Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:4045

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-12-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 02-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:4045, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201904283/1/V3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:4045:DOC

201904283/1/V3.Datum uitspraak: 2 december 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:[de vreemdeling],appellante,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 mei 2019 in zaak nr. 18/8595 in het geding tussen:de vreemdelingende staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.ProcesverloopBij besluit van 12 januari 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.Bij besluit van 19 oktober 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 3 mei 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. Rezaie, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.Overwegingen1.    De vreemdeling, van Sierra Leoonse nationaliteit, beoogt verblijf bij haar in Nederland woonachtige partner (hierna: referent). Referent heeft de Nederlandse nationaliteit. Niet in geschil is dat tussen hen sprake is van een exclusieve en duurzame relatie als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder b, van het Vb 2000.2.    De vreemdeling klaagt in de tweede grief dat de rechtbank bij haar oordeel dat niet is gebleken van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Sierra Leone uit te oefenen ten onrechte niet heeft betrokken dat de staatssecretaris zijn standpunt dat niet aan het middelenvereiste wordt voldaan, heeft ingetrokken.3.    In het besluit van 19 oktober 2018 heeft de staatssecretaris vermeld dat aan de afwijzing van de mvv-aanvraag het niet voldoen aan het middelenvereiste ten grondslag werd gelegd. In zijn verweerschrift in de procedure bij de rechtbank heeft de staatssecretaris dit standpunt ingetrokken. Over de vraag of aan de overige vereisten voor vergunningverlening wordt voldaan, heeft de staatssecretaris zich niet uitgelaten.3.1.    Uit overweging 7.3 van de uitspraak van de rechtbank volgt dat zij heeft onderkend dat de staatssecretaris zijn standpunt dat niet aan het middelenvereiste is voldaan heeft ingetrokken, maar van oordeel is dat de staatssecretaris de mvv-aanvraag alsnog kon afwijzen omdat niet is gebleken van objectieve belemmeringen voor de vreemdeling en referent om het gezinsleven in Sierra Leone uit te oefenen. Zij heeft hiermee niet onderkend dat pas wordt getoetst of artikel 8 EVRM tot verlening van een vergunning noopt, indien niet aan de vereisten voor vergunningverlening voor het bij de aanvraag opgegeven verblijfsdoel is voldaan (vgl. de uitspraak van 18 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:1605). Nu de staatssecretaris zich verder niet over deze vereisten heeft uitgelaten, heeft de rechtbank evenmin onderkend dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de door de vreemdeling gevraagde mvv is afgewezen. Alleen al hierom slaagt de grief.4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig om wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit van 19 oktober 2018 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 mei 2019 in zaak nr. 18/8595;III.    verklaart het beroep gegrond;IV.    vernietigt het besluit van 19 oktober 2018, V-nummer […];V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.w.g. Steendijk    w.g. Van Leeuwenvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 2 december 2019373-907.