellen. Ter zitting is komen vast te staan dat de raad Van den Brink deze gelegenheid niet heeft geboden. Gelet op het vorenstaande is er dan ook geen aanleiding om het beroep van [appellant sub 1] om die reden niet-ontvankelijk te achten.Het beroep van [appellant sub 1]4.    Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 1]. Volgens hem heeft de raad ten onrechte deze bestemming toegekend, aangezien ter plaatse, ruim voor de vaststelling van het plan, geen bedrijfswerkzaamheden meer plaatsvinden en er een sloopvergunning is verleend. De raad had volgens [appellant sub 1] aan het perceel de bestemming "Woonhuis met aangebouwd kantoor" conform de feitelijke bebouwing en het gebruik daarvan moeten toekennen. Een bedrijfsbestemming in het landelijke lint van Amsteldijk Noord is volgens [appellant sub 1] achterhaald en niet passend.4.1.    Op de verbeelding is aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Bedrijf" toegekend.4.2.    Ter zitting heeft [appellant sub 1] toegelicht dat hij ter plaatse een nieuwe woning wil realiseren en geen gebruikswijziging wenst.    De Afdeling stelt voorop dat de raad volgens vaste rechtspraak bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening moet houden met een particulier initiatief voor een ruimtelijke ontwikkeling. Dit is echter alleen het geval wanneer dat initiatief voldoende concreet is, tijdig is kenbaar gemaakt en de raad de ruimtelijke aanvaardbaarheid ervan ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens kon beoordelen. [appellant sub 1] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan al een concreet bouwplan bestond voor het bouwen van een woning. Weliswaar heeft [appellant sub 1] in zijn zienswijze om medewerking en duidelijkheid gevraagd aan de raad over de vorm, afmeting en uiterlijk van een nieuw te bouwen woonhuis, maar daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat het voornemen zodanig concreet is dat dit zonder meer in het plan kon worden opgenomen. Dat er een sloopvergunning is verleend, laat onverlet dat [appellant sub 1] geen concreet plan heeft ingediend. De raad hoefde met dit voornemen bij de vaststelling van het plan dan ook geen rekening te houden. De enkele stelling dat een bedrijfsbestemming in het landelijke lint van Amsteldijk Noord achterhaald en niet passend zou zijn, maakt dit, wat hier verder van zij, niet anders. Ter zitting is verder gebleken dat ten tijde van de zitting nog geen aanvraag was ingediend. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre niet zorgvuldig tot stand is gekomen.    Het betoog faalt.Zienswijze herhaald en ingelast5.    [appellant sub 1] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijzen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. [appellant sub 1] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.    Het betoog faalt.Het beroep van [appellant sub 2]6.    Het beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" voor het perceel [locatie 2]. [appellant sub 2] twijfelt eraan of de raad zijn bedrijf correct heeft ingepast in het plan, aangezien hieraan een zuiver agrarische bestemming is toegekend. In dat verband wijst hij erop dat hij op zijn perceel pensionpaarden houdt en opslagruimte aan derden verhuurt. Volgens [appellant sub 2] doet de inpassing van de bestaande bedrijfsactiviteiten geen afbreuk aan het belang van een goede ruimtelijke ordening en draagt het bedrijf bij aan de instandhouding en verbetering van de landschapskwaliteiten en natuurwaarden van de landbouwgronden rondom het erf.6.1.    Artikel 4, lid 4.1, van de planregels luidt:"De voor Agrarisch-Agrarisch Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor:a. gebouwen ten behoeve van de uitoefening van het agrarisch bedrijf;[…]d. ter plaatse van de functieaanduiding 'paardenhouderij' is een paardenhouderij toegestaan;[…]"    Ingevolge artikel 1, lid 1.7, van de planregels wordt onder een agrarisch bedrijf verstaan: "een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van en/of fokken met dieren; nader te onderscheiden in:a. