Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:4059

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-12-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 04-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:4059, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201901885/1/A3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:4059:DOC

201901885/1/A3.Datum uitspraak: 4 december 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,appellant,tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 14 februari 2019 in zaken nrs. 19/515 en 19/516 in het geding tussen:[wederpartij], wonend te Den Haag,enhet college.ProcesverloopBij besluit van 24 juli 2018 heeft het college de aanvraag van [wederpartij] om een voorrangsverklaring afgewezen.Bij besluit van 12 december 2018 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij mondelinge uitspraak van 14 februari 2019 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 (de Afdeling leest: 12) december 2018 vernietigd, zelf in de zaak voorzien door aan [wederpartij] een voorrangsverklaring op grond van sociale redenen toe te kennen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 oktober 2019, waar het college, vertegenwoordigd door mr. G. Tjon-Man-Tsoi en O. Koendjbiharie, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. H. van der Heide-Boertien, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.Overwegingen1.    [wederpartij] heeft een voorrangsverklaring aangevraagd voor een woning voor zichzelf en haar zes minderjarige kinderen.Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat de kinderen niet bij hun moeder wonen. In de bezwaarprocedure heeft [wederpartij] aangevoerd dat Jeugdbescherming west bereid is mee te werken aan terugplaatsing van de kinderen wanneer zij over passende woonruimte beschikt. Op de hoorzitting op 16 november 2018 is afgesproken dat de zaak twee weken werd aangehouden, zodat [wederpartij] de gelegenheid had aan te tonen dat aan de andere voorwaarden voor het terugplaatsen van de kinderen werd voldaan. Het college heeft zich bij het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat [wederpartij] van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt en niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kinderen bij haar worden teruggeplaatst als zij een voor een groot gezin geschikte woning betrekt. Gelet hierop is niet aannemelijk gemaakt dat [wederpartij] in een situatie verkeert dat zij binnen drie maanden andere woonruimte behoeft, aldus het college.2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit op bezwaar onzorgvuldig is voorbereid. De gemachtigde van [wederpartij] heeft bij e-mailbericht van 30 november 2018 een brief van Jeugdbescherming west van 16 november 2018 met informatie over de terugplaatsing van de kinderen aan het college toegezonden. Gelet op het belang van de kinderen, die zich in een zeer kwetsbare en onzekere situatie bevinden, bij een spoedige terugplaatsing bij hun moeder, lag het op de weg van het college om na ontvangst van deze brief contact op te nemen met de gemachtigde van [wederpartij] om nadere informatie in te winnen. Dit geldt temeer nu de gemachtigde bij e-mailbericht van 7 december 2018 het college heeft gevraagd of zij nog nadere informatie kon overleggen, aldus de rechtbank.    Zij heeft verder overwogen dat, gezien de inhoud van alle inmiddels in het dossier voorhanden zijnde stukken en de verklaringen van partijen ter zitting, zij uitgesloten acht dat een nieuwe aanvraag om een voorrangsverklaring niet tot een toewijzing daarvan zou leiden.3.    Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat uit de stukken niet bleek dat, wanneer [wederpartij] een voor een groot gezin geschikte woning zou verkrijgen, haar kinderen bij haar zouden worden teruggeplaatst. De stukken waaruit kan worden afgeleid dat aan de overige voor de terugplaatsing gestelde voorwaarden was voldaan, waren pas daags voor de zitting bij de rechtbank beschikbaar. Ter zitting bij de rechtbank is gebleken dat Jeugdbescherming west pas definitief tot de terugplaatsing heeft kunnen besluiten nadat de Raad voor de Kinderbescherming op 1 februari 2019 met het voornemen tot dat besluit heeft ingestemd. Jeugdbescherming west heeft pas op 12 februari 2019 bekendgemaakt dat was besloten dat de kinderen direct en zonder verdere toetsing bij [wederpartij] worden teruggeplaatst zodra aan haar een woning is toegewezen. De rechtbank heeft ten onrechte zelf een voorrangsverklaring aan [wederpartij] toegekend. Aanvragen om deze verklaring moeten inhoudelijk worden beoordeeld door een sociaal rapporteur, waarbij het zoekprofiel, dat is het type woningen waarop met voorrang gereageerd kan worden, de aanvangsdatum, de duur van de voorrang, en de personen voor wie en regiogemeenten waarvoor deze geldt, worden vastgesteld, aldus het college.3.1.    Uit het verslag van de hoorzitting bij de Adviescommissie bezwaarschriften blijkt dat de gemachtigde van het college daar heeft uiteengezet dat en waarom geen voorrangsverklaring zou worden verleend zonder voorafgaande bevestiging van de bevoegde instanties dat aan de overige voorwaarden voor terugplaatsing van de kinderen werd voldaan.Daarbij heeft de gemachtigde van het college meegedeeld dat Jeugdbescherming west met het oog op het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer geen inhoudelijke informatie met het college deelt. Met de gemachtigde van [wederpartij] is afgesproken dat zij binnen een termijn van twee weken bewijs aan het college zou overleggen van haar stelling, dat de verkrijging van een passende gezinswoning het sluitstuk voor de terugplaatsing van de kinderen vormde. Het was voor de gemachtigde van [wederpartij] dan ook duidelijk welke informatie aan het college diende te worden overgelegd. In de binnen de afgesproken termijn van twee weken door de gemachtigde van [wederpartij] aan het college overgelegde brief van Jeugdbescherming west van 16 november 2018 staat dat een woonruimte waar [wederpartij] en haar kinderen kunnen verblijven de eerste stap is in het traject van perspectiefbepaling voor de kinderen. Op welke manier het traject verder vorm krijgt en welke overige voorwaarden hieraan gekoppeld worden, wordt in de navolgende periode vastgesteld, aldus deze brief.3.2.    Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat met die brief niet aannemelijk is gemaakt dat aan de overige voorwaarden voor terugplaatsing van de kinderen werd voldaan en dat pas uit de daags voor de zitting bij de rechtbank door [wederpartij] ingebrachte stukken blijkt dat de kinderen bij haar zouden worden teruggeplaatst zodra er passende woonruimte was. Ter zitting bij de rechtbank is vastgesteld dat die informatie eerder niet voorhanden was. Reeds gelet op het spoedeisend karakter van het gevraagde besluit kan het college niet worden tegengeworpen dat het, bij het ontbreken van een verzoek van [wederpartij] om verlenging van de termijn voor het overleggen van de door het college gevraagde informatie, op 12 december 2018 het besluit op bezwaar heeft genomen. Het college is op grond van de op dat moment bekende gegevens op goede gronden tot het besluit gekomen.    Het betoog slaagt.4.    Reeds gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte een voorrangsverklaring aan [wederpartij] toegekend. Hetgeen het college over deze toekenning door de rechtbank heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking.5.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 12 december 2018 gegrond is verklaard, dat besluit is vernietigd, een voorrangsverklaring aan [wederpartij] is toegekend en is bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep ongegrond verklaren.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 14 februari 2019 in zaken nrs. 19/515 en 19/516, voor zover daarbij het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 12 december 2018, kenmerk […], gegrond is verklaard, dat besluit is vernietigd, een voorrangsverklaring aan [wederpartij] is toegekend en is bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;III.    verklaart het beroep ongegrond.Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.w.g. Bijloos    w.g. De Wildelid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 4 december 2019598.