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee geheel of nagenoeg geheel op open grond;b. een productiegerichte paardenhouderij. Een gebruiksgerichte paardenhouderij, manege, kennel en dierenasiel wordt niet worden aangemerkt als een agrarisch bedrijf;[…]"    Ingevolge artikel 1, lid 1.104, van de planregels wordt onder productiegerichte paardenhouderij verstaan een agrarisch bedrijf gericht op het houden van paarden, waarbij uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden.6.2.    Op de verbeelding is aan het perceel [locatie 2] de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" en de functieaanduiding "paardenhouderij" toegekend. [appellant sub 2] heeft ter zitting toegelicht dat de paardenhouderij is gericht op het fokken en houden van paarden. Uit de definitie van artikel 1, lid 1.7, van de planregels volgt dat een productiegerichte paardenhouderij onder een agrarisch bedrijf valt. Verder volgt uit de definitie van artikel 1, lid 1.104, van de planregels dat onder productiegerichte paardenhouderij wordt verstaan een agrarisch bedrijf gericht op het houden van paarden, waarbij uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden. Gelet hierop valt het fokken en houden van paarden onder een agrarisch bedrijf, zodat de activiteiten als zodanig zijn bestemd. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" en de functieaanduiding "paardenhouderij" heeft kunnen toekennen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 2] heeft toegelicht dat ongeveer 20% van het bedrijfsinkomen gegenereerd wordt uit het houden van jongvee, ongeveer 40% uit de paardenhouderij en ongeveer 40% uit de opbrengsten van verhuur van opslagruimte aan derden, zodat het bedrijf als overwegend agrarisch is aan te merken.    Het betoog faalt in zoverre.6.3.    Wat betreft de verhuur van opslagruimte aan derden, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft toegelicht dat hij opslagdoeleinden als agrarische nevenactiviteiten ter plaatse niet in het plan wenst te regelen.  Volgens de raad waren opslagdoeleinden als agrarische nevenactiviteiten al op grond van het voorheen geldende plan niet toegestaan. Dergelijke opslagactiviteiten dragen niet bij aan de kwaliteit van het landschap en werken precedentwerking in de hand. Dit uitgangspunt acht de Afdeling niet onredelijk. De stelling van [appellant sub 2] ter zitting dat het bedrijf in het verleden is gekarakteriseerd als passend in de omgeving is, wat daar verder ook van zij, onvoldoende voor het oordeel dat de raad in dit geval niet aan dit uitgangspunt mocht vasthouden. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de raad heeft toegelicht dat de aan [appellant sub 2] verleende bouwvergunningen voor de bedrijfsgebouwen vanaf 1996 in fases zijn verleend. Verder heeft de raad ter zitting onbestreden toegelicht dat deze bouwvergunningen zijn verleend ten behoeve van agrarisch gebruik en niet met het oog op verhuur van opslagruimte aan derden. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet in redelijkheid op deze manier heeft kunnen vaststellen. De stelling van [appellant sub 2] ter zitting dat hij op dit moment in overleg is met ambtenaren van de gemeente om te komen tot een overeenstemming over het voortzetten van de activiteiten met betrekking tot de verhuur van opslagruimte aan derden ter plaatse, maakt dit niet anders. Weliswaar heeft de raad ter zitting toegelicht dat de ambtenaren van de gemeente ervoor openstaan om door middel van vergunningverlening verhuur van opslagruimte aan derden onder voorwaarden toe te staan, maar het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen is hiervoor het bevoegde orgaan. Voor zover [appellant sub 2] op deze mogelijkheid wijst, overweegt de Afdeling dat het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning in deze procedure niet aan de orde kan komen. De Afdeling merkt ten overvloede op dat het voorgaande er niet aan in de weg staat dat partijen alsnog hun overleg met elkaar kunnen voortzetten.    Het betoog faalt.Zienswijze herhaald en ingelast7.    [appellant sub 2] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 2] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.    Het betoog faalt.Conclusie en proceskosten8.    De beroepen zijn ongegrond.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:verklaart de beroepen ongegrond.Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.w.g. Michiels    w.g. Zwemstralid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 4 december 201991-877